Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:276

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
01-02-2017
Zaaknummer
201602409/1/A2 en 201602410/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:1449, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:1447, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen bepaald dat [appellant] geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over 2013 en 2014 en de uitgekeerde voorschotten moet terugbetalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602409/1/A2 en 201602410/1/A2.

Datum uitspraak: 1 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 29 februari 2016 in zaak nrs. 15/5374 en 15/5360 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Zaak nr. 201602409/1/A2

Bij besluit van 12 juli 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen bepaald dat [appellant] geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over 2013 en 2014 en de uitgekeerde voorschotten moet terugbetalen.

Bij besluit van 16 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 februari 2016 in zaak nr. 15/5374 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Zaak nr. 201602410/1/A2

Bij brief van 1 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2013 voor [appellant] herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 20 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 29 februari 2016 in zaak nr. 15/5360 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 11 november 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.M. Groenhart, werkzaam bij de Algemeen Christelijke Organisatie van Militairen, vergezeld door [persoon], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, zijn verschenen.

Overwegingen

Zaak nr. 201602409/1/A2

1. [appellant] ontving in 2013 en 2014 voorschotten kinderopvangtoeslag voor de opvang van zijn kinderen bij [kindercentrum]. De Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellant] bij brief van 26 mei 2014 verzocht stukken over te leggen om het recht op kinderopvangtoeslag te kunnen bepalen. Bij brief van 11 juni 2014 heeft [appellant] daaraan gevolg gegeven.

2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan zijn besluitvorming, waarbij hij heeft bepaald dat [appellant] over 2013 en 2014 geen recht heeft op kinderopvangtoeslag, ten grondslag gelegd dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij de gestelde kosten van kinderopvang over 2013 en 2014 geheel heeft voldaan. [appellant] stelt een deel van de kosten contant te hebben betaald, maar heeft daarvan geen kwitanties overgelegd, aldus de Belastingdienst/Toeslagen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de dienst zich terecht op dat standpunt heeft gesteld.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dat oordeel is gekomen. Daartoe voert hij aan dat hij met de overgelegde stukken wel heeft aangetoond dat hij de gestelde kosten van kinderopvang heeft gehad.

Kosten over 2013

3.1. Volgens de jaaropgave van het kindercentrum heeft [appellant] in 2013 € 12.951,12 aan kosten voor kinderopvang gehad. De Belastingdienst/Toeslagen heeft € 10.821,00 aan voorschotten uitgekeerd aan het kindercentrum. Daarmee staat vast dat [appellant] dat bedrag aan kosten heeft voldaan. [appellant] dient het verschil tussen het voorschot en de gestelde kosten, zijnde € 2.130,12, te verantwoorden.

3.2. Ter staving van zijn stelling dat hij het kindercentrum in 2013 contant heeft betaald, heeft [appellant] in reactie op het verzoek om informatie van de Belastingdienst/Toeslagen een door het kindercentrum opgesteld "Overzicht betalingen 2013" overgelegd. Tevens heeft [appellant] de daaraan ten grondslag liggende facturen overgelegd. Op het overzicht is per maand vermeld welk bedrag aan [appellant] is gefactureerd en welk deel daarvan uit het voorschot van de Belastingdienst/Toeslagen is voldaan. Daarnaast is van de gestelde contante betalingen de datum en het betaalde bedrag vermeld. De contante betalingen tellen op tot € 2.165,00. Het totaal van de contante betalingen en de uitgekeerde voorschotten bedraagt € 12.986,00, ofwel € 34,88 meer dan de totale kosten. Op het overzicht is verder vermeld "tevens kwitanties", welke opmerking is voorzien van een stempel van het kindercentrum en een handtekening.

Ter zitting heeft [appellant] desgevraagd verklaard dat hij op het moment dat hij het kindercentrum betaalde, geen kwitantie van de betaling ontving. In plaats daarvan werd de betaling in het computersysteem van het kindercentrum geregistreerd. Het overzicht is daarom volgens [appellant] een exacte registratie van hoe de betalingen hebben plaatsgevonden. Ter zitting heeft [appellant] voorts desgevraagd verklaard dat hij niet wist dat hij € 34,88 teveel heeft betaald en dat hij van de juistheid van de stukken van het kindercentrum uitging.

[appellant] heeft verder bankafschriften overgelegd, waaruit volgt dat hij in 2013 in totaal € 3.140,00 heeft opgenomen.

3.3. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij de gestelde betalingen heeft verricht, omdat het overzicht van betalingen geen kwitantie is. Ter zitting heeft de Belastingdienst/Toeslagen toegelicht dat het overzicht, anders dan een kwitantie, niet op het moment van betaling maar aan het einde van het jaar is opgesteld.

3.4. De Belastingdienst/Toeslagen heeft door te volstaan met de constatering dat geen kwitanties zijn overgelegd, ten onrechte nagelaten om de bewijsstukken die [appellant] wel heeft overgelegd te beoordelen. Ook uit die bewijsstukken kan immers volgen dat de betalingen hebben plaatsgevonden op de door [appellant] gestelde wijze. Indien die stukken de Belastingdienst/Toeslagen niet overtuigen, ligt het op zijn weg om te motiveren waarom dat niet het geval is. Eerst ter zitting in hoger beroep heeft de Belastingdienst/Toeslagen tegen het overzicht ingebracht dat de daarop vermelde betalingen niet steeds gelijk zijn, maar in de loop van het toeslagjaar toenemen.

3.5. [appellant] heeft ter zitting verklaard dat hij met het kindercentrum is overeengekomen dat het totaalbedrag aan het einde van het jaar moest zijn voldaan. Omdat hij aan het begin van het jaar door grote uitgaven niet altijd uitkwam met zijn inkomsten, heeft hij in die periode minder en later in het jaar meer betaald. Het kindercentrum stemde daarmee in omdat de kinderen daar al jaren werden opgevangen, aldus [appellant].

3.6. Een groot deel van de gestelde betalingen is direct te relateren aan de door [appellant] overgelegde bankafschriften. Op die data (of kort ervoor) is steeds het te betalen bedrag of iets meer dan dat opgenomen. De overige betalingen zijn gelet op de hoogte van de bedragen weliswaar niet direct te relateren aan de geldopnames, maar wel is steeds op de dag van de gestelde betalingen of kort daarvoor een wezenlijk deel van het te betalen bedrag opgenomen. Uit de bankafschriften volgt verder dat [appellant] in totaal genoeg geld heeft opgenomen om de kosten te voldoen.

3.7. De Belastingdienst/Toeslagen heeft onvoldoende ingebracht tegen de verklaring van [appellant] over de wijze waarop de betalingen zijn verlopen, het overzicht van betalingen en de overgelegde bankafschriften. In samenhang bezien vormen zij in dit geval voldoende bewijs om de gestelde betalingen aangetoond te achten. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt mocht stellen dat [appellant] de door hem gestelde contante betalingen voor het toeslagjaar 2013 niet aannemelijk heeft gemaakt.

Kosten over 2014

3.8. Uit de facturen van het kindercentrum volgt dat de totale kosten van kinderopvang over 2014 voor [appellant] € 5.414,40 bedragen. Zoals uit de aangevallen uitspraak volgt, en de Belastingdienst/Toeslagen ter zitting heeft bevestigd, is € 5.890,00 aan voorschotten aan het kindercentrum uitgekeerd. Daaruit volgt dat [appellant] reeds met de uitgekeerde voorschotten de gestelde kosten voor kinderopvang heeft voldaan. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dit ter zitting erkend. Gelet op het voorgaande dient de Belastingdienst/Toeslagen de aanspraak van [appellant] op kinderopvangtoeslag over 2014 te berekenen aan de hand van de kosten zoals deze volgen uit de facturen.

Conclusie

3.9. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij in 2013 en 2014 de gestelde kosten van kinderopvang heeft gehad. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de voorschotten dan ook ten onrechte op die grond herzien naar nihil. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

4. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd geen bespreking.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 16 juli 2015 gegrond verklaren. Dat besluit zal wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden vernietigd.

6. De Belastingdienst/Toeslagen dient opnieuw te beslissen op het door [appellant] tegen het besluit van 12 juli 2014 gemaakte bezwaar, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

7. De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Zaak nr. 201602410/1/A2

8. De in deze zaak in geding zijnde besluitvorming heeft betrekking op het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] over 2013. Hierover heeft de Afdeling in het voorgaande, bij de beoordeling van het hoger beroep in zaak nr. 201602409/1/A2, al geoordeeld, waardoor [appellant] geen belang heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak.

9. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep in zaak nr. 201602409/1/A2 gegrond;

II. verklaart het hoger beroep in zaak nr. 201602410/1/A2 niet-ontvankelijk;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 februari 2016 in zaak nr. 15/5374;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

V. vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 16 juli 2015, kenmerk BOB KO;

VI. bepaalt dat tegen het door de Belastingdienst/Toeslagen te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 296,00 (zegge: tweehonderdzesennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Pans w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2017

480-799.