Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2745

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
201608635/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2016 heeft het college ingestemd met een door de provincie Zuid-Holland ingediend saneringsplan voor de Rhoonse stort, gelegen aan de Zegenpoldersedijk te Rhoon (hierna: de locatie).

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 38
Wet bodembescherming 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6635
Milieurecht Totaal 2017/6704
AR 2017/5242
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7559
JBO 2017/256 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JOM 2017/1041
JAF 2017/756 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608635/1/A1.

Datum uitspraak: 11 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    Stichting Bomenridders Albrandswaard (hierna: de stichting), gevestigd te Albrandswaard,

2.    [appellant sub 2], wonend te Rhoon, gemeente Albrandswaard,

3.    Vereniging Agrarische Belangen IJsselmonde (hierna: de vereniging), gevestigd te Barendrecht,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2016 heeft het college ingestemd met een door de provincie Zuid-Holland ingediend saneringsplan voor de Rhoonse stort, gelegen aan de Zegenpoldersedijk te Rhoon (hierna: de locatie).

Tegen dit besluit hebben de stichting, [appellant sub 2] en de vereniging beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2017, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. M. van Duijn, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.C.S. Warendorf, F.J. van der Ham, drs. A.M. Ticheler, ing. T.M. Schuring-Beindorff, ing. H.W. Hermans en ing. W. Cornelissen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op de locatie is tot eind jaren zestig huishoudelijk afval en bedrijfsafval, waaronder afval uit de petrochemische industrie, gestort. Aan het eind van de jaren zestig is de stortplaats afgedekt met een laag puin en slib en is het gebied ingericht als natuur- en recreatiegebied. Uit diverse bodemonderzoeken is gebleken dat het stortmateriaal sterk tot zeer sterk verontreinigd is met onder meer zware metalen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen en minerale olie. Ook in de afdeklaag van de stortplaats zijn plaatselijk sterke verontreinigingen aangetroffen. De huidige ontoereikende afdekking van het stortmateriaal leidt tot onaanvaardbare ecologische risico’s op de locatie. Het saneringsplan waarmee bij het besluit van 4 november 2016 is ingestemd voorziet daarom in het aanbrengen van een leeflaag met een dikte van 50 cm.

Het beroep van de stichting

2.    De stichting kan zich niet verenigen met het besluit tot instemming met het saneringsplan, omdat bij de gekozen wijze van sanering een kenmerkende bomenrij van ongeveer 1.200 m lang en 50 m breed wordt gekapt, zonder dat ter plaatse herplant plaatsvindt. Er had volgens de stichting gekozen moeten worden voor een alternatieve wijze van sanering, waarbij de bomenrij geheel of gedeeltelijk kan blijven staan of herplant kan plaatsvinden. Volgens de stichting blijkt uit een advies van de Werkgroep Rhoonse Stort, waarbij onder meer de provincie betrokken was, dat in zoverre alternatieven bestaan. De stichting voert verder aan dat van een daadwerkelijke en effectieve sanering geen sprake is, aangezien de verontreiniging niet wordt verwijderd. Dit maakt het verdwijnen van de kenmerkende bomenrij onnodig en disproportioneel, aldus de stichting. De stichting acht het besluit tot instemming met het saneringsplan verder in strijd met onder meer natuurbeschermingsregels, het ter plaatse geldende bestemmingsplan en het Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed, ook wel het Verdrag van Malta genoemd.

2.1.    Artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming luidt:

"Degene die de bodem saneert, voert de sanering zodanig uit dat:

a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;

b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt;

c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem als bedoeld in artikel 39c en artikel 39d zoveel mogelijk wordt beperkt."

    Artikel 39, tweede lid, luidt, voor zover hier van belang:

"Het saneringsplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde. Gedeputeerde staten kunnen hun instemming aan het plan onthouden, indien niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens het eerste lid."

2.2.    De Afdeling stelt voorop dat uit artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming volgt dat het college uitsluitend instemming aan het saneringsplan mag onthouden indien de daarin beschreven sanering niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 38 of indien het saneringsplan niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 39, eerste lid. Toetsing aan andere wet- of regelgeving, zoals het bestemmingsplan, natuurbeschermingsregels of regels ter bescherming van archeologisch erfgoed, kan bij de beslissing over instemming met een saneringsplan niet aan de orde zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF0959).

2.3.    Ingevolge artikel 38, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bodembescherming dient de sanering zodanig uitgevoerd te worden dat de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt. De door de provincie beoogde functie van de locatie na sanering is grasland en extensieve recreatie. Het college heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het isoleren van de verontreiniging op de locatie met een leeflaag van 50 cm afdoende is om bij die beoogde functie te voldoen aan artikel 38 van de Wet bodembescherming en dat verwijdering van de verontreiniging daarvoor niet noodzakelijk is. Hetgeen de stichting aanvoert, geeft geen aanleiding om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen. Dat een leeflaag van 50 cm bij de beoogde functie, waarbij geen bomen zijn voorzien, te dun zou zijn om de verontreiniging afdoende te isoleren, heeft de stichting niet aannemelijk gemaakt. De stichting acht de beoogde functie en het verdwijnen van de bomen op de locatie onjuist en onverenigbaar met andere wet- en regelgeving, maar dat kan, zoals hiervoor is overwogen, in deze procedure op grond van de Wet bodembescherming niet aan de orde zijn.

    Het betoog faalt.

De beroepen van [appellant sub 2] en de vereniging

3.    [appellant sub 2] en de vereniging hebben in beroep aangevoerd dat het college in de Notitie Zienswijzen bij het besluit van 4 november 2016 ten onrechte niet is ingegaan op de door hen over het ontwerpbesluit naar voren gebrachte zienswijzen.

3.1.    Het college heeft erkend dat het ten onrechte heeft nagelaten in te gaan op de door [appellant sub 2] en de vereniging naar voren gebrachte zienswijzen. Het besluit van 4 november 2016 berust in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet op een deugdelijke motivering.

    Het betoog slaagt.

Conclusie

4.    Het beroep van de stichting is ongegrond. De beroepen van [appellant sub 2] en de vereniging zijn gegrond. Het besluit van 4 november 2016 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

    Bij brief van 18 januari 2017 heeft het college de motivering van het besluit van 4 november 2016 aangevuld door in te gaan op de door [appellant sub 2] en de vereniging naar voren gebrachte zienswijzen. [appellant sub 2] en de vereniging hebben de juistheid van de alsnog door het college gegeven reactie op hun zienswijzen niet betwist. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het aan het besluit van 4 november 2016 klevende motiveringsgebrek met de brief van 18 januari 2017 is hersteld. De Afdeling ziet daarom aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit van 4 november 2016 geheel in stand te laten.

5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van Stichting Bomenridders Albrandswaard ongegrond;

II.    verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en Vereniging Agrarische Belangen IJsselmonde gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 4 november 2016, kenmerk 99994308_9999214606;

IV.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

V.    gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van zijn beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt;

gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan Vereniging Agrarische Belangen IJsselmonde het door haar voor de behandeling van haar beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. Van Grinsven

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2017

462.