Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2668

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
201609895/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:9461, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellant] om herziening van een besluit waarbij de kinderopvangtoeslag over 2008 is vastgesteld op nihil, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609895/1/A2.

Datum uitspraak: 4 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2016 in zaak nr. 16/5117 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellant] om herziening van een besluit waarbij de kinderopvangtoeslag over 2008 is vastgesteld op nihil, afgewezen.

Bij besluit van 1 juli 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 september 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. N. Köse-Albayrak, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] heeft voor de opvang van zijn kinderen via een gastouderbureau voor de periode 10 maart 2008 tot 31 december 2008 kinderopvangtoeslag aangevraagd als bedoeld in de Wet kinderopvang (hierna: de Wko). Bij besluit van 2 oktober 2008 heeft de Belastingdienst/Toeslagen hem een voorschot toegekend. Bij besluit van 30 september 2009 heeft de Belastingdienst/Toeslagen dat voorschot herzien naar nihil. Bij besluit van 20 september 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2008 definitief berekend en vastgesteld op nihil. [appellant] heeft geen bezwaar gemaakt tegen dat besluit.

2.    [appellant] heeft de Belastingdienst/Toeslagen verzocht het besluit van 20 september 2011 te herzien.

3.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft dat verzoek afgewezen, omdat [appellant] niet heeft voldaan aan alle wettelijke vereisten om aanspraak te maken op kinderopvangtoeslag. De opvangovereenkomst is niet ondertekend door het gastouderbureau, [appellant] heeft geen documenten overgelegd waaruit het totaalbedrag aan gemaakte kosten in 2008 blijkt en hij heeft evenmin aangetoond dat hij heeft betaald voor de kinderopvang, aldus de dienst.

4.    [appellant] heeft deze stellingen van de Belastingdienst/Toeslagen niet betwist. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat onvolkomenheden in de opvangovereenkomst hem niet kunnen worden verweten en dat evenmin van hem kan worden verlangd dat hij aantoont alle kosten voor kinderopvang te hebben voldaan.

5.    De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant], nu hij geen stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn herzieningsverzoek, niet heeft doen blijken dat de kinderopvangtoeslag over 2008 te laag is vastgesteld. Zij is niet inhoudelijk op de aangevoerde gronden ingegaan.

6.    Het primaire betoog van [appellant] dat voor het verrichten van rechtshandelingen door de Belastingdienst/Toeslagen instemming van een curator is vereist, omdat de Belastingdienst blijkens een brief van de staatssecretaris van Financiën van 11 oktober 2016 onder curatele is gesteld, faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2895), heeft het door de Inspectie der Rijksfinanciën ingestelde verscherpt toezicht op de Belastingdienst geen gevolgen voor het optreden van de Belastingdienst/Toeslagen in geschillen als deze. Evenmin raakt dit de besluitvorming waar het in deze procedures om gaat.

7.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hetgeen hij heeft aangevoerd over artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), waarin de beslistermijnen zijn neergelegd om een toeslag toe te kennen, niet relevant is in het kader van een herzieningsverzoek. Volgens [appellant] heeft de rechtbank miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Awir de definitieve berekening van de kinderopvangtoeslag over 2008 binnen 13 weken na de aangifte Inkomstenbelasting over 2008 diende op te stellen. Aangezien de Belastingdienst/Toeslagen dat heeft nagelaten, is het besluit van 20 september 2011 van elke rechtskracht ontbloot. Reeds daarom had de Belastingdienst/Toeslagen dat besluit moeten herzien, aldus [appellant].

7.1.    De Wko is een inkomensafhankelijke regeling als bedoeld in artikel 1 van de Awir. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1484) overweegt de Afdeling dat de Awir, noch de totstandkomingsgeschiedenis daarvan, grond biedt voor het oordeel dat de in artikel 19, eerste lid, neergelegde beslistermijnen in zoverre fataal zijn dat de Belastingdienst/Toeslagen na het verstrijken van deze termijnen niet meer bevoegd is om een toeslag overeenkomstig artikel 19 definitief vast te stellen. Uit voormelde uitspraak volgt dat, gelet op de wetssystematiek en in lijn met artikel 21, tweede lid, van de Awir, de bevoegdheid van de Belastingdienst/Toeslagen om een toeslag vast te stellen ten nadele van de aanvrager vijf jaar na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de toeslag betrekking heeft, vervalt.

    In het geval van [appellant] is de kinderopvangtoeslag over 2008 binnen vijf jaar definitief vastgesteld, namelijk op 20 september 2011. Hoewel op dat moment de in artikel 19, eerste lid, van de Awir neergelegde termijn was verstreken, was de dienst tot deze definitieve vaststelling bevoegd, omdat deze binnen vijf jaar na de laatste dag van het betreffende toeslagjaar heeft plaatsgevonden. In de overschrijding van de in artikel 19, eerste lid, van de Awir neergelegde beslistermijn is derhalve geen grond gelegen het herzieningsverzoek van [appellant] toe te wijzen. De rechtbank is terecht, zij het op andere gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen.

    Het betoog faalt.

8.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Hij voert hiertoe aan dat het herzieningsverzoek is gestoeld op artikel 21a van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir, en geen herhaalde aanvraag is als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens hem hoefde hij daarom geen nieuwe feiten of omstandigheden aan te voeren en evenmin het herzieningsverzoek te onderbouwen met stukken. De rechtbank is ten onrechte niet inhoudelijk ingegaan op zijn betogen over wetsuitleg, wetssystematiek en wetsgeschiedenis met betrekking tot de opvangovereenkomst en het betalen van de kosten voor kinderopvang, aldus [appellant].

8.1.    Artikel 21a van de Awir luidt:

"In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen herziet de Belastingdienst/Toeslagen een toegekende […] tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden in het voordeel van de belanghebbende."

    Bedoelde ministeriële regeling is de Uitvoeringsregeling Awir. Artikel 5a van die regeling luidt:

"De Belastingdienst/Toeslagen herziet in het voordeel van de belanghebbende een toegekende […] tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden zodra de Belastingdienst/Toeslagen is gebleken dat die tegemoetkoming op een te laag bedrag is vastgesteld […]".

8.2.    Blijkens de uitspraak van de rechtbank heeft zij onderkend dat het verzoek van [appellant] een herzieningsverzoek betrof als bedoeld in artikel 21a van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir. De rechtbank heeft eveneens overwogen dat in het kader van een dergelijk herzieningsverzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden hoeven te worden aangevoerd. Het betoog van [appellant] berust in zoverre op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak.

8.3.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:933, volgt uit de aanhef van artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir, met name de woorden "is gebleken", dat de Belastingdienst/Toeslagen pas tot herziening overgaat, indien op grond van feiten en omstandigheden is komen vast te staan dat de toeslag te laag is vastgesteld. Van de Belastingdienst/Toeslagen kan niet worden gevergd dat hij, zonder dat er aanwijzingen zijn dat zich zodanige feiten en omstandigheden hebben voorgedaan, een beslissing tot vaststelling van een aanspraak opnieuw beoordeelt. Een belanghebbende die vraagt om toepassing van artikel 21a van de Awir dient zelf die feiten en omstandigheden te noemen, aldus de uitspraak van 5 april 2007. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] feiten en omstandigheden diende aan te voeren die herziening rechtvaardigen.

8.4.    De rechtbank heeft evenzeer terecht geoordeeld dat [appellant] dat niet heeft gedaan. Zijn stelling dat de Afdeling in de hiervoor onder 7.1 vermelde uitspraak van 1 juni 2016 een onjuist oordeel heeft gegeven over artikel 19 van de Awir en de op grond van die bepaling geldende beslistermijnen, is niet een feit of omstandigheid als hier bedoeld, maar een opvatting van [appellant] over de uitleg van de wet.

    Dat geldt evenzeer voor zijn stelling dat onvolkomenheden in de opvangovereenkomst hem niet kunnen worden tegengeworpen. In artikel 52 van de Wko is bepaald dat kinderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen het gastouderbureau en de ouder. De Afdeling heeft meermaals overwogen (onder meer in de onder 6 vermelde uitspraak van 2 november 2016) dat de ouder, om aanspraak op kinderopvangtoeslag te kunnen maken, inzicht dient te geven in de met het gastouderbureau gemaakte afspraken over de kinderopvang door een akte van een overeenkomst over te leggen, waaruit die afspraken blijken. Die overeenkomst dient in ieder geval door het gastouderbureau te zijn ondertekend. [appellant] heeft ook bij zijn herzieningsverzoek geen door het gastouderbureau ondertekende overeenkomst overgelegd.

    De stelling van [appellant] dat niet van hem kan worden verlangd dat hij aantoont de kosten voor de kinderopvang te hebben betaald, is evenmin een feit of omstandigheid om tot herziening over te gaan, maar een opvatting over de uitleg van de wet. Vaste rechtspraak van de Afdeling is dat uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, volgt dat degene die aanspraak op kinderopvangtoeslag maakt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte van die kosten is (zie onder meer de uitspraak van 16 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3055). Op degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag rust ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir de verplichting een deugdelijke administratie bij te houden. Ook zonder voorlichting van de Belastingdienst/Toeslagen had [appellant] moeten begrijpen dat hij als degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag een deugdelijke administratie van zijn kosten voor kinderopvang dient bij te houden, zodat hij desgevraagd stukken hierover kon overleggen. [appellant] heeft dergelijke bewijsstukken ook bij zijn herzieningsverzoek niet overgelegd.

8.5.    Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat [appellant] met hetgeen hij heeft aangevoerd, nu hij geen stukken heeft overgelegd, niet heeft doen blijken dat de kinderopvangtoeslag over het jaar 2008 te laag is vastgesteld. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het herzieningsverzoek daarom mogen afwijzen.

    Het betoog faalt.

9.    Het betoog van [appellant] dat hij ten onrechte niet is gehoord door de Belastingdienst/Toeslagen mist feitelijke grondslag. Uit de overgelegde stukken blijkt dat op 9 juni 2016 een hoorzitting heeft plaatsgevonden over het herzieningsverzoek, waarbij zowel [appellant] als zijn advocaat aanwezig waren.

10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. De Vries-Biharie

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2017

611.