Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2710

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
201606869/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:4805, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606869/1/V2.

Datum uitspraak: 5 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

2. [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 1 september 2016 in zaak nr. 16/12583 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 1 september 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.G. Wiebes, advocaat te Lelystad, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Aanleiding

1. Bij besluiten van 11 februari 2010 en 31 januari 2011 heeft de staatssecretaris aan de vreemdeling verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd verleend onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel. Naar aanleiding van de beslissing van de officier van justitie om de aangifte van de vreemdeling tegen [persoon A] - de persoon door wie de vreemdeling naar eigen zeggen in het verleden naar Nederland is gehaald en die haar vervolgens heeft gedwongen om in de prostitutie te werken - te seponeren, heeft de staatssecretaris de vergunning van 31 januari 2011 bij besluit van 21 januari 2013 ingetrokken. Het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar heeft de staatssecretaris bij besluit van 2 juli 2013 ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, bij uitspraak van 15 mei 2014 in zaak nr. 13/26153 ongegrond verklaard. Nu de vreemdeling daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld staat de intrekking van 21 januari 2013 in rechte vast.

Aan onderhavige asielaanvraag heeft de vreemdeling ten grondslag gelegd dat zij lesbisch is en dat zij in verband daarmee gevaar loopt in haar land van herkomst, Nigeria. Verder stelt zij te vrezen voor represailles van [persoon A], omdat die haar naar Nederland heeft gehaald onder voorwaarde dat zij de daarmee gemoeide kosten van € 40.000,00 zou terugbetalen, en zij hiertoe niet in staat is. Zij stelt ook te vrezen dat haar iets zal overkomen als [persoon A] haar niet traceert, aangezien zij een voodoobelofte heeft afgelegd dat zij de € 40.000,00 zou terugbetalen (hierna: de voodoobelofte).

Standpunt staatssecretaris

2. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen omdat hij ongeloofwaardig acht dat de vreemdeling lesbisch is. Ter motivering hiervan heeft de staatssecretaris de vreemdeling onder meer tegengeworpen dat zij pas tijdens het aanvullend gehoor, gehouden op 17 juni 2015, heeft verklaard lesbisch te zijn. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij hierover niet al tijdens het nader gehoor, gehouden op 26 augustus 2014, heeft kunnen verklaren. Verder heeft de staatssecretaris aan zijn standpunt ten grondslag gelegd dat de door de vreemdeling tijdens het aanvullend gehoor afgelegde verklaringen over haar levensloop, over de wijze waarop zij zich van haar gerichtheid bewust werd en deze accepteerde, over het incident met haar nichtje waardoor de vader van de vreemdeling erachter kwam dat zij lesbisch is en over haar gestelde geheime relatie met [persoon B], strijdig zijn met de verklaringen die zij tijdens het nader gehoor heeft afgelegd over haar levensloop. Zo heeft zij tijdens het aanvullend gehoor bijvoorbeeld verklaard dat haar vader ontdekte dat zij lesbisch was toen zij 15 jaar oud was, terwijl zij tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij is overleden toen zij 6 of 7 jaar oud was. Tijdens het aanvullend gehoor heeft zij bovendien wisselend verklaard over wanneer zij [persoon B] heeft leren kennen. Zij heeft verder niet inzichtelijk gemaakt wat het voor haar heeft betekend om een seksuele gerichtheid te hebben die in Nigeria niet wordt geaccepteerd. Over haar bewustwordingsproces heeft zij verder louter ontwijkende en onduidelijke antwoorden gegeven. Volgens de staatssecretaris heeft vreemdeling bovendien niet concreet genoeg verklaard over de positie van LHBTI in Nigeria en in Nederland. Wat betreft de gestelde vrees voor [persoon A] heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat uit voormelde rechtbankuitspraak van 15 mei 2014 volgt dat niet aannemelijk is dat [persoon A] de vreemdeling naar Nederland heeft gehaald om in de prostitutie te werken, en dat daarom evenmin aannemelijk is dat zij bij terugkeer te vrezen heeft voor represailles van [persoon A].

Oordeel rechtbank

3. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij ongeloofwaardig acht dat de vreemdeling lesbisch is. Volgens de rechtbank blijkt uit de door de vreemdeling overgelegde brief van Geestelijke Gezondheidszorg (hierna: GGZ) Drenthe van 30 november 2015 dat zij daar mede in behandeling is wegens een zoektocht in verband met haar lesbische gerichtheid. Gelet hierop had de staatssecretaris aannemelijk gemaakt moeten achten dat de vreemdeling vóór het aanvullend gehoor niet in staat was over haar lesbische gerichtheid te verklaren. De staatssecretaris heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen die de vreemdeling heeft afgelegd tijdens het nader gehoor, strijdig zijn met de verklaringen tijdens het aanvullend gehoor. Hij heeft echter ondeugdelijk gemotiveerd waarom hij de vreemdeling niet volgt in haar betoog, dat deze tegenstrijdigheden verschoonbaar zijn, aldus de rechtbank.

In het hoger beroep van de staatssecretaris

4. In zijn grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de door de vreemdeling overgelegde brief van GGZ Drenthe van 30 november 2015 geen afbreuk doet aan zijn tegenwerping dat de vreemdeling eerder over haar gestelde lesbische gerichtheid had moeten verklaren. Verder heeft hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wél deugdelijk gemotiveerd waarom hij de vreemdeling heeft tegengeworpen dat haar verklaringen tijdens het nader gehoor strijdig zijn met de verklaringen tijdens het aanvullend gehoor, aldus de staatssecretaris.

4.1. In de brief van GGZ Drenthe van 30 november 2015 staat, voor zover thans van belang, dat de vreemdeling tijdens het intakegesprek met GGZ heeft verteld dat zij een zoektocht doormaakt in verband met haar lesbische gerichtheid. De staatssecretaris klaagt terecht dat louter het feit dat in die brief ook staat dat de vreemdeling mede in verband daarmee wordt behandeld, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet met zich brengt dat hij bij de beoordeling van de asielaanvraag gehouden was de door de vreemdeling tegenover GGZ afgelegde verklaringen over haar zoektocht aannemelijk te achten. De opstellers van de brief van 30 november 2015 zijn blijkens de inhoud van die brief immers beroepshalve uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van de vreemdeling.

De grief slaagt in zoverre.

4.2. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de tegenstrijdigheden tussen het nader gehoor en het aanvullend gehoor verschoonbaar zijn, omdat zij, als gevolg van haar traumatische ervaringen in Nederland en de waarschuwing van [persoon A] dat haar lesbische gerichtheid hier niet zou worden geaccepteerd, tijdens het nader gehoor nog niet durfde te vertellen dat zij lesbisch is. De staatssecretaris klaagt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij dit betoog van de vreemdeling niet heeft gevolgd. Nog daargelaten dat de staatssecretaris ongeloofwaardig heeft geacht dat de vreemdeling door [persoon A] is gedwongen om in de prostitutie te werken, heeft hij zich terecht op het standpunt gesteld dat wat de vreemdeling in zoverre heeft aangevoerd, niet strookt met haar verklaring dat zij al in 2013 wist dat de Gaypride bestond, dat zij de Gaypride in 2014 - kort vóór het nader gehoor - ook zelf heeft bezocht, dat zij vóór het nader gehoor in Nederland ook lesbische relaties is aangegaan, en dat zij ten tijde van het nader gehoor heeft verklaard dat zij al een lange periode geen contact meer had gehad met [persoon A]. Bovendien, zo klaagt de staatssecretaris verder terecht, gaat de vreemdeling met haar betoog eraan voorbij dat een aanzienlijk deel van de geconstateerde tegenstrijdigheden niet rechtstreeks raken aan de gestelde lesbische gerichtheid van de vreemdeling, zoals bijvoorbeeld de tegenstrijdigheden over het moment dat haar vader overleed en over bij wie zij in haar jeugd heeft gewoond, en dat de vreemdeling ook tijdens het aanvullend gehoor zelf, toen zij al durfde uit te komen voor haar gerichtheid, tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over [persoon B].

De grief slaagt in zoverre evenzeer.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond.

In het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling

6. Hetgeen in het incidenteel hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

7. Het incidenteel hoger beroep is kennelijk ongegrond.

Conclusie hoger beroepen

8. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 10 juni 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

Het beroep

9. De vreemdeling betoogt dat zij ten onrechte is gehoord in het Engels, nu zij die taal onvoldoende machtig is.

9.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit onbestreden op het standpunt gesteld dat Engels de officiële taal is van Nigeria. Tijdens het eerste gehoor heeft de vreemdeling verder desgevraagd verklaard dat zij bij voorkeur in het Engels wordt gehoord. De vreemdeling heeft verder zowel tijdens het nader gehoor als het aanvullend gehoor desgevraagd meermalen verklaard dat zij de tolk goed kan verstaan. Onder deze omstandigheden heeft de staatssecretaris de vreemdeling terecht gehoord in het Engels.

De beroepsgrond faalt.

10. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de staatssecretaris bij zijn beoordeling terecht is uitgegaan van de verklaringen die de vreemdeling tijdens het aanvullend en het nader gehoor heeft afgelegd. Verder volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen dat de staatssecretaris de vreemdeling niet ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij eerder over haar lesbische gerichtheid had moeten verklaren, en dat hij de door hem geconstateerde tegenstrijdigheden terecht aan de vreemdeling heeft tegengeworpen. Deze tegenwerpingen kunnen het standpunt van de staatssecretaris, dat de door de vreemdeling gestelde lesbische gerichtheid ongeloofwaardig is, reeds dragen. De beroepsgronden dat de staatssecretaris haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij te weinig heeft verklaard over de positie van LHBTI in Nigeria en Nederland, behoeven daarom geen bespreking.

11. De vreemdeling voert aan dat de staatssecretaris, nu hij geloofwaardig heeft geacht dat terugkeer naar Nigeria schending van de voodoobelofte betekent, aannemelijk gemaakt had moeten achten dat artikel 3 van het EVRM zich tegen haar uitzetting verzet.

11.1. De door de vreemdeling gestelde vrees vanwege schending van de voodoobelofte is louter subjectief. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Nigeria een reëel en voorzienbaar risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.

De beroepsgrond faalt.

12. De vreemdeling betoogt dat zij ten onrechte niet op de in het arrest van het Hof van Justitie van 11 december 2014, C-249/13, Boudjlida, ECLI:EU:C:2014:2431 voorgeschreven wijze over het terugkeerbesluit is gehoord. De door de staatssecretaris gehouden gehoren in het kader van de asielaanvraag zijn hiertoe onvoldoende, aldus de vreemdeling.

12.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:291 volgt dat de beroepsgrond faalt.

13. De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris haar aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.

13.1. De beroepsgrond slaagt, nu de staatssecretaris in hoger beroep heeft erkend dat hij de aanvraag, weliswaar om een andere reden dan de vreemdeling heeft aangevoerd, ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen.

14. Het beroep is gegrond. Het besluit moet, gelet op hetgeen hiervoor onder 13.1. is overwogen, worden vernietigd.

In stand laten rechtsgevolgen

15. Uit hetgeen in deze uitspraak is overwogen, volgt dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat rechtsgrond voor verlening van de gevraagde vergunning bestaat. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens stelt de Afdeling vast dat de in het besluit aan de vreemdeling toegekende vertrektermijn van vier weken, aanvangt met ingang van de dag na verzending van een afschrift van deze uitspraak aan partijen. De Afdeling heeft eerder in gelijke zin overwogen in de uitspraak van 3 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2999.

16. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 1 september 2016 in zaak nr. 16/12583;

IV. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

V. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 juni 2016, V-nummer [nummer];

VI. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VII. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Fernandez

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2017

753.