Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2735

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
201606216/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:5793, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 april 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2011 herzien en op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606216/1/A2.

Datum uitspraak: 11 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 juli 2016 in zaken nrs. 15/2689 en 15/2690 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2011 herzien en op nihil gesteld.

Bij besluit van 12 april 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2012 herzien en op nihil gesteld.

Bij besluiten van 20 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] tegen de besluiten van 3 en 12 april 2013 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 6 juli 2016 heeft de rechtbank de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.P.J. Franssen, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. Y.D.M. Zoomers, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] heeft in 2011 en 2012 voor haar drie kinderen gebruik gemaakt van kinderopvang. De Belastingdienst/Toeslagen heeft haar ten behoeve van deze opvang bij besluit van 4 december 2010 voor het jaar 2011 en bij besluit van 29 december 2011 voor het jaar 2012 voorschotten kinderopvangtoeslag toegekend. Bij besluiten van 3 en 12 april 2013 zijn de voorschotten voor beide jaren herzien en op nihil gesteld.

    Bij brieven van 25 juni 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] aangemaand om de teveel ontvangen voorschotten over 2011 en 2012 terug te betalen. Naar aanleiding hiervan heeft [appellante] bij brief van 2 juli 2013 bezwaar gemaakt.

    Bij besluiten van 20 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaar van [appellante] niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de dienst ten grondslag gelegd dat binnen zes weken bezwaar kan worden gemaakt. Dit betekent dat tegen het besluit van 3 april 2013 tot 16 mei 2013 bezwaar kon worden gemaakt en tegen het besluit van 12 april 2013 tot 24 mei 2013. Nu het bezwaarschrift van [appellante] ruimschoots na afloop van deze termijnen is ontvangen is het te laat ingediend.

Uitspraak van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de verzending van de besluiten van 3 en 12 april 2013 naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt. Het bezwaarschrift van 2 juli 2013 is, gezien de datering van de besluiten, te laat ingediend. Het door [appellante] in maart 2013 opgelopen nektrauma en de daarop volgende aanhoudende lichamelijke en psychische klachten vormen geen aanknopingspunten om aannemelijk te achten dat de gezondheidstoestand van [appellante] dusdanig was dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van het niet tijdig bezwaar (laten) maken tegen de besluiten van 3 en 12 april 2013. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

Prematuur bezwaar

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij - nu zij bij brieven van 25 juni 2013 door de Belastingdienst/Toeslagen is aangemaand om de door haar over de jaren 2011 en 2012 ontvangen voorschotten kinderopvangtoeslag terug te betalen - in de veronderstelling verkeerde dat rond die datum de kinderopvangtoeslag over die jaren definitief vastgesteld was, maar de daartoe strekkende besluiten niet te hebben ontvangen. Dit bleek achteraf niet het geval. Eerst bij besluit van 10 september 2013 immers heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over het jaar 2011 definitief vastgesteld. De termijn voor het maken van bezwaar is - voor zover het berekeningsjaar 2011 betreft - dan ook pas op dat moment gaan lopen. Over het jaar 2012 is de kinderopvangtoeslag zelfs nog helemaal niet definitief vastgesteld, zodat de bezwaartermijn in het geheel nog niet is gaan lopen. Gelet op het vorenstaande is geen sprake van overschrijding van de termijn waarbinnen bezwaar kan worden gemaakt, zodat geen grond bestond voor niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, aldus [appellante].

3.1.    De Afdeling begrijpt het betoog van [appellante] aldus, dat zij bedoelt dat het bezwaarschrift van 2 juli 2013 moet worden beschouwd als een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift als bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), ten aanzien waarvan niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven.

3.2.    Artikel 6:10 van de Awb luidt als volgt:

"1. Ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening:

a. wel reeds tot stand was gekomen, of

b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

2. De behandeling van het bezwaar of beroep kan worden aangehouden tot het begin van de termijn.".

3.3.    Tussen partijen is niet in geschil dat op 2 juli 2013, de datum waarop [appellante] bezwaar heeft gemaakt, de kinderopvangtoeslag over de jaren 2011 en 2012 nog niet definitief was vastgesteld. Dit betekent dat geen grond bestaat voor het achterwege laten van niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag op grond van artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Ook bestaat geen grond voor het oordeel dat niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege had moeten blijven omdat [appellante] ten tijde van het maken van bezwaar redelijkerwijs kon menen dat de besluiten waarbij de kinderopvangtoeslag definitief wordt vastgesteld wel reeds tot stand waren gekomen, als bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Daartoe is van belang dat in artikel 16, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is bepaald dat de herziening van een voorschot kan leiden tot een terug te vorderen bedrag. Gelet hierop acht de Afdeling niet aannemelijk dat [appellante] op het moment dat zij bij brieven van 25 juni 2013 aanmaningen ontving en vervolgens bezwaar maakte redelijkerwijs kon menen dat reeds de definitieve berekening van de kinderopvangtoeslag had plaatsgevonden. Van belang is hierbij verder dat zij in beroep te kennen heeft gegeven bezwaar te hebben willen maken tegen de herziening van de voorschotten kinderopvangtoeslag 2011 en 2012 bij besluiten van 3 en 12 april 2013 en niet tegen de definitieve vaststelling.

    Gelet op het vorenstaande heeft de Belastingdienst/Toeslagen, voor zover [appellante] moet worden geacht te hebben bedoeld bezwaar te maken tegen de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2011 en 2012, terecht geen aanleiding gezien niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege te laten om de in artikel 6:10, eerste lid, van de Awb bedoelde redenen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de rechtbank dit heeft miskend. Dit betekent dan ook dat het betoog faalt.

Termijnoverschrijding

4.    Eerst ter zitting bij de Afdeling heeft [appellante] betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de verzending van de besluiten van 3 en 12 april 2013 aan het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt en dat het bezwaarschrift van 2 juli 2013 gelet hierop te laat is ingediend. Ter onderbouwing heeft [appellante] aangevoerd dat uit de door de Belastingdienst/Toeslagen in beroep overgelegde uitdraai uit het Digitaal Archief Systeem, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet kan worden afgeleid dat de besluiten van 3 en 12 april 2013 aan haar zijn verzonden.

4.1.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft in beroep schermafdrukken uit het Digitaal Archief Systeem overgelegd. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de geautomatiseerde verwerking en verzending van besluiten met betrekking tot kinderopvangtoeslag toegelicht in het geval dat aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV9486). Die toelichting hield onder meer in dat, nadat een medewerker van de Belastingdienst/Toeslagen een beslissing in het systeem heeft ingevoerd, deze op een centrale locatie wordt verwerkt tezamen met duizenden andere beslissingen. Daarna wordt de beslissing ingelezen in het DACAS-systeem, op welk moment ook een dagtekening aan de beslissing wordt gegeven. Na de verwerking in de systemen wordt de beslissing zo spoedig mogelijk verzonden, maar in ieder geval vóór of op de dagtekening. De datum van daadwerkelijke verzending is afhankelijk van de capaciteit van de printstraat, welke behalve voor de beslissingen over kinderopvangtoeslag ook voor andere onderdelen van de Belastingdienst wordt gebruikt. Zodra de beslissing wordt geprint en ter verzending aan de postbezorger wordt aangeboden, wordt een kopie ervan opgeslagen in het Digitaal Archief Systeem, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

    De Belastingdienst/Toeslagen heeft, gelet op het vorenstaande, met de door hem overgelegde schermafdrukken uit het Digitaal Archief Systeem de verzending van de besluiten van 3 en 12 april 2013 naar het juiste adres aannemelijk gemaakt, zodat het aan [appellante] is om feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. De enkele stelling dat zij de besluiten niet heeft ontvangen is daartoe onvoldoende. Dit betekent dat geen grond bestaat voor het oordeel dat [appellante] wegens het niet hebben ontvangen van de besluiten van 3 en 12 april 2013 het bezwaar daartegen verschoonbaar te laat heeft ingediend. Nu zij voorts niets heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat het door haar in maart 2013 opgelopen nektrauma en de daarop volgende aanhoudende lichamelijke en psychische klachten geen aanknopingspunten vormen om aannemelijk te achten dat haar gezondheidstoestand dusdanig was dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van het niet tijdig bezwaar (laten) maken tegen de besluiten van 3 en 12 april 2013, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het tegen die besluiten gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Dit betekent dat de besluiten van 3 en 12 april 2013 in stand blijven en dat [appellante] de teveel ontvangen voorschotten dient terug te betalen. Als zij de verschuldigde bedragen niet kan betalen, of niet in één keer, dan kan zij de Belastingdienst/Toeslagen vragen een betalingsregeling te treffen.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Wieland

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2017

502.