Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:268

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
01-02-2017
Zaaknummer
201601311/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:559, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2015 heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen de door hem ervaren parkeerhinder tegenover zijn uitrit aan de Willem van Gentsvaart te Sprang-Capelle buiten behandeling gelaten.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/150

Uitspraak

201601311/1/A1.

Datum uitspraak: 1 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk,

2. het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 januari 2016 in zaak nr. 15/5351 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2015 heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen de door hem ervaren parkeerhinder tegenover zijn uitrit aan de Willem van Gentsvaart te Sprang-Capelle buiten behandeling gelaten.

Bij besluit van 1 juli 2015 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 6 januari 2015 herroepen en het verzoek om handhaving afgewezen.

Bij uitspraak van 21 januari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 juli 2015 vernietigd en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en het college hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1] en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2016, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. M.M. Breukers, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. van de Werken, ing. L. Mathijssen en mr. C.M. Dorrestijn, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 26 september 2014 heeft [appellant sub 1] verzocht om op grond van artikel 17.3, aanhef en onder b en c, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" nadere eisen te stellen aan de parkeer-gelegenheid van de bewoners wonende op het adres [locatie] te Sprang-Capelle, zodat geen sprake meer is van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de gronden van [appellant sub 1] en de verkeershinder wordt opgeheven. Op 22 december 2014 is dit verzoek aangevuld met het verzoek om handhavend op te treden op grond van het bepaalde in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet.

1.1. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat het op grond van artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet niet bevoegd is om handhavend op te treden, omdat het gedeelte van het perceel waarop het verzoek om handhaving van [appellant sub 1] ziet de bestemming "Verkeer" heeft en daarop een gedeelte van de openbare weg is gelegen. Het verzoek om handhavend optreden is daarom afgewezen.

De rechtbank heeft overwogen dat een gedeelte van het perceel met de bestemming "Verkeer" in bruikleen is gegeven aan de bewoners van de woning aan de [locatie] en dat daarom sprake is van een terrein als bedoeld in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar daarom vernietigd. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de zorgplicht, gelet op de omstandigheden van het geval, niet is geschonden en heeft de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar in stand gelaten.

1.2. Het hoger beroep van [appellant sub 1] richt zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 1 juli 2015. Volgens [appellant sub 1] bestond aanleiding op grond van de zorgplichtbepaling uit de Woningwet handhavend op te treden. In incidenteel hoger beroep betoogt het college dat de rechtbank artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet ten onrechte van toepassing heeft geacht.

2. Het incidenteel hoger beroep van het college heeft betrekking op de vaststelling van het toetsingskader. De Afdeling ziet daarom aanleiding eerst het incidenteel hoger beroep te behandelen.

3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet van toepassing heeft geacht. In dit verband voert het college aan dat het perceel waarop het verzoek om handhaving ziet in eigendom is van de gemeente Waalwijk en dat dit perceel de bestemming "Verkeer" heeft. Volgens het college is reeds daarom de Woningwet niet van toepassing. Daarnaast betoogt het college dat [appellant sub 1] zijn doel met de onderhavige procedure niet kan bereiken, omdat in het geval handhavend wordt opgetreden tegen de bewoners van de [locatie] te Sprang-Capelle overige weggebruikers op grond van de ter plaatse geldende bestemming nog steeds op de weg en in de berm mogen parkeren.

3.1. Artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet luidt: Een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, draagt er, voor zover dat in diens vermogen ligt, zorg voor dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

3.2. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet van toepassing is op de onderhavige situatie.

In het besluit op bezwaar staat vermeld dat het perceel waarop het verzoek van [appellant sub 1] ziet, een gedeelte is van het perceel, kadastraal bekend gemeente Capelle, sectie O, nummer 502, dat eigendom is van de gemeente Waalwijk. Op dit perceel is de openbare weg Willem van Gentsvaart gelegen. Dit is door [appellant sub 1] niet weersproken. Dit perceel grenst aan het perceel dat in eigendom is van de bewoners van de [locatie]. Ter plaatse van de Willem van Gentsvaart geldt het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Waalwijk. Op de Willem van Gentsvaart rust de bestemming "Verkeer". De voor "Verkeer" aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor voorzieningen voor verkeer en verblijf, waaronder wegen, paden en parkeervoorzieningen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is geen sprake van een open erf of terrein in de zin van de Woningwet, maar van een openbaar gebied dat in eigendom is van de gemeente met de bestemming "Verkeer" op grond waarvan parkeren is toegestaan. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet grondslag kan bieden voor handhavend optreden tegen het parkeren van auto’s op de openbare weg.

Dat het college een gedeelte van zijn perceel in bruikleen heeft gegeven aan de bewoners van de [locatie], zoals [appellant sub 1] stelt, is voor de beantwoording van de vraag of artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet grondslag kan bieden voor handhavend optreden tegen het parkeren van auto’s op de openbare weg niet van belang.

Het betoog van het college slaagt. Nu de hogerberoepsgronden van [appellant sub 1] de door hem ingeroepen overtreding van artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet betreffen, welke bepaling, zoals uit het hiervoor overwogene volgt, niet is overtreden, behoeft het hoger beroep van [appellant sub 1] geen nadere bespreking.

4. Het incidenteel hoger beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 1 juli 2015 van het college alsnog ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 januari 2016 in zaak nr. 15/5351;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. H.C.P. Venema en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. De Jong

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2017

628.