Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2720

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
201703248/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

[verzoeker] legt aan het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ten grondslag dat bij gegrondverklaring van zijn beroep de reeds gerealiseerde werkzaamheden slechts tegen extreem hoge kosten ongedaan kunnen worden gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703248/2/A1.

Datum uitspraak: 4 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) van [verzoeker], wonend te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug, hangende zijn beroep tegen het op 27 juli 2017 verzonden besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug en hangende de hoger beroepen van:

1.    [appellant], wonend te [woonplaats],

2.    het college,

appellanten,

tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 22 februari 2017 in zaak nrs. 17/76 en 17/78 in het geding tussen:

[verzoeker],

en

het college.

Openbare zitting gehouden op 4 oktober 2017 om 10:45 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter

griffier: mr. J.A.A. van Roessel

Verschenen:

Het college, vertegenwoordigd door E.T.E. Kemperman en A.V. van der Wal;

[appellant], vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn.

Beslissing

wijst het verzoek af.

Gronden

•     [verzoeker] legt aan het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ten grondslag dat bij gegrondverklaring van zijn beroep de reeds gerealiseerde werkzaamheden slechts tegen extreem hoge kosten ongedaan kunnen worden gemaakt. Deze omstandigheid, wat hier verder van zij, rechtvaardigt het treffen van een voorlopige voorziening niet. Het is aan vergunninghouder [appellant] om te beslissen of hij het financiële risico wil nemen dat gebruikmaking van de vergunning in dit stadium van de procedure voor hem meebrengt.

•     Naar voorlopig oordeel heeft het college de vergunning mogen verlenen, met name gelet op de adviezen van de Monumentencommissie Mooisticht en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.

•     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

w.g. Borman              w.g. Van Roessel

voorzieningenrechter    griffier    

457.