Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2688

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
201701284/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Stompwijk-Verbindingsweg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701284/1/R3.

Datum uitspraak: 4 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Stompwijk, gemeente Leidschendam-Voorburg,

2.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Stompwijk, gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Stompwijk-Verbindingsweg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2017, waar [appellant sub 1], bijgestaan door [gemachtigde], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, rechtsbijstandverlener, en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.J. Heijnen, A.C.W.M. de Hoon, C.H.C. de Koning en ing. M. le Cointre, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bestemmingsplan maakt de aanleg van een verbindingsweg om de kern Stompwijk mogelijk. De verbindingsweg is bedoeld om de verkeersveiligheid en leefbaarheid in de dorpskern van Stompwijk te verbeteren.

2.    [appellant sub 1] woont aan de [locatie sub 1] ter hoogte van de westelijke aansluiting van de nieuwe verbindingsweg op de Doctor van Noortstraat. Volgens [appellant sub 1] leidt de nieuwe verbindingsweg, kort gezegd, tot een verplaatsing van de overlast van het verkeer als gevolg waarvan hij extra geluidhinder zal ondervinden. Met een verlaging van de maximumsnelheid tot 30 km/u op het deel van de nieuwe verbindingsweg ter hoogte van zijn woning kan echter tegemoet worden gekomen aan alle betrokken belangen, aldus [appellant sub 1]. De raad had volgens hem deze maximumsnelheid dan ook tot uitgangspunt moeten nemen.

    [appellant sub 2] woont aan de [locatie sub 2]. De nieuwe verbindingsweg is deels voorzien over zijn gronden en komt op ongeveer 50 meter van zijn woning te liggen. Hij kan zich niet met het plan verenigen, kort gezegd, omdat delen van zijn gronden zullen worden onteigend voor de aanleg van de verbindingsweg en de verbindingsweg zal leiden tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 1]

4.    [appellant sub 1] betoogt dat een tracévariant die hetzij ter hoogte van de Kniplaan hetzij tussen de Kniplaan en de Landbouwweg aansluit op de bestaande infrastructuur aanmerkelijke voordelen heeft, zodat de raad daarvoor had moeten kiezen.

4.1.    De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven en varianten dienen in die afweging te worden meegenomen. Wat betreft de door [appellant sub 1] genoemde varianten heeft de raad toegelicht dat deze varianten een groter beslag op de ruimte leggen, daarmee tot hogere kosten leiden en moeilijker inpasbaar zijn in de bestaande wegstructuur. Gelet hierop geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de door [appellant sub 1] bedoelde varianten onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken. Het betoog faalt.

5.    [appellant sub 1] voert aan dat de raad uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening voor een maximumsnelheid van 30 km/u op het deel van de nieuwe verbindingsweg ter hoogte van zijn woning had moeten kiezen. De beoogde maximumsnelheid van 60 km/u zal leiden tot een hogere geluidbelasting dan nodig en aanvaardbaar is, aldus [appellant sub 1]. Hij wijst hierbij op de omstandigheid dat alleen voor zijn woning een hogere grenswaarde ten behoeve van de aanleg van de verbindingsweg is vastgesteld. Hij maakt verder een vergelijking met een deel van de verbindingsweg ter hoogte van de Huyssitterweg, waarop wel een maximumsnelheid van 30 km/u zal gaan gelden. Voorts wijst hij op de voordelen van een maximumsnelheid van 30 km/u ter hoogte van zijn woning. Bij deze maximumsnelheid hoeven volgens [appellant sub 1] diverse maatregelen, zoals een aanpassing van de weginrichting, niet te worden getroffen. Verder voert hij aan dat de raad de waardevermindering van zijn woning onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken en ten onrechte slechts heeft gewezen op de waardevermeerdering van de woningen in de kern Stompwijk.

5.1.    Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat in het plan geregeld had moeten worden dat op het deel van de verbindingsweg ter hoogte van zijn woning een maximumsnelheid van 30 km/u zal gelden, overweegt de Afdeling dat een maximumsnelheid niet in een bestemmingsplan wordt geregeld. Wel zal de Afdeling beoordelen of de raad bij de voorbereiding van het plan in redelijkheid een maximumsnelheid van 60 km/u op dit deel van de verbindingsweg tot uitgangspunt heeft kunnen nemen. Daarbij stelt de Afdeling voorop dat de doelstelling van het plan is om het doorgaand verkeer tussen de Stompwijkseweg en de N206 om de kern van het dorp Stompwijk te leiden om daarmee de verkeersveiligheid en de leefbaarheid in de kern van het dorp Stompwijk te verbeteren. Het door de raad bij de vaststelling van het plan gehanteerde uitgangspunt dat het snelheidsregime en de weginrichting daarvoor zodanig dienen te zijn dat doorgaand verkeer wordt gestimuleerd om van de verbindingsweg gebruik te maken, is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. De verbindingsweg sluit ter hoogte van de woning van [appellant sub 1] aan op de Stompwijkseweg / Doctor van Noortstraat. De Afdeling acht het standpunt van de raad aannemelijk dat een maximumsnelheid van 30 km/u op dit deel van de verbindingsweg afdoet aan het beoogde effect van de verbindingsweg. Wat betreft de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met het deel van de verbindingsweg waarvoor wel een maximumsnelheid van 30 km/u tot uitgangspunt is genomen, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat die situatie anders is dan de situatie ter hoogte van de woning van [appellant sub 1]. Onweersproken is immers de stelling van de raad dat ter hoogte van de Huyssitterweg de verbindingsweg dichter op de woningen is voorzien en dat er ter plaatse veel laad- en losactiviteiten langs de weg plaatsvinden.

    De raad heeft voorts akoestisch onderzoek laten doen naar de gevolgen van de verbindingsweg voor [appellant sub 1], waarbij een maximumsnelheid van 60 km/u op dit deel van de nieuwe verbindingsweg tot uitgangspunt is genomen. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het door GoudappelCoffeng opgestelde rapport "Onderzoek verkeer en milieu nieuwe verbindingsweg Stompwijk" van 5 oktober 2016 (hierna: het GC-rapport). In het GC-rapport staat dat de geluidbelasting op de oostgevel van de woning van [appellant sub 1] met ongeveer 2 dB zal toenemen tot ongeveer 52 dB en dat op de overige gevels de toename van de geluidbelasting minder dan 1 dB bedraagt. Gelet op de inhoud van het GC-rapport heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij een maximumsnelheid van 60 km/u sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor [appellant sub 1]. Wat betreft de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 1], acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

    Gelet op het voorgaande heeft de raad bij de vaststelling van het plan in redelijkheid een maximumsnelheid van 60 km/u op het deel van de nieuwe verbindingsweg ter hoogte van de woning van [appellant sub 1] tot uitgangspunt kunnen nemen. Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 2]

6.    [appellant sub 2] voert aan dat de nieuwe verbindingsweg op korte afstand van zijn woning is voorzien op gronden die bovendien zijn eigendom zijn. Niet alleen dreigen delen van zijn gronden daarom te worden onteigend, maar ook zal de verbindingsweg leiden tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Hij voelt zich door de dreigende onteigening onder druk gezet. Momenteel woont hij rustig en landelijk, maar in de nieuwe situatie zal hij pal aan een doorgaande weg komen te wonen. De nieuwe verbindingsweg zal leiden tot een toename van de geluidbelasting en een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van zijn woning. Volgens [appellant sub 2] had de raad extra maatregelen moeten treffen om de gevolgen van de weg voor zijn woon- en leefklimaat te beperken. Verder voert hij aan dat als gevolg van de dreigende onteigening ten behoeve van de aanleg van de verbindingsweg de mogelijkheden om zijn glastuinbouwbedrijf verder te ontwikkelen worden beperkt. Daarbij wijst [appellant sub 2] op een eerder verleende bouwvergunning voor de uitbreiding van zijn kassen op gronden waarop nu de nieuwe verbindingsweg is voorzien.

    Daarnaast heeft het bestemmingsplan betrekking op een groter deel van zijn perceel dan noodzakelijk is voor de aanleg van de verbindingsweg. Dit is kennelijk gebeurd om ook zijn gronden ten zuiden van de verbindingsweg te kunnen onteigenen, aldus [appellant sub 2]. Volgens hem is onteigening van deze gronden niet nodig en wil hij deze gronden zelf gaan gebruiken voor de beweiding van vee.

6.1.    De Afdeling stelt vast dat in het GC-rapport staat dat de geluidbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 2] ten gevolge van de nieuwe weg, na de aanleg van geluidreducerend asfalt, maximaal 43 dB zal bedragen. Wat betreft de luchtkwaliteit wordt in hoofdstuk 4 van het GC-rapport geconcludeerd dat geen sprake is van normoverschrijdingen en dat geen sprake is van een concentratiebijdrage die in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het door [appellant sub 2] aangevoerde geeft de Afdeling geen aanleiding om in zoverre aan de inhoud van het GC-rapport te twijfelen. Gelet op deze uitkomsten van het GC-rapport heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen het plan wat betreft de aspecten geluid en luchtkwaliteit geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor [appellant sub 2].

    De schade die [appellant sub 2] door de verwerving van zijn gronden ten behoeve van de aanleg van de verbindingsweg lijdt, komt in het kader van de toekenning van een schadeloosstelling op grond van de Onteigeningswet voor vergoeding in aanmerking. Onteigening vindt plaats tegen in beginsel volledige schadeloosstelling. In deze schadeloosstelling dient een eventuele waardedaling van de resterende delen van het perceel te worden verdisconteerd. Duijvesteijn heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat door de verwerving van een gedeelte van zijn gronden de ontwikkeling van het bedrijf onevenredig zal worden beperkt. Gelet hierop geeft hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij afweging van de belangen van [appellant sub 2] niet in redelijkheid een deel van zijn gronden ten behoeve van de verbindingsweg heeft kunnen bestemmen.

    Wat betreft de gronden van [appellant sub 2] ten zuiden van de verbindingsweg stelt de Afdeling vast dat daaraan deels de bestemming "Groen" en deels de bestemming "Groen - 1" is toegekend. De bestemming "Groen" is toegekend ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de nieuwe verbindingsweg. De bestemming "Groen - 1" laat tevens de door [appellant sub 2] gewenste beweiding van vee toe. Gelet op dit toegelaten gebruik ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat raad niet in redelijkheid deze bestemmingen aan deze gronden heeft kunnen toekennen. De vraag of deze gronden ten zuiden van de verbindingsweg tevens onteigend mogen worden, is in onderhavige procedure niet aan de orde.

    Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de belangen die zijn gemoeid met de aanleg van de nieuwe verbindingsweg dan aan het belang van [appellant sub 2] bij behoud van de bestaande situatie. Het betoog faalt.

Conclusie

7.    De beroepen zijn ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Boer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2017

745.