Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2737

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
201700631/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:6978, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2016 heeft het college besloten om de Stevertsebaan in Riethoven af te sluiten voor gemotoriseerd verkeer uitgezonderd landbouwverkeer door middel van de aanleg van een landbouwsluis en het plaatsen van borden model C12 van bijlage 1 van het Reglement verkeerstekens en verkeersregels 1990 (hierna: RVV 1990), met onderborden model OB55 van bijlage 1 van het RVV1990 en onderborden 'Tractorsluis' (hierna ook: het verkeersbesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/838
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700631/1/A2.

Datum uitspraak: 11 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Riethoven, gemeente Bergeijk,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 21 december 2016 in zaak nr. 16/2101 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2016 heeft het college besloten om de Stevertsebaan in Riethoven af te sluiten voor gemotoriseerd verkeer uitgezonderd landbouwverkeer door middel van de aanleg van een landbouwsluis en het plaatsen van borden model C12 van bijlage 1 van het Reglement verkeerstekens en verkeersregels 1990 (hierna: RVV 1990), met onderborden model OB55 van bijlage 1 van het RVV1990 en onderborden 'Tractorsluis' (hierna ook: het verkeersbesluit).

Bij uitspraak van 21 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[belanghebbende] heeft een reactie gegeven.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2017, waar [appellant], vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door K. Penninx en mr. L. van Heist-van Lokven, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende] ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    De Stevertsebaan is een zandweg. De achtertuin van [appellant] grenst aan deze weg. Het college heeft in het besluit van 14 juni 2016 uiteen gezet dat bij de herziening van het bestemmingsplan "Riethoven/Walik 2012" overlast van de Stevertsebaan kenbaar is gemaakt. Voorts heeft het college sinds medio 2014 klachten ontvangen over overlast van stof en van te hard rijdend doorgaand verkeer over deze weg. Op 11 maart 2015 is een algemene informatieavond belegd waarbij door de aanwezige belanghebbenden draagvlak is getoond voor de geslotenverklaring van de weg voor gemotoriseerd verkeer. Nu de aanleg van een landbouwsluis zowel de overlast sterk vermindert als een toeristische meerwaarde heeft, de maatregel de bereikbaarheid van de aanliggende agrarische percelen niet onevenredig verslechtert en voor doorgaand verkeer goede alternatieve routes beschikbaar zijn, heeft het college besloten dit verkeersbesluit te nemen.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid de Stevertsebaan heeft kunnen afsluiten voor gemotoriseerd verkeer met uitzondering van landbouwverkeer.

Hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank het verweerschrift van het college ten onrechte niet buiten beschouwing heeft gelaten. Hij voert daartoe aan dat het verweerschrift niet als zodanig aangemerkt kan worden, omdat daarin een aantal gegevens ontbreekt en het niet door het college maar door de heer Van Bree is opgesteld.

3.1.    Dit betoog faalt. Een verweerschrift is vormvrij zodat het ontbreken van bepaalde gegevens, wat daar ook van zij, de rechtbank geen aanleiding heeft hoeven geven het verweerschrift buiten beschouwing te laten. Bovendien zijn die gegevens wel opgenomen in de begeleidende brief bij het verweerschrift. Nu het verweerschrift door het college is ingediend is voorts niet relevant door wie het is opgesteld.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college geen bewijs heeft overgelegd voor zijn standpunt dat sprake is van verkeersoverlast of stofoverlast.

    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het verkeersbesluit is genomen naar aanleiding van klachten van omwonenden. Ten tijde van de herziening van het bestemmingsplan "Riethoven/Walik 2012" is bij het college geen klacht kenbaar geworden van stofoverlast van de Stevertsebaan. Er is geen klacht ingediend maar een inspraakreactie. Verder is niet gebleken dat een zienswijze is ingediend of beroep is ingesteld tegen dat bestemmingsplan met betrekking tot overlast van de Stevertsebaan. Voorts heeft het college door voorafgaand aan de informatieavond zijn voorkeursoptie uit te spreken als het ware klachten van omwonenden gegenereerd.

    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het motiveringsgebrek in het besluit van 14 juni 2016 ten aanzien van het terugverdienen van de kosten van de aanleg van de landbouwsluis, niet leidt tot vernietiging van dat besluit. Volgens hem kan de uitgave van die kosten niet worden gelegitimeerd.

4.1.    Artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw) luidt als volgt:

"1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

2. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

[…]"

Artikel 15 van de Wvw luidt als volgt:

"1. De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.

2. Maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken."

Artikel 21 van Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer luidt als volgt:

"De motivering van het verkeersbesluit vermeldt in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen."

4.2.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1526) komt een college van burgemeester en wethouders bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de begrippen als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw. Voorts is het aan dat college om de verschillende belangen die betrokken moeten worden bij het nemen van een dergelijk besluit tegen elkaar af te wegen en om te beoordelen wanneer de in artikel 2 van de Wvw vermelde belangen het nemen van een verkeersmaatregel vergen. De rechter dient te toetsen of de uitleg die het college aan voormelde begrippen heeft gegeven, de grenzen van redelijke wetsuitleg niet te buiten gaat, of het besluit niet anderszins in strijd is met wettelijke voorschriften en of de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.

4.3.    Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college geen bewijs heeft overgelegd voor zijn standpunt dat sprake is van verkeersoverlast of stofoverlast wordt overwogen dat voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw, worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat het verkeersbesluit niet zou zijn genomen naar aanleiding van signalen van omwonenden over stofoverlast en verkeersoverlast. Gebleken is dat het college voorafgaand aan de informatieavond dergelijke signalen heeft ontvangen. Dat geen zienswijze is ingediend of beroep is ingesteld tegen het bestemmingsplan "Riethoven/Walik 2012" betekent niet dat het college geen signalen heeft ontvangen. Gelet hierop heeft het college kunnen aannemen dat met het verkeersbesluit het belang van het voorkomen van overlast door het verkeer wordt gediend. Het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast is één van de belangen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wvw. Het college heeft in het besluit van 14 juni 2016 uiteengezet dat de aanleg van een landbouwsluis de overlast sterk vermindert terwijl de bereikbaarheid van de agrarische percelen niet onevenredig verslechtert en het doorgaand verkeer een andere route kan kiezen. Gelet hierop en nu de gemeenteraad het voornemen om een landbouwsluis aan te leggen heeft goedgekeurd en daarvoor een reservering heeft opgenomen in de begroting van de gemeente, welk besluit in deze procedure niet aan de orde is, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college in redelijkheid het verkeersbesluit heeft kunnen nemen.

4.4.    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Jurgens

lid van de enkelvoudige kamer    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2017

85-809.