Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2667

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
201700451/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:40, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] toegekende voorschotten zorg- en huurtoeslag over 2016 herzien naar € 1.905,00 onderscheidenlijk € 3.591,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700451/1/A2.

Datum uitspraak: 4 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 januari 2017 in zaken nrs. 16/2569 en 16/2586 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] toegekende voorschotten zorg- en huurtoeslag over 2016 herzien naar € 1.905,00 onderscheidenlijk € 3.591,00.

Bij besluit van 1 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] toegekende voorschotten zorg- en huurtoeslag over 2015 herzien naar € 1.550,00 onderscheidenlijk € 3.060,00.

Bij besluit van 29 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorg- en huurtoeslag van [appellant] over 2014 definitief berekend en vastgesteld op € 1.655,00 onderscheidenlijk € 3.253,00, en teveel betaalde voorschotten huurtoeslag ten bedrage van € 462,00 teruggevorderd.

Bij onderscheiden besluiten van 11 juli 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellant] tegen de besluiten van 21 maart 2016, 1 april 2016 en 29 april 2016 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 januari 2017 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2017, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, is verschenen.

Overwegingen

1.    Aan de bestreden besluitvorming heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat, nu [persoon] in 2014, 2015 en 2016 in de basisregistratie personen (BRP) op hetzelfde adres als [appellant] stond ingeschreven en zij samen twee kinderen hebben, [persoon] als toeslagpartner moet worden beschouwd. Bij de berekening van de aanspraak op zorg- en huurtoeslag van [appellant] over de jaren 2014, 2015 en 2016 is daarom het inkomen van [persoon] mede in aanmerking genomen.

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen op goede gronden [persoon] over de jaren 2014 tot met 2016 als toeslagpartner heeft aangemerkt.

3.    Op de Wet op de zorgtoeslag en de Wet op de huurtoeslag is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) van toepassing. De Awir luidt:

Artikel 3

1. (…)

2. In aanvulling op het eerste lid wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende en:

a. uit wiens relatie met de belanghebbende een kind is geboren;

(…)

Artikel 4

1. Kind is de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van de belanghebbende of zijn partner, die in belangrijke mate wordt onderhouden door de belanghebbende of zijn partner en als ingezetene op hetzelfde woonadres als de belanghebbende is ingeschreven in de basisregistratie personen. (…)

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen [persoon] terecht als zijn toeslagpartner heeft aangemerkt en op die grond het inkomen van [persoon] bij de berekening van zijn huur- en zorgtoeslag heeft kunnen betrekken. De rechtbank is volgens [appellant] voorbij gegaan aan de definitie van "kind" in artikel 4, eerste lid, van de Awir. Van een inwonend kind, voortgekomen uit het huwelijk tussen hem en [persoon] is geen sprake, aldus [appellant].

5.    Niet in geschil is dat [appellant] en [persoon] sinds 7 juni 20007 op hetzelfde woonadres staan in geschreven in de BRP en dat uit hun relatie twee kinderen zijn geboren.

6.    Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awir, geeft een duidelijke omschrijving van degene die als partner van de belanghebbende wordt aangemerkt. Degene die in de BRP op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven en uit wiens relatie een kind is geboren, wordt voor de toepassing van inkomensafhankelijke regelingen verondersteld partner van de belanghebbende te zijn. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 15 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV5079, overweegt de Afdeling dat het begrip kind in dit verband grammaticaal dient te worden uitgelegd. Daarbij is niet van belang door wie het kind wordt onderhouden, of het meer- of minderjarig is of waar het woont. Artikel 4, eerste lid, van de Awir is hier niet van toepassing. Deze bepaling dient een ander doel, namelijk een definitie te geven van het kind van wie de kosten van levensonderhoud in aanmerking moeten worden genomen bij de beantwoording van de vraag of aanspraak bestaat op een tegemoetkoming op grond van de inkomensafhankelijke regelingen. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen reden hierover thans anders te oordelen. Nu vaststaat dat uit de relatie van [appellant] en [persoon] twee kinderen zijn geboren, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen [persoon] als toeslagpartner mocht aanmerken. Dat de kinderen, als gesteld, niet zijn ingeschreven op hetzelfde adres als [appellant] en [persoon], maakt dit gelet artikel 3, eerste lid, van de Awir, niet anders.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Van Ravels    w.g. Van Soest-Ahlers

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2017

343.