Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2771

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
201606344/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:4001, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2015 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft. Bij besluit van diezelfde datum heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 8.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/2195
JV 2017/238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606344/1/V3.

Datum uitspraak: 12 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 26 juli 2016 in zaak nr. 16/2646 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2015 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft. Bij besluit van diezelfde datum heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 22 januari 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 juli 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I.K. Kolev, advocaat te Hapert, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de minister wordt tevens diens rechtsvoorganger verstaan.

2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

3. Aan de vreemdeling, die de Egyptische nationaliteit heeft, heeft de minister op 23 mei 2013 een document afgegeven als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, vanwege de relatie die hij onderhield met zijn partner (hierna: referent), van Italiaanse nationaliteit, met wie hij sinds 4 oktober 2011 samenwoonde. De referent is op 22 januari 2015 in het huwelijk getreden met een Egyptische vrouw. De minister heeft vastgesteld dat gelet hierop het verblijfsrecht van de vreemdeling is geëindigd, nu de vreemdeling volgens hem geen deugdelijk bewezen duurzame relatie met referent meer heeft en de vreemdeling niet heeft aangetoond vanaf het moment van het verbreken van de relatie over voldoende middelen van bestaan te beschikken. De rechtbank heeft het standpunt van de minister gevolgd. De vreemdeling bestrijdt de juistheid hiervan.

4. Hetgeen als grief 1 is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

5. In het besluit van 22 januari 2016 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij de vreemdeling niet langer tegenwerpt dat niet is aangetoond dat de relatie tussen de vreemdeling en referent langer dan drie jaar heeft geduurd. De vreemdeling komt volgens de minister echter niet in aanmerking voor voortzetting van het verblijf na verbreking van de relatie, nu de vreemdeling niet heeft aangetoond vanaf het moment van verbreking van de relatie over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Het verblijfsrecht is uit dien hoofde van rechtswege geëindigd op 22 januari 2015 en herleeft niet op 1 mei 2015 omdat de vreemdeling op dat moment weer inkomen uit arbeid in loondienst zou hebben, aldus dit besluit.

5.1. In grief 2 klaagt de vreemdeling, samengevat, onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit het woord 'alvorens' in de zin van artikel 13, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG (PB 2004 L 158, hierna: de Verblijfsrichtlijn) volgt dat op het moment van het beëindigen van de relatie over voldoende middelen moet worden beschikt. Nu de rechtbank met haar oordeel niet zijn betoog in beroep heeft gevolgd dat een dergelijk vereiste niet overeenkomt met de tekst, considerans en de ratio van de Verblijfsrichtlijn en dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, had zij het stellen van prejudiciële vragen niet achterwege mogen laten. Aangezien hij in 2015 geen beroep op het stelsel van de sociale bijstand heeft gedaan en daarvoor ook geen onredelijke belasting voor dit stelsel heeft gevormd, heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij niet in aanmerking komt voor een voortzetting van zijn verblijf, aldus de vreemdeling.

5.2. Artikel 13, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 8.15, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000). Weliswaar is in artikel 8.15, vijfde lid, van het Vb 2000 de tekst van artikel 13, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn niet letterlijk overgenomen, zo ontbreekt het woord 'alvorens' dat in artikel 13, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn wel wordt genoemd, de strekking van de bepaling is gezien de tekst en toelichting daarop (Stb. 2016, 215, blz. 39, 40 en 41) dezelfde en deze bepaling dient richtlijnconform te worden uitgelegd. De vreemdeling dient op grond daarvan, om zijn verblijfsrecht na het einde van de relatie te behouden, te voldoen aan het vereiste dat hij voor zichzelf over voldoende middelen van bestaan beschikt om te voorkomen dat hij ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel totdat hij het duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen. Uit artikel 13, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn valt niet af te leiden dat direct na het eindigen van de relatie over voldoende middelen moet worden beschikt. In geval een vreemdeling gedurende de relatie geen inkomen had, moet deze persoon enige tijd worden gegeven om dat inkomen te verwerven omdat anders in zo'n situatie het doel van artikel 13, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn, het bieden van bescherming in geval van verbreking van de relatie, zoals dat volgt uit punt 15 van de considerans, niet bereikt wordt. Dit geldt te meer in een situatie als de onderhavige waarin de vreemdeling naar gesteld op zeer korte termijn werd geconfronteerd met het eindigen van de relatie. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ten onrechte de minister in zijn standpunt is gevolgd dat op het moment van het eindigen van de relatie over voldoende middelen moet worden beschikt. Zij heeft niet onderkend dat de minister het besluit hiermee ondeugdelijk heeft gemotiveerd en niet heeft bezien of de vreemdeling voldoende middelen heeft om te voorkomen dat hij een onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandsstelsel.

5.3. In de slotzin van artikel 13, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn, is opgenomen dat de toereikende bestaansmiddelen zijn omschreven in artikel 8, vierde lid, van de Verblijfsrichtlijn. In het laatstgenoemde artikel is neergelegd dat bij het bepalen of de middelen van bestaan toereikend zijn rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. Ook uit punt 16 van de considerans kan worden afgeleid dat de persoonlijke situatie van de vreemdeling in ogenschouw moet worden genomen. Daarin is namelijk bepaald dat het gastland onder meer rekening dient te houden met de persoonlijke omstandigheden om te kunnen uitmaken of de begunstigde een onredelijke belasting is geworden voor zijn sociale bijstandsstelsel. Uit de transponeringstabel behorend bij het besluit van 24 april 2006, houdende wijziging van het Vb 2000 in verband met de implementatie van de Verblijfsrichtlijn (Stb. 2006, 215) volgt dat artikel 8, vierde lid, van de Verblijfsrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 8.12, derde lid, van het Vb 2000. De woorden "in ieder geval" in dit artikel laten een persoonlijke toets toe en richtlijnconforme uitleg is derhalve mogelijk. De rechtbank heeft ten onrechte niet geoordeeld dat de minister het voorgaande niet heeft toegepast en bij zijn beoordeling niet de persoonlijke omstandigheden van het geval heeft betrokken.

Grief 2 slaagt.

6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 22 januari 2016 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

6.1. De minister moet derhalve een nieuw besluit op bezwaar nemen. Daarbij zal de minister onder meer moeten ingaan op de omstandigheid dat de vreemdeling weliswaar van 22 januari 2015 tot mei 2015 niet heeft aangetoond over middelen van bestaan te beschikken, maar wel heeft betoogd dat hij in die periode geen beroep op het sociale bijstandsstelsel heeft gedaan en hij niet op de hoogte was van het huwelijk van referent met een ander. Voorts zal de minister bij zijn standpunt moeten betrekken dat de vreemdeling op het moment van het indienen van de aanvraag een arbeidscontract had dat afliep op 6 mei 2016 en hij derhalve over inkomsten uit arbeid beschikte tot nagenoeg 11 maanden na het indienen van de aanvraag. Weliswaar voldeed de vreemdeling hiermee niet aan artikel 3.75, eerste lid, van het Vb 2000, waarin is neergelegd dat de middelen van bestaan in ieder geval duurzaam zijn, indien zij nog een jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven, maar gezien het woordgebruik "in ieder geval" alsmede nu zoals hiervoor uiteen is gezet naar de persoonlijke situatie van de vreemdeling dient te worden gekeken, zal de minister niet kunnen volstaan met een enkele verwijzing naar de in dit artikel genoemde termijn.

7. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 26 juli 2016 in zaak nr. 16/2646;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 22 januari 2016, V-nummer [nummer] ;

V. veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de minister van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 419,00 (zegge: vierhonderdnegentien euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Nienhuis

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2017

466. BIJLAGE

Verblijfsrichtlijn

Considerans

[…]

(15) De familieleden moet rechtsbescherming worden geboden in geval van overlijden van de burger van de Unie, scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of beëindiging van geregistreerd partnerschap. Het is derhalve nodig, ter eerbiediging van het familieleven en de menselijke waardigheid en onder bepaalde voorwaarden ter voorkoming van misbruik, maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat familieleden die al op het grondgebied van het gastland verblijven, hun verblijfsrecht in dergelijke gevallen op uitsluitend persoonlijke basis behouden.

(16) Begunstigden van het verblijfsrecht mogen niet van het grondgebied worden verwijderd zolang zij geen onredelijke belasting vormen voor het socialebijstandsstelsel van het gastland. Een beroep op dat socialebijstandsstelsel mag bijgevolg niet automatisch aanleiding geven tot een verwijderingsmaatregel. Het gastland dient te onderzoeken of het gaat om tijdelijke problemen, en dient rekening te houden met de duur van het verblijf, de persoonlijke omstandigheden en het bedrag van de al uitgekeerde steun, om te kunnen uitmaken of de begunstigde een onredelijke belasting is geworden voor zijn socialebijstandsstelsel en of tot verwijdering wordt overgegaan.

[…]

Artikel 2

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. "burger van de Unie": eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit;

2. „familielid":

a) de echtgenoot;

b) de partner, met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voorzover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijk stelt met huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan;

c) de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn;

d) de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), die te hunnen laste zijn;

[…]

Artikel 3

1. Deze richtlijn is van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2), die hem begeleiden of zich bij hem voegen.

2. Onverminderd een persoonlijk recht van vrij verkeer of verblijf van de betrokkenen vergemakkelijkt het gastland overeenkomstig zijn nationaal recht, binnenkomst en verblijf van de volgende personen:

[…]

b. de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft.

Het gastland onderzoekt de persoonlijke situatie nauwkeurig en motiveert een eventuele weigering van toegang of verblijf.

Artikel 8

[…]

4. De lidstaten mogen niet het bedrag van de bestaansmiddelen vaststellen dat zij als toereikend beschouwen, maar moeten rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. Dit bedrag mag in geen geval hoger liggen dan het minimumbedrag waaronder onderdanen van het gastland in aanmerking komen voor sociale bijstand, of, indien dit criterium niet voorhanden is, dan het minimale socialezekerheidspensioen dat het gastland uitkeert.

[…]

Artikel 13

1. Onverminderd het bepaalde in de tweede alinea, zijn scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk van burgers van de Unie of beëindiging van het geregistreerde partnerschap als bedoeld in artikel 2, punt 2, onder b), niet van invloed op het verblijfsrecht van hun familieleden die de nationaliteit van een lidstaat bezitten.

Tot wanneer zij het duurzame verblijfsrecht verwerven moeten de betrokkenen voldoen aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, onder a), b), c) of d).

2. Onverminderd het bepaalde in de tweede alinea, leiden scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of beëindiging van geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 2, punt 2, onder b), niet tot verlies van het verblijfsrecht van de familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten:

a) indien het huwelijk of het geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 2, punt 2, onder b), bij de aanvang van de gerechtelijke procedure tot scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of bij de beëindiging van het geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 2, punt 2, onder b), ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan één jaar in het gastland, […]

Alvorens het duurzame verblijfsrecht te verwerven, blijft hun recht van verblijf onderworpen aan de voorwaarde dat is aangetoond dat zij werknemer of zelfstandige zijn, of voor zichzelf en hun familieleden over toereikende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van de socialebijstandsregeling van het gastland, dat zij een ziektekostenverzekering voor alle risico's in het gastland hebben afgesloten, of dat zij lid zijn van de reeds in het gastland gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet. De „toereikende bestaansmiddelen" zijn omschreven in artikel 8, lid 4.

Deze familieleden behouden hun verblijfsrecht op uitsluitend persoonlijke basis.

Vb 2000

Artikel 3.75

1. De in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan zijn in ieder geval duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.

[…]

Artikel 8.7

1. Deze paragraaf is van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

2. Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de familieleden die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, voor zover het betreft:

a. de echtgenoot;

b. de partner, waarmee de vreemdeling een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig geregistreerd partnerschap is aangegaan;

c. de rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn, van een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, of van diens echtgenoot of geregistreerd partner, voor zover die bloedverwant jonger is dan 21 jaar of ten laste is van die echtgenoot of geregistreerd partner; of

d. de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn die ten laste is van de vreemdeling of van het gezinslid, bedoeld onder a of b.

3. Deze paragraaf is voorts van toepassing op andere familieleden dan bedoeld in het tweede lid, die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, in geval zij:

a. in het land van herkomst ten laste zijn van of inwonen bij die vreemdeling; of

b. vanwege ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door die vreemdeling strikt behoeven.

4. Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met die vreemdeling heeft, en op de rechtstreekse bloedverwant in de neergaande lijn van een zodanige partner, voor zover die bloedverwant jonger is dan 18 jaar en die partner vergezelt of zich bij die partner in Nederland voegt.

Artikel 8.12

1. De vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij:

[…]

b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt;

[…]

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onder b, beschikt de vreemdeling met een inkomen ter hoogte van het normbedrag dat in artikel 3.74 voor de desbetreffende categorie is vastgesteld, in ieder geval over voldoende middelen van bestaan.

[…]

Artikel 8.13

1. De vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, voor zover hij in Nederland verblijft bij een vreemdeling als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, onder a, b of c.

[…]

Artikel 8.15

[…]

4. Onverminderd het vijfde lid eindigt het rechtmatig verblijf evenmin door de ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of de beëindiging van het geregistreerde partnerschap:

a. indien het huwelijk voor het begin van de gerechtelijke procedure tot scheiding of nietigverklaring, onderscheidenlijk het partnerschap voor beëindiging daarvan, ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan de vreemdeling ten minste één jaar in Nederland heeft verbleven;

[…]

5. In afwijking van het tweede lid, onder a, en het vierde lid, blijft het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit van een staat bezit als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, onderworpen aan de voorwaarde dat hij voor zichzelf en zijn familieleden over voldoende middelen van bestaan beschikt om te voorkomen dat zij ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel, tenzij hij het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 8.17 heeft verkregen, of is aangetoond dat hij:

a. werknemer of zelfstandige is;

b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf in Nederland ten laste komen van de algemene middelen, en beschikt over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt; of

c. gezinslid is van het reeds in Nederland gevormde gezin van een persoon die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld onder a of b.

[…]