Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2670

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
201700309/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellant] om herziening van een besluit waarbij de kinderopvangtoeslag over het jaar 2009 is vastgesteld op nihil, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700309/1/A2.

Datum uitspraak: 4 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 december 2016 in zaak nr. 16/6435 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellant] om herziening van een besluit waarbij de kinderopvangtoeslag over het jaar 2009 is vastgesteld op nihil, afgewezen.

Bij besluit van 3 augustus 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 september 2017,

waar [appellant], bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] heeft voor de opvang van zijn kinderen via een gastouderbureau voor het jaar 2009 kinderopvangtoeslag aangevraagd. Bij besluit van 11 december 2008 heeft de Belastingdienst/Toeslagen hem een voorschot toegekend. Na verschillende wijzigingen heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij besluit van 27 mei 2014 de kinderopvangtoeslag over 2009 definitief vastgesteld op nihil. Deze nihilstelling heeft tot gevolg dat [appellant] het reeds aan hem uitbetaalde voorschot dient terug te betalen.

2.    [appellant] heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij brief van 12 mei 2016 verzocht het besluit van 27 mei 2014 te herzien.

3.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft dat verzoek afgewezen, omdat dat te laat is ingediend. Op grond van artikel 21a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) en artikel 5a, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling Awir is herziening in het voordeel van de belanghebbende niet meer mogelijk indien meer dan vijf jaar zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, aldus de dienst.

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het herzieningsverzoek uiterlijk op 31 december 2014 had moeten zijn ingediend. Aangezien het verzoek te laat is ingediend, heeft de Belastingdienst/Toeslagen dat terecht afgewezen. De dienst heeft tevens mogen afzien van het horen van [appellant] in bezwaar, omdat het bezwaar niet tot een andersluidend besluit zou kunnen leiden, aldus de rechtbank.

5.    Het primaire betoog van [appellant] dat voor het verrichten van rechtshandelingen door de Belastingdienst/Toeslagen instemming van een curator is vereist, omdat de Belastingdienst blijkens een brief van de staatssecretaris van Financiën van 11 oktober 2016 onder curatele is gesteld, faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2895), heeft het door de Inspectie der Rijksfinanciën ingestelde verscherpt toezicht op de Belastingdienst geen gevolgen voor het optreden van de Belastingdienst/Toeslagen in geschillen als deze. Evenmin raakt dit de besluitvorming waar het in deze procedures om gaat.

6.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij het herzieningsverzoek te laat heeft ingediend. Voor de inwerkingtreding van artikel 21a van de Awir gold een herzieningstermijn van zeven jaar. Voor zover al een termijn van vijf jaar geldt, is deze pas aangevangen met ingang van de dagtekening van het besluit tot definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag, te weten 27 mei 2014. Anders zou hem, doordat de Belastingdienst/Toeslagen zelf de termijnen voor vaststelling met enkele jaren heeft overschreden, de volle termijn van vijf jaar om herziening te vragen zijn ontnomen, aldus [appellant].

6.1.    Artikel 21a van de Awir is op 1 januari 2011 in werking getreden en geldt voor besluiten waarvan de dagtekening ligt na 31 december 2010. Deze bepaling luidt:

"In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen herziet de Belastingdienst/Toeslagen een toegekende […] tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden in het voordeel van de belanghebbende."

    Bedoelde ministeriële regeling is de Uitvoeringsregeling Awir. Artikel 5a van die regeling luidt:

"De Belastingdienst/Toeslagen herziet in het voordeel van de belanghebbende een toegekende […] tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden zodra de Belastingdienst/Toeslagen is gebleken dat die tegemoetkoming op een te laag bedrag is vastgesteld, tenzij:

a. vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft;

[…]."

6.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat artikel 21a van de Awir en artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir en de in die bepaling neergelegde termijn van vijf jaar van toepassing zijn op het herzieningsverzoek van [appellant], omdat dat verzoek ziet op een besluit dat is genomen na 31 december 2010. Er is ook overigens geen rechtsgrondslag aan te wijzen voor de stelling van [appellant] dat in zijn geval moet worden uitgegaan van een termijn van zeven jaar voor het indienen van een herzieningsverzoek, omdat dat betrekking heeft op het jaar 2009. De toelichting bij de Wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen, van enige overige uitvoeringsregelingen en van de Wet op de accijns (Stcr. 2010, nr. 21111) waar [appellant] een beroep op doet, en waarin de passage staat dat de wijziging ziet op "wijziging van de termijn voor herziening in het voordeel van de belastingplichtige van zeven naar vijf jaren", heeft geen betrekking op de Uitvoeringsregeling Awir, maar op uitvoeringsregelingen van belastingwetten. Zoals ook de gemachtigde van de Belastingdienst/Toeslagen ter zitting heeft uiteengezet, kende de Awir voor de invoering van artikel 21a geen grondslag voor herziening in het voordeel van de belanghebbende en derhalve evenmin een termijn van zeven jaar daarvoor.

6.3.    De rechtbank heeft eveneens terecht geoordeeld dat ingevolge artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir de termijn van vijf jaar begint op de eerste dag na het verstrijken van de laatste dag van het jaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, in dit geval 31 december 2009. Deze termijnen eindigde derhalve op 31 december 2014. Het herzieningsverzoek van 12 mei 2016 is buiten deze termijn ingediend. Het besluit van 27 mei 2014, waarbij de kinderopvangtoeslag over 2009 definitief is vastgesteld, is weliswaar geruime tijd na afloop van dat berekeningsjaar genomen, maar niet dermate laat, dat [appellant] niet tijdig een herzieningsverzoek had kunnen indienen.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:933) biedt de tekst van artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir geen grondslag voor een latere aanvang van de termijn. Dat [appellant] daardoor een kortere termijn dan vijf jaar heeft gehad om herziening te vragen van de vastgestelde kinderopvangtoeslag, is een gevolg van de keuze van de regelgever. Deze termijn is overigens hoe dan ook korter dan vijf jaar na de vaststelling van die tegemoetkoming, omdat de vaststelling ingevolge artikel 19 van de Awir altijd plaatsvindt na het verstrijken van het berekeningsjaar.

6.4.    Het betoog faalt.

7.    Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht niet toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van het herzieningsverzoek. Ook in hoger beroep wordt daaraan niet toegekomen.

8.    [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen van het horen in bezwaar heeft mogen afzien.

8.1.    Het horen vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure. Van horen mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht slechts worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. De beslissing om die bepaling toe te passen dient te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd.

    Nu het herzieningsverzoek en het bezwaar strekken tot herziening van de kinderopvangtoeslag over 2009 en, gelet op het feit dat het herzieningsverzoek te laat is ingediend, kennelijk geen grond bestaat voor herziening, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen van horen heeft mogen afzien.     

    Het betoog faalt.

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. De Vries-Biharie

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2017

611.