Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2693

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
201703089/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:1191, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 7 juli 2016, voor zover thans van belang, heeft de staatssecretaris de aan de vreemdelingen verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken en een inreisverbod tegen hen uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703089/1/V3.

Datum uitspraak: 3 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 17 maart 2017 in zaken nrs. 16/16370 en 16/16372 in het geding tussen:

[vreemdeling A] en [vreemdeling B], mede voor hun minderjarige kind,

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 7 juli 2016, voor zover thans van belang, heeft de staatssecretaris de aan de vreemdelingen verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken en een inreisverbod tegen hen uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 17 maart 2017 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard en die besluiten vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. J.J. Eizenga, advocaat te Amerongen, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdelingen zijn afkomstig uit Syrië. Niet in geschil is dat zij beschikken over de Syrische nationaliteit. Op 30 januari 2013 hebben zij aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluiten van 5 februari 2013 is hun krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Bij de besluiten van 7 juli 2016 heeft de staatssecretaris deze besluiten met terugwerkende kracht tot 30 januari 2013 ingetrokken omdat de vreemdelingen bij hun aanvragen onjuiste gegevens hebben verstrekt dan wel gegevens hebben achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvragen zouden hebben geleid. Niet in geschil is dat de vreemdelingen bij hun asielaanvragen hebben verzwegen dat zij in het bezit waren van Armeense paspoorten op hun naam, dat zij onjuiste informatie over hun reisroute hebben gegeven en daarbij hebben verzwegen dat zij in Armenië zijn geweest en dat de Italiaanse autoriteiten visa in hun Armeense paspoorten hebben geplaatst. Volgens de staatssecretaris hebben de vreemdelingen daarom een verblijfsalternatief in Armenië. De vreemdelingen ontkennen nog langer te beschikken over de Armeense nationaliteit.

2.    In zijn grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij nader onderzoek had moeten doen naar de vraag of sprake is van vervalste, niet-legale Armeense documenten of (niet-)effectieve Armeense nationaliteit, mede gelet op de door de vreemdelingen overgelegde verklaringen van de Armeense ambassade in Den Haag. De staatssecretaris betoogt dat de vreemdelingen naast de Syrische ook de Armeense nationaliteit bezitten. Gelet op de informatie in het visasysteem Vision omtrent de afgegeven visa is hij er terecht van uitgegaan dat de vreemdelingen in het bezit zijn geweest van authentieke, geldige Armeense paspoorten. De rechtbank heeft volgens hem ten onrechte de vreemdelingen gevolgd in hun standpunt dat de paspoorten niet door de bevoegde autoriteiten zijn verstrekt. Daarbij heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris miskend dat niet van belang is dat de vreemdelingen stellen in 2016 in Armenië afstand te hebben gedaan van hun Armeense nationaliteit, nu dit er niet aan afdoet dat zij bij hun aanvragen onjuiste gegevens hebben verstrekt dan wel gegevens hebben verzwegen. Voor zover dit wel van belang mocht zijn, betoogt de staatssecretaris dat de vreemdelingen niet hebben gestaafd dat zij het Armeense staatsburgerschap daadwerkelijk hebben verloren. De verklaringen van de Armeense ambassade bieden onvoldoende duidelijkheid, aldus de staatssecretaris.

3.    In de verklaring van de Armeense ambassade te Den Haag van 1 september 2016 staat:

    'The Consular Section of the Embassy of the Republic of Armenia informs, hereby, that, according to the information received from the Police of Armenia, the following individual:

    [vreemdeling B], born on [geboortedatum], 1986 is not a citizen of the Republic of Armenia.'

    In de verklaring van 30 november 2016 van de ambassade staat:

    'The Consular Section of the Embassy of the Republic of Armenia in the Kingdom of the Netherlands informs, hereby, that, according to the information received from the Police of Armenia, the following individual:

    [vreemdeling A], born on [geboortedatum], 1978 is not a citizen of the Republic of Armenia.'

4.    Artikel 32, eerste lid, van de Vw 2000 luidt:

'De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden ingetrokken […] indien:

a. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen […] zouden hebben geleid;

[…]'

5.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 19 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3482, ligt het, indien de staatssecretaris een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt omdat zich de grond bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 voordoet, op zijn weg aannemelijk te maken dat daarvan sprake is. Als de staatssecretaris aan deze bewijslast heeft voldaan, is het vervolgens aan de vreemdeling om het door de staatssecretaris geleverde bewijs te weerleggen.

6.    De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris in dit geval aan zijn bewijslast heeft voldaan. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat aannemelijk is dat de vreemdelingen bij hun binnenkomst in de Europese Unie hebben beschikt over geldige Armeense paspoorten. Van deze paspoorten heeft hij van de Italiaanse autoriteiten kopieën verkregen. Dat de vreemdelingen hebben beschikt over geldige Armeense paspoorten wordt voorts bevestigd door de omstandigheid dat de Italiaanse autoriteiten, na onderzoek naar de geldigheid van de paspoorten, hierin visa hebben aangebracht. De verstreken tijdsduur sinds de asielaanvragen staat er niet aan in de weg dat de staatssecretaris betekenis heeft gehecht aan deze aan Vision ontleende informatie. Hetgeen de vreemdelingen in dit verband hebben gesteld over de wijze van verkrijging van de paspoorten en het niet-effectieve bezit van de Armeense nationaliteit, doet daaraan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet af. De vreemdelingen hebben deze stelling immers niet gestaafd.

7.    De vreemdelingen hebben voorts, zoals de staatssecretaris terecht subsidiair heeft betoogd, niet aannemelijk gemaakt dat zij niet meer beschikken over het Armeense staatsburgerschap. Dat zij in 2016 in Armenië hebben verzocht hun registraties als Armeens staatsburger ongedaan te maken, hebben zij niet gestaafd. Hun beroep op een uitspraak van de Belgische Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 8 maart 2016 faalt reeds om die reden. Evenmin hebben zij stukken van de Armeense autoriteiten overgelegd waaruit blijkt dat deze verzoeken zijn gehonoreerd. Voorts biedt de inhoud van de verklaringen van de Armeense ambassade in Den Haag, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in dat licht bezien onvoldoende duidelijkheid om van het verval van de Armeense nationaliteit uit te gaan, gelet op de tekst van die verklaringen waaruit niet eenduidig blijkt dat zij de Armeense nationaliteit niet bezitten, en omdat niet duidelijk is op grond van welke documenten deze zijn opgesteld. De staatssecretaris hoeft daarom, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen nader onderzoek naar de authenticiteit van de verklaringen van de Armeense ambassade noch onderzoek bij de autoriteiten in Armenië te doen. Nu hij er terecht van is uitgegaan dat de vreemdelingen over de Armeense nationaliteit beschikken, heeft hij zich ook terecht op het standpunt gesteld dat zij in Armenië een verblijfsalternatief hebben. Aldus heeft hij voldaan aan de maatstaf zoals neergelegd in de door de vreemdelingen ingeroepen uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2815. De grief slaagt.

8.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de onderscheiden besluiten van 7 juli 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

9.    De vreemdelingen betogen dat uitzetting naar Armenië strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Zij wijzen erop dat uit het algemeen ambtsbericht Armenië van april 2016 volgt dat het uitermate moeilijk is als etnisch Armeens vluchteling in Armenië een bestaan op te bouwen. Voorts zal uitzetting schadelijk zijn voor hun minderjarige kind.

9.1.    Uit hetgeen de vreemdelingen als passages uit het algemeen ambtsbericht hebben geciteerd, volgt dat de leefomstandigheden voor hen niet eenvoudig zullen zijn. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat voor hen een situatie als bedoeld in artikel 3 van het EVRM dreigt. Dat uitzetting schadelijk zal zijn voor de ontwikkeling van hun kind hebben de vreemdelingen niet nader onderbouwd. In dit verband is van belang dat de vreemdelingen en hun kind niet van elkaar gescheiden zullen worden.

    De beroepsgrond faalt.

10.    De vreemdelingen betogen voorts dat de staatssecretaris ten onrechte een inreisverbod met een duur van twee jaar heeft uitgevaardigd gelet op het tijdsverloop sedert de asielaanvragen en de omstandigheid dat de informatie uit Vision reeds lang bekend moest zijn bij de staatssecretaris.

10.1.    Dat de asielaanvragen dateren van 30 januari 2013 en de informatie in Vision toen al bekend had kunnen zijn bij de staatssecretaris, doet niet af aan de bevoegdheid van de staatssecretaris over te gaan tot uitvaardiging van een inreisverbod als aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan. Daarbij komt dat de verlening van de visa destijds door de vreemdelingen is verzwegen.

    De beroepsgrond faalt.

11.    De beroepen zijn ongegrond.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 17 maart 2017 in zaken nrs. 16/16370 en 16/16372;

III.    verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Bechinka

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2017

371.