Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2681

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
201609437/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:6121, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 januari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellant] om herziening van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2008, 2009, 2010 en 2011 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609437/1/A2.

Datum uitspraak: 4 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 november 2016 in zaak nr. 15/85 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellant] om herziening van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2008, 2009, 2010 en 2011 afgewezen.

Bij besluit van 11 november 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 november 2016 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft voor de jaren 2008 tot en met 2011 voorschotten kinderopvangtoeslag ontvangen voor de opvang van zijn kinderen. Bij besluiten van 12 september 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen deze voorschotten herzien en op nihil gesteld. Bij besluit van 3 juli 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht op kinderopvangtoeslag voor 2009 definitief berekend en op nihil gesteld. [appellant] heeft verzocht om herziening van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2008 tot en met 2011. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dit verzoek in het besluit van 7 januari 2014, als gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 11 november 2015, afgewezen. De rechtbank heeft het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellant] kan zich daar niet mee verenigen.

Nieuwe argumenten

2.    Ter zitting heeft [appellant] gewezen op een brief die hij recent aan de Belastingdienst/Toeslagen heeft gestuurd en waarin wordt betoogd dat hem voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 ten onrechte toeslagen zijn onthouden. De Afdeling heeft van deze brief geen afschrift ontvangen, is eerst ter zitting op het bestaan ervan gewezen en heeft ook eerst ter zitting kennis kunnen nemen van de in die brief opgenomen argumenten.

    Ook na afloop van de beroepstermijn en indien die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd. Hiervan is in het onderhavige geval sprake. De Afdeling betrekt het betoog dat [appellant], onder verwijzing naar voornoemde brief, ter zitting van de Afdeling naar voren heeft gebracht daarom niet bij de beoordeling.

Toeslagjaar 2008

3.    Nu de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag 2008 inmiddels heeft vastgesteld, kan [appellant] niet meer bereiken dat het voorschot wordt herzien. In zoverre heeft hij geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep. Het hoger beroep, voor zover dat betrekking heeft op de kinderopvangtoeslag 2008, dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Toeslagjaren 2009-2011: bevoegdheid Belastingdienst/Toeslagen

4.    [appellant] betoogt dat de Belastingdienst blijkens een brief van 11 oktober 2016 van de staatssecretaris van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal onder curatele is gesteld. Volgens [appellant] is de Belastingdienst/Toeslagen niet bevoegd te procederen en standpunten in te nemen en had de Belastingdienst/Toeslagen zijn standpunten aan de Inspectie der Rijksfinanciën moeten voorleggen.

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2250) heeft het verscherpt toezicht door de Inspectie der Rijksfinanciën op artikel 1 Belastingdienst van de begroting van Financiën (IX) dat is ingesteld geen gevolgen voor het optreden van de Belastingdienst/Toeslagen in deze procedure. Evenmin raakt dit de besluitvorming waar het in deze procedure om gaat.

    Het betoog faalt.

Toeslagjaar 2009

5.    Wat betreft het toeslagjaar 2009 verzoekt [appellant] om herziening van een definitieve vaststelling. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 5 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:930) volgt uit de aanhef van artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Uitvoeringsregeling Awir), met name de woorden "is gebleken", dat de Belastingdienst/Toeslagen pas tot herziening overgaat, indien op grond van feiten en omstandigheden is komen vast te staan dat de toeslag te laag is vastgesteld. Van de Belastingdienst/Toeslagen kan niet worden gevergd dat hij, zonder dat er aanwijzingen zijn dat zich zodanige feiten en omstandigheden hebben voorgedaan, een beslissing tot vaststelling of herziening van een aanspraak, opnieuw beoordeelt. Een belanghebbende die vraagt om toepassing van artikel 21a van de Awir dient zelf die feiten en omstandigheden te noemen. Zoals de Afdeling eveneens in de hiervoor genoemde uitspraak van 5 april 2017 heeft overwogen is de stelling dat de Afdeling in haar uitspraak van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1484) een onjuist oordeel heeft gegeven over artikel 19 van de Awir en de op grond van die bepaling geldende beslistermijnen, niet een feit of omstandigheid als hier bedoeld, maar een opvatting van belanghebbende over de uitleg van de wet.

    De rechtbank heeft over de betaling van de kosten voor het jaar 2009 overwogen dat [appellant] de door hem gestelde betalingen niet heeft gestaafd met kwitanties en daarmee corresponderende bewijzen van geldopnames en dat de enkele stelling dat hij wekelijks boodschappen heeft gedaan en voor de kinderen speelgoed, boeken, kleurtjes en dergelijke heeft aangeschaft daartoe onvoldoende i[appellant] komt hiertegen op met een betoog over de uitleg van artikel 18 van de Awir in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang. Dit betoog is evenmin als een feit of omstandigheid in de hiervoor bedoelde zin aan te merken. Hetzelfde geldt voor zijn enkele stelling dat sprake zou zijn geweest van schenking.

    Het betoog faalt.

Toeslagjaren 2010 en 2011

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen na het verstrijken van de termijn van artikel 19 van de Awir niet meer terug mocht komen op eerdere besluitvorming. Hij verwijst onder meer naar de conclusie van staatsraad mr. L.A.D. Keus (de staatsraad advocaat-generaal) van 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:159) en betoogt dat van de in artikel 19 van de Awir opgenomen termijn slechts bij gegronde redenen kan worden afgeweken. Hij kan zich niet verenigen met de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1484).

6.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1484), volgt uit de Awir, noch de totstandkomingsgeschiedenis daarvan, dat de in artikel 19, eerste en tweede lid, van de Awir, neergelegde beslistermijnen in zoverre fataal zijn dat de Belastingdienst/Toeslagen na het verstrijken van deze termijnen niet meer bevoegd is om een voorschot te herzien, overeenkomstig artikel 16, vijfde lid, van de Awir, of een toeslag, overeenkomstig artikel 19 van de Awir, definitief vast te stellen. Dit betekent evenwel niet dat die bevoegdheid niet in tijd is begrensd. Uit voormelde uitspraak volgt dat, gelet op de wetssystematiek en in lijn met artikel 21, tweede lid, van de Awir, de bevoegdheid van de Belastingdienst/Toeslagen om een voorschot te herzien of een toeslag vast te stellen ten nadele van de aanvrager vijf jaar na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de toeslag betrekking heeft, vervalt. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel over voormelde beslistermijnen.

    Gelet op het voorgaande en nu de termijn van vijf jaar ten tijde van de besluitvorming over de toeslagjaren 2010 en 2011 nog niet was verstreken, was de dienst ten tijde van het nemen van deze besluiten tot deze herziening bevoegd.

    Het betoog faalt.

7.    De rechtbank heeft wat betreft toeslagjaar 2010 overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt stelt dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij de volledige kosten heeft voldaan, nu hij voor een bedrag van € 2.718,95 niet heeft aangetoond dat dit is betaald. Voor dit bedrag heeft hij geen betalingsbewijzen overgelegd en het mutatieoverzicht van het gastouderbureau is in dit geval op zichzelf onvoldoende bewijs. Ten aanzien van toeslagjaar 2011 heeft de rechtbank overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt stelt dat een jaaroverzicht of facturen van het gastouderbureau ontbreken en dat hij de kosten daarom niet inzichtelijk heeft gemaakt.

    [appellant] kan zich met deze overwegingen niet verenigen en betoogt dat de rechtbank er ten onrechte van uitgaat dat hij moet kunnen aantonen dat hij alle kosten heeft voldaan en dat hij een eigen bijdrage moest betalen. Voor zover niet zou zijn aangetoond dat de kosten zijn voldaan, was sprake van schenking, aldus [appellant].

7.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1849), bestaat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag indien de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald. In hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht ziet de Afdeling geen grond daar thans anders over te oordelen. In hetgeen hij naar voren heeft gebracht is evenmin grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij alle kosten voor het toeslagjaar 2010 heeft voldaan en dat hij voor het toeslagjaar 2011 niet heeft aangetoond wat de kosten zijn.

    Het betoog faalt.

Hoorplicht

8.    Het betoog van [appellant], dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen hem ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar, faalt reeds nu hij op 5 november 2015 in aanwezigheid van zijn gemachtigde door de Belastingdienst/Toeslagen is gehoord naar aanleiding van zijn bezwaar.

Conclusie

9.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk, voor zover het betrekking heeft op het berekeningsjaar 2008. Het hoger beroep, voor zover het betrekking heeft op de berekeningsjaren 2009 tot en met 2011, is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, voor zover het betrekking heeft op het berekeningsjaar 2008;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2017

480.