Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2721

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
201706584/1/A1 en 201706584/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juni 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van een boom in de achtertuin van het pand aan de [locatie 1] te Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5458
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706584/1/A1 en 201706584/2/A1.

Datum uitspraak: 10 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Den Haag,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 juli 2017 in zaak nr. 16/8935 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van een boom in de achtertuin van het pand aan de [locatie 1] te Den Haag.

Bij besluit van 12 oktober 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juli 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 september 2017, waar [appellant A] en [appellant B] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.M.C. van der Helm en ing. A. Tuin, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    In het pand aan de [locatie 1] exploiteert [vergunninghouder] een vestiging van New York Pizza. In de achtertuin van dit pand staat een meidoorn. De kroon van de boom beslaat ongeveer 75% van de tuin. [vergunninghouder] wil deze boom kappen, omdat hij stelt hinder te ondervinden van de vallende bladeren en bloesem en omdat hij de tuin wil herinrichten.

    In de woning boven het pizzabedrijf, aan de [locatie 2], woont [appellant]. [appellant] wil niet dat de boom gekapt wordt, omdat hij vreest dat hij na de kap van de boom meer hinder van het pizzabedrijf zal ondervinden. [appellant] heeft daarom hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank en de Afdeling verzocht om door middel van het treffen van een voorlopige voorziening de kap van de boom voorlopig tegen te houden.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vergunning heeft kunnen verlenen voor de kap van de boom. [appellant] voert daartoe aan dat het pizzabedrijf veel geur- en geluidhinder veroorzaakt en dat deze hinder enigszins wordt gedempt door de boom. Als de boom weg is, zal hij meer hinder ondervinden, zo stelt hij. [appellant] wijst erop dat de boom het enige aanwezige groen is in de omgeving en dat algemeen bekend is dat beplanting geur en geluid tegenhoudt. Volgens [appellant] heeft [vergunninghouder] weinig belang bij de kap van de boom, omdat het voor de exploitatie van het pizzabedrijf niet relevant is of er minder lichtinval is door aanwezigheid van de boom. De vallende bladeren en bloesem veroorzaken, anders dan [vergunninghouder] heeft gesteld, ook weinig hinder, aldus [appellant].

3.1.    Artikel 2.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) luidt:

"Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

[…]

g. houtopstand te vellen of te doen vellen,

[…]

geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning."

    Artikel 2.18 luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening."

    Artikel 2.87, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: de APV) luidt:

"Het is verboden een houtopstand zonder vergunning of, indien de houtopstand is vermeld op de lijst van monumentale bomen zonder ontheffing, van het bevoegd gezag te vellen of te doen vellen."

    Artikel 2:88, eerste lid, luidt:

"Het bevoegd gezag kan de vergunning of ontheffing, als bedoeld in artikel 2:87, eerste lid, weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van:

- natuur-, educatieve en milieuwaarden;

- belevings- en gebruikswaarden."

3.2.    Ingevolge artikel 2:88, eerste lid, van de APV kan het college de gevraagde omgevingsvergunning weigeren met het oog op educatieve waarden, natuur-, milieu-, belevings- en gebruikswaarden. Het college heeft advies ingewonnen bij het groenbeheer van de gemeente Den Haag. In het advies van 4 april 2016 staat dat de boom geen bijzondere educatieve waarden, natuur- of milieuwaarden heeft. Ook dient de boom, volgens dit advies, geen ander bijzonder belang, behalve dat er, omdat er zicht is op de boom vanuit omliggende woningen, enig belang bestaat als achtertuinboom.

    De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de boom in relevante mate geur en geluid tegenhoudt. De door [appellant] gestelde omstandigheid dat er geen verdere beplanting in de tuin aanwezig is, is daarbij niet van belang. Ook de door hem gestelde omstandigheid dat een grote hoeveelheid dichte beplanting geur en geluid tegen zou kunnen houden, leidt niet tot een andere conclusie. Met die stelling is immers niet aangetoond dat deze specifieke boom in relevante mate geur en geluid tegenhoudt als bedoeld in artikel 2:88, eerste lid, van de APV.

    Aangezien de boom, gelet op het voorgaande, geen bijzondere  educatieve waarden, natuur-, milieu-, belevings- of gebruikswaarden heeft, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. De gestelde omstandigheid dat [vergunninghouder], daargelaten of dat zo is, weinig belang heeft bij meer lichtinval in de tuin, maakt dat niet anders. Overigens staat in het advies van groenbeheer dat [vergunninghouder] hinder ondervindt van de boom door de vallende bladeren en bloesem en doordat de boom veel ruimte in beslag neemt.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. Van Heusden

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2017

163-811.