Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2716

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
201405497/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:1963, Onduidelijk
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W. Frouws, advocaat te Zeist, heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 26 mei 2014 in zaak nr. 13/31409, hoger beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405497/1/V1.

Datum uitspraak: 6 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het verzoek van:

[de vreemdeling],

verzoekster,

om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Awb).

Procesverloop

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W. Frouws, advocaat te Zeist, heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 26 mei 2014 in zaak nr. 13/31409, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 4 augustus 2017 heeft de vreemdeling het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie te veroordelen in de bij haar opgekomen proceskosten.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 8:75a, gelezen in samenhang met artikel 8:108, eerste lid, en artikel 8:110, eerste lid, van de Awb kan, in geval van intrekking van het hoger beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het hogerberoepschrift is tegemoetgekomen, dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van die wet worden veroordeeld.

2.    De vreemdeling heeft het hoger beroep ingetrokken naar aanleiding van het besluit van de staatssecretaris van 18 juli 2017 waarbij deze het bij de rechtbank bestreden besluit heeft ingetrokken en de aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 alsnog heeft ingewilligd. Hiermee is de staatssecretaris de vreemdeling tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.

3.    Het verzoek moet als kennelijk gegrond op na te melden wijze worden toegewezen. Voorts moet de staatssecretaris, thans de minister van Veiligheid en Justitie, ingevolge artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het door de vreemdeling betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

II.    veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    verstaat dat de minister van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.

w.g. Van der Wiel    w.g. De Groot

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2017

210.