Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:266

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
01-02-2017
Zaaknummer
201501072/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij het besluit van 18 december 2014, kenmerk 42424, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/168
AR 2017/549

Uitspraak

201501072/1/R2.

Datum uitspraak: 1 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. Natuur- en Milieuvereniging Markkant, gevestigd te Breda, en andere (hierna: de vereniging en andere), (r.o. 7, 26 en 27)

2. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, gevestigd te ’s-Hertogenbosch (hierna: het college), (r.o. 28)

3. [ appellanten sub 3], beiden wonend te Breda (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 3]), (r.o. 26)

4. [ appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], beiden wonend te Breda (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 4]), (r.o. 27)

5. [ appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend te Breda, (r.o. 27)

6. [ appellant sub 6A] en [appellante sub 6B] en [appellante sub 6C], gevestigd te Breda (hierna: [appellante sub 6]), (r.o. 27)

7. [ appellant sub 7], wonend te Breda, (r.o. 29)

8. BW Beheer Bvba, gevestigd te Brecht (België), en Princeville Exploitatie B.V., gevestigd te Breda, (r.o. 30)

9. [ appellant sub 9] en anderen, allen wonend te Breda, (r.o. 31)

10. [ appellant sub 10], wonend te Breda, en anderen, (r.o. 36)

11. de vereniging IVN Mark en Donge, gevestigd te Breda, en anderen, (r.o. 42)

12. [ appellante sub 12], gevestigd te Breda, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Breda, (r.o. 32, 42, 46 en 47)

13. [ appellant sub 13], wonend te Ulvenhout, gemeente Breda, (r.o. 48)

14. [ appellant sub 14], wonend te Breda, (r.o. 50)

15. [ appellant sub 15], wonend te Ulvenhout, gemeente Breda, (r.o. 51)

16. [ appellante sub 16], wonend te Breda (r.o. 52)

17. [ appellante sub 17], (r.o. 26.2)

18. [ appellant sub 18A] en [appellant sub 18B], beiden wonend te Breda, (r.o. 39)

en

de raad van de gemeente Breda,

verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 18 december 2014, kenmerk 42424, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 7], het college, de vereniging en anderen, [appellante sub 12], [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 13], BW Beheer, [appellant sub 9] en anderen, [appellante sub 6C], [appellant sub 4], IVN Mark en Donge en anderen, [appellant sub 14], [appellanten sub 5], [appellant sub 3], [appellant sub 15] en [appellante sub 16] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Hierover heeft een aantal appellanten een zienswijze naar voren gebracht.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 5 november 2015, kenmerk 43831, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013" gewijzigd.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de vereniging en andere, [appellant sub 3], [appellanten sub 18], IVN Mark en Donge en [appellant sub 14] hun zienswijze over het besluit van 5 november 2015 naar voren gebracht.

Bij besluit van 3 maart 2016, kenmerk 44402, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013" gewijzigd.

De vereniging en anderen hebben hun zienswijze over het besluit van 3 maart 2016 naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 en 14 juni 2016, waar het merendeel van de partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn ter zitting [appellante sub 17] van Alphen, [belanghebbende A] en [belanghebbende B], vertegenwoordigd door mr. A.C. van Langen, advocaat te Waalwijk, Ruitersportcentrum Breda, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. S.M. Stavenuiter, advocaat te Amsterdam, Port of Breda B.V., vertegenwoordigd door mr. B. Baan, advocaat te Etten-Leur, [belanghebbende C], bijgestaan door ing. J. van Dijk, en [belanghebbende D] als derde belanghebbenden gehoord. Daarnaast is een aantal appellanten ook als derde belanghebbenden gehoord.

Overwegingen

TOETSINGSKADER

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

DE BESLUITEN

2. Het plan "Buitengebied Zuid 2013" voorziet in een planologische regeling van het zuidelijke deel van het buitengebied van Breda.

3. Bij het besluit van 5 november 2015 heeft de raad het besluit van 18 december 2014 op onderdelen gewijzigd. Bij het besluit van 3 maart 2016 heeft de raad het besluit van 5 november 2015 gewijzigd voor zover het betreft het plandeel aan de [locatie 1] in Galder.

4. Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat het beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot wijziging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Het besluit van 5 november 2015 is een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De beroepen hebben van rechtswege mede betrekking op dit besluit.

Voorts is het besluit van 3 maart 2016 een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Het beroep van de vereniging en andere heeft van rechtswege mede betrekking op dit besluit.

5. De Afdeling zal bij het beroep van de vereniging en andere tegen het plandeel aan de [locatie 1] het plan zoals dat is vastgesteld bij het besluit van 3 maart 2016 als eerste beoordelen, en daarna en voor zover nodig, achtereenvolgens het plan zoals dat is vastgesteld bij het besluit van 5 november 2015 en bij het besluit van 18 december 2014.

De Afdeling zal bij het beroep van de vereniging en andere voor het overige en de overige beroepen het plan zoals dat is vastgesteld bij besluit van 5 november 2015 als eerste beoordelen, en daarna en voor zover nodig, het plan zoals dat was vastgesteld bij besluit van 18 december 2014.

Bij het voorgaande is voorts het volgende van belang. Het besluit van 18 december 2014 heeft met ingang van 5 februari 2015 ter inzage gelegen. Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant heeft op 17 februari 2015 een reactieve aanwijzing gegeven. Nu de termijn voor het geven van een reactieve aanwijzing is geëindigd op 24 januari 2015, is deze reactieve aanwijzing buiten de daartoe gestelde termijn in artikel 3.8, vierde en zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gegeven. Het college van gedeputeerde staten kan in uitzonderlijke gevallen een reactieve aanwijzing geven na het verstrijken van deze termijn. Desgevraagd heeft het college van gedeputeerde staten ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke situatie zich voordoet. De reactieve aanwijzing is gelet hierop gedurende de beroepstermijn ten onrechte verwerkt in het plan zoals dat beschikbaar is gesteld op www.ruimtelijkeplannen.nl. Niet aannemelijk is echter dat belanghebbenden zijn benadeeld door deze gebrekkige beschikbaarstelling. Daarbij is van belang dat met het besluit van 5 november 2015 is beoogd tegemoet te komen aan de reactieve aanwijzing. Indien belanghebbenden van mening waren dat met dit besluit niet, onvoldoende of ten onrechte aan de reactieve aanwijzing tegemoet is gekomen, hadden zij beroep kunnen instellen tegen het besluit van 5 november 2015. Gelet op het voorgaande gaat de Afdeling indien zij het plan beoordeelt zoals dat is vastgesteld bij het besluit van 18 december 2014, uit van dat oorspronkelijke plan, zonder dat dat werd geraakt door de gegeven reactieve aanwijzing.

DE BEROEPEN

Leeswijzer

6. De beroepen worden behandeld in de volgorde zoals vermeld op het voorblad. De hoofdnummers van de overwegingen komen overeen met de nummers zoals vermeld bij de appellanten op het voorblad.

Het beroep van de vereniging en andere

Intrekking

7. Ter zitting hebben de vereniging en andere hun beroepsgrond die ziet op artikel 26, lid 26.8.1, onder a, sub c, van de planregels, dat betrekking heeft op diepploegen, ingetrokken.

Plan-MER

8. Ten behoeve van het plan is het rapport "Buitengebied Zuid, Plan-milieueffectrapportage" van 25 april 2013 van onderzoeksbureau Oranjewoud (hierna: plan-MER) vastgesteld, waarvan een passende beoordeling deel uitmaakt. De commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: commissie m.e.r.) heeft op 5 september 2013 een advies uitgebracht over het plan-MER, waarin zij een aantal aanbevelingen doet.

9. Ter zitting hebben de vereniging en andere toegelicht dat hetgeen zij naar voren hebben gebracht over de terinzagelegging van de plan-MER geen beroepsgrond is, maar slechts een verzuchting. De Afdeling gaat hierop dan ook niet in.

10. Onder meer onder verwijzing naar het advies van de commissie m.e.r. voeren de vereniging en andere aan dat het plan-MER ondeugdelijk is en daarom ten onrechte aan het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd. Het bestemmingsplan is volgens hen dan ook vastgesteld in strijd met artikel 7.7 van de Wet milieubeheer. Hiertoe voeren de vereniging en andere een aantal gronden aan die de Afdeling hierna zal bespreken. Daarbij staat voorop dat voor de raad geen verplichting bestaat om de aanbevelingen van de commissie m.e.r. over te nemen. Wel heeft de raad, in overeenstemming met artikel 7.14, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer, hetgeen hij over de aanbevelingen van de commissie m.e.r. heeft overwogen vermeld in paragraaf 5.2.4 van de plantoelichting. Aan de hand van de verschillende beroepsgronden zal de Afdeling beoordelen of het plan-MER, al dan niet bezien in het licht van de aanbevelingen van de commissie m.e.r. en de reactie daarop in de plantoelichting, aan het plan ten grondslag mocht worden gelegd.

Alternatieven

11. Volgens de vereniging en andere zijn in het plan-MER onvoldoende alternatieven onderzocht. Zo had het meest milieuvriendelijke alternatief moeten worden onderzocht en hadden de in het plan voorziene ontwikkelingsmogelijkheden moeten worden vergeleken met de situatie waarin het plan niet in ontwikkelingsmogelijkheden voorziet. De vereniging en andere wijzen op het advies van de commissie m.e.r. over het bestemmingsplan "Buitengebied Noord" van Breda van 13 juni 2012, waarin wordt geadviseerd om meer alternatieven te onderzoeken. Dit advies is volgens hen ook relevant voor het hier aan de orde zijnde plan. Ter zitting hebben de vereniging en andere toegelicht dat zij met het meest milieuvriendelijke alternatief een alternatief bedoelen waarbij wordt onderzocht of een afname van de stikstofemissie bij bedrijven kan worden bewerkstelligd, zodat de instandhoudingsdoelstellingen bij de nabij gelegen Natura 2000-gebieden kunnen worden gehaald.

11.1.

Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in uitspraak van 18 december 2011, ECLI:NL:RVS:2012:BV3215, is het antwoord op de vraag welke alternatieven in een plan-MER redelijkerwijs in beschouwing moeten worden genomen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het hier voorliggende bestemmingsplan is conserverend van aard en ligt nabij enkele Natura 2000-gebieden waar reeds sprake is van een overbelaste situatie. In het plan-MER zijn twee alternatieven onderzocht: de ten tijde van de opstelling van het plan-MER bestaande feitelijke situatie en de maximale mogelijkheden van het plan. Het meest milieuvriendelijke alternatief zoals de vereniging en andere dit ter zitting hebben omschreven is naar het oordeel van de Afdeling geen redelijkerwijs te beschouwen alternatief. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien te onderzoeken of de bestaande agrarische bedrijven kunnen worden verplaatst of in hun bestaande en legale bedrijfsvoering kunnen worden beperkt, nu dit grote financiële gevolgen zal hebben. De vereniging en andere hebben niet concreet gemaakt welke andere alternatieven volgens hen dienden te worden onderzocht. Het door de vereniging en andere aangevoerde geeft gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat in het plan-MER een of meer alternatieven niet zijn onderzocht die redelijkerwijs in beschouwing dienden te worden genomen.

Het betoog faalt.

Cumulatieve geurhinder

12. Voor zover de vereniging en andere erop wijzen dat de commissie m.e.r. stelt dat in het plan-MER niet inzichtelijk is gemaakt wat de cumulatieve geurhinder in het plangebied is, overweegt de Afdeling als volgt. In het plan-MER staat dat in het plangebied sprake is van cumulatie van geuruitstoot door de diverse agrarische bedrijven. Hiermee, zo staat in het plan-MER, is rekening gehouden bij de beoordeling van de te verwachten geurhinder. In het advies van de commissie m.e.r. staat dat in het plan-MER niet inzichtelijk is gemaakt wat de huidige cumulatieve geurbelasting is rond de drie intensieve veehouderijen aan de Mastdreef en wat de cumulatieve geurhinder is als de bedrijven op deze locaties uitbreiden tot de maximale voorgrondbelasting. De commissie m.e.r. constateert dat de cumulatieve geurhinder ter plaatse een aandachtspunt is indien zich concrete initiatieven voor uitbreiding van de intensieve veehouderijen voordoen. In paragraaf 5.2.4 van de plantoelichting is ingegaan op deze opmerkingen in het advies van de commissie m.e.r. De vereniging en andere hebben ter zitting te kennen gegeven hier geen reactie op te hebben.

Het betoog faalt.

Natura 2000-gebieden

13. De vereniging en andere betogen dat niet is uitgesloten dat de mogelijkheden die het plan biedt de natuurlijke kenmerken van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden aantasten. Hiertoe voeren zij een aantal gronden aan, die de Afdeling hierna zal bespreken.

13.1.

Ingevolge artikel 19j, eerste lid, aanhef en onder a, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.

Ingevolge het derde lid wordt het besluit, bedoeld in het eerste lid, in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, alleen genomen indien is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de artikelen 19g en 19h.

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

13.2.

De overige wet- en regelgeving die relevant is voor de hierna volgende overwegingen is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

13.3.

In het plangebied ligt het Natura 2000-gebied het Ulvenhoutse bos. De Belgische Natura 2000-gebieden Hesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven liggen binnen een afstand van 10 km tot het plangebied.

seizoensarbeiders

14. De vereniging en andere stellen dat in de passende beoordeling niet is ingegaan op het grote aantal seizoensarbeiders dat ingevolge het plan bij agrarische bedrijven mag worden gehuisvest. Dit kan volgens hen leiden tot een aanzienlijk aantal verkeersbewegingen.

14.1.

De raad stelt dat de huisvesting van seizoensarbeiders niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie nu de seizoensarbeiders worden gehuisvest bij het bedrijf waar ze werken en dan ook minder met de auto zullen komen.

14.2.

Zoals de vereniging en andere ter zitting hebben erkend, vinden ten gevolge van het werkzaam zijn van seizoensarbeiders in het plangebied reeds verkeersbewegingen plaats indien zij niet zijn gehuisvest bij de bedrijven waar zij werkzaam zijn. Naar het oordeel van de Afdeling hoeft in de situatie waarin seizoensarbeiders worden gehuisvest bij de bedrijven waar zij werkzaam zijn niet van zodanig meer verkeersbewegingen worden uitgegaan dat het plan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling die kan leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden.

Het betoog faalt.

stikstofneutraal

15. De vereniging en andere betogen dat het begrip stikstofneutraal in de planregels ten onrechte alleen is beperkt tot het realiseren van een uitbreiding van een inrichting en dat hieronder ook het in werking hebben van de inrichting moet worden begrepen. Het begrip is volgens hen voorts in strijd met de rechtszekerheid, nu niet duidelijk is wat onder externe saldering in de begripsbepaling voor stikstofneutraal moet worden verstaan. De vereniging en andere wijzen op de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3105.

15.1.

De raad stelt dat met het begrip externe saldering is bedoeld dat een ontwikkeling van een bedrijf die leidt tot een toename van de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is toegestaan, indien tegelijk de stikstofdepositie op hetzelfde Natura 2000-gebied afneemt door het geheel of gedeeltelijk beëindigen van een ander bedrijf. Daarbij is volgens de raad voorts van belang dat de stikstofdepositie op het betreffende Natura 2000-gebied per saldo niet toeneemt en er een directe samenhang bestaat tussen de emissie die gepaard gaat met de ontwikkeling van het ene bedrijf en de afname van de emissie van een ander bedrijf.

15.2.

Ingevolge artikel 1, lid 1.80, van de planregels wordt onder stikstofneutraal verstaan: een uitbreiding van een bedrijfsgebouw zonder extra depositie van stikstof op een nabijgelegen Natura 2000-gebied middels maatregelen op de locatie zelf of via externe saldering dan wel er daardoor geen significante negatieve effecten op het betreffende gebied ontstaan.

15.3.

In het plan is onder meer voorzien in de agrarische bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden", waarvoor de regels zijn opgenomen in de artikelen 3, 4 en 5 van de planregels. Op diverse plaatsen is als voorwaarde gesteld dat wordt aangetoond dat stikstofneutraal gebouwd, gebruikt dan wel gewerkt wordt. In de passende beoordeling staat dat de kritische depositiewaarden in de Natura 2000-gebieden die liggen in het plangebied en in in de nabijheid van het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden in de huidige situatie reeds worden overschreden. Voorts is in de passende beoordeling uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan, waarbij ook de afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn meegenomen. Volgens de passende beoordeling leidt het plan in dit scenario tot een toename van de stikstofdepositie en mogelijk tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden. Door in de planregels de voorwaarde te stellen dat stikstofneutraal gebouwd, gebruikt dan wel gewerkt wordt, heeft de raad getracht te verzekeren dat het plan in zoverre per saldo niet leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden en voldoet aan artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998.

15.4.

Gezien de bouwregels en afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden waarin als voorwaarde is gesteld dat stikstofneutraal wordt gebouwd, gebruikt dan wel gewerkt, biedt het plan in beginsel mogelijkheden voor uitbreiding van bebouwing ten behoeve van veehouderijen en glastuinbouwbedrijven. Voorts bieden deze bepalingen mogelijkheden voor de vestiging van een agrarisch technisch hulpbedrijf of een aan de agrarische sector verwant bedrijf en de uitbreiding van paardenhouderijen en maneges. Toename van bebouwing ten behoeve van veehouderijen kan, in algemene zin, leiden tot uitbreiding van de veebezetting, tot een hogere ammoniakemissie en daarmee een hogere stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden. Toename van bebouwing van glastuinbouwbedrijven kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden. Voorts is niet uitgesloten dat de overige mogelijk gemaakte ontwikkelingen leiden tot een toename van de stikstofdepositie. Het is verder niet uitgesloten dat een dergelijke toename van de stikstofdepositie, als deze zich zou voordoen, leidt tot gevolgen van betekenis voor de habitats en soorten waarvoor de betrokken gebieden zijn aangewezen. Een planregeling die de hiervoor genoemde ontwikkelingen mogelijk maakt is in het licht van de artikelen 19g en 19j en volgende van de Nbw 1998 alleen aanvaardbaar als is verzekerd dat geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden zal optreden dan wel kan worden aangetoond dat aan de ADC-criteria, als bedoeld in artikel 19g van de Nbw 1998, is voldaan. De Afdeling ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of de in het plan vastgelegde regeling waarin als voorwaarde is gesteld dat stikstofneutraal wordt gebouwd, gebruikt dan wel gewerkt, en meer in het bijzonder artikel 1, lid 1.80, van de planregels, op dit punt de benodigde mate van zekerheid kan geven.

15.5.

De Afdeling stelt voorop dat de beoordeling of een plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden kan aantasten, dient plaats te vinden voorafgaand aan de vaststelling ervan.

15.6.

Met het besluit van 5 november 2015 heeft de raad beoogd om deels aan de bezwaren van de vereniging en andere tegemoet te komen door de planregels zodanig aan te passen dat de voorwaarde wordt gesteld dat zowel het bouwen als het gebruik stikstofneutraal plaatsvindt. Vast is komen te staan dat de raad hierin niet bij alle bepalingen waarin het begrip stikstofneutraal als voorwaarde is gesteld, is geslaagd. Dit geldt voor artikel 3, lid 3.3, onder f, sub 1, en lid 3.5, onder d, sub 6, artikel 4, lid 4.3, onder f, sub 1, en lid 4.6, onder d, sub 6, artikel 5, lid 5.3, onder g, sub 1, en lid 5.7, onder a, sub 3, en artikel 15, lid 15.3, van de planregels. In deze artikelen is niet consequent zowel het bouwen als het gebruik aan de voorwaarde van stikstofneutraliteit gekoppeld, terwijl bovendien in enkele bepalingen in plaats van over gebruik over ‘werken’ wordt gesproken, zonder dat duidelijk is waarom voor deze afwijkende terminologie is gekozen. De raad heeft echter beoogd steeds zowel de voorwaarden van stikstofneutraal bouwen als ook van stikstofneutraal gebruiken te stellen. Ter zitting heeft de raad de Afdeling verzocht om in zoverre zelf in de zaak te voorzien. In de navolgende overweging gaat de Afdeling uit van de planregels zoals deze in dat geval zouden komen te luiden.

15.7.

Vanwege de zinsnede "of via externe saldering dan wel er daardoor geen significante negatieve effecten op het betreffende gebied ontstaan" in artikel 1, lid 1.80, van de planregels staat de regeling in dit plan zoals hiervoor, onder 15.4, is beschreven en waarin het begrip stikstofneutraal als voorwaarde is opgenomen, niet in de weg aan een toename op bedrijfsniveau van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden waar reeds sprake is van een overbelaste situatie. In de passende beoordeling staat dat het plan in zoverre leidt tot een toename van de stikstofdepositie en mogelijk tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden. De planregeling strekt ertoe dat het college bij de beoordeling van een omgevingsvergunning voor bouwen dan wel bij de beoordeling van een wijzigingsplan moet beoordelen of de mogelijke toename van stikstofdepositie geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied met zich brengt, waarbij artikel 1, lid 1.80, van de planregels voorziet in de mogelijkheid van maatregelen op de locatie zelf of externe saldering. Nog daargelaten dat het begrip externe saldering in het plan niet is gedefinieerd, ontslaat een dergelijke regeling, anders dan de raad kennelijk veronderstelt, de raad niet van de verplichting om voorafgaand aan de vaststelling van het plan te beoordelen of een plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden kan aantasten. Nu de beoordeling of de ontwikkelingsmogelijkheden de natuurlijke kenmerken van de nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden kunnen aantasten niet voorafgaand aan de vaststelling van het plan heeft plaatsgevonden, is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998.

15.8.

Gelet op het voorgaande is gelet op de zinsnede "of via externe saldering dan wel er daardoor geen significante negatieve effecten op het betreffende gebied ontstaan" in artikel 1, lid 1.80, van de planregels in het plan onvoldoende gewaarborgd dat de voorziene ontwikkelingsmogelijkheden waarbij als voorwaarde is gesteld dat deze stikstofneutraal plaatsvinden niet leiden tot een toename van stikstofdepositie. Een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied is dan ook niet uitgesloten.

Het betoog slaagt.

15.9.

In hetgeen de vereniging en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover het betreft de zinsnede "of via externe saldering dan wel er daardoor geen significante negatieve effecten op het betreffende gebied ontstaan" in artikel 1, lid 1.80, van de planregels is genomen in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998. Voorts is het besluit van 5 november 2015 voor zover in artikel 3, lid 3.3, onder f, sub 1, en lid 3.5, onder d, sub 6, artikel 4, lid 4.3, onder f, sub 1, en lid 4.6, onder d, sub 6, artikel 5, lid 5.3, onder g, sub 1, en lid 5.7, onder a, sub 3, en artikel 15, lid 15.3, van de planregels niet is bepaald dat stikstofneutraal moet worden gebouwd en gebruikt vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998 en artikel 3:2 van de Awb. Het besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

15.10.

Voor zover de raad in zoverre heeft verzocht toepassing te geven aan de in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb gegeven bevoegdheid, ziet de Afdeling geen aanleiding om met toepassing van deze bepaling in dit geval zelf in de zaak te voorzien. Hierbij is van belang dat aannemelijk is dat derdebelanghebbenden daardoor in hun belangen zouden kunnen worden geschaad. De Afdeling ziet wel aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb zoals hierna vermeld. De Afdeling ziet voorts aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

hydrologie

16. De vereniging en andere betogen dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de mogelijke hydrologische effecten van een aantal mogelijkheden in het plan op Natura 2000-gebieden. Zij wijzen op de mogelijkheden voor de bouw en uitbreiding van permanente teeltondersteunende kassen tot een omvang van 5000 m². Voorts voorziet het plan in de wijzigingsbevoegdheid om het bouwvlak ten behoeve van permanente teeltondersteunende voorzieningen (hierna: tov) tot 3 ha uit te breiden. In het vorige plan was dit maximaal 1000 m². Het plan maakt het verder mogelijk buiten het bouwvlak tijdelijke tov te realiseren. Al deze bouwmogelijkheden kunnen volgens de vereniging en andere hydrologische gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. De vereniging en andere wijzen op het advies van de commissie m.e.r. van 5 september 2013. Anders dan de raad stelt, worden volgens de vereniging en andere significant verstorende effecten met het aanlegvergunningenstelsel in de planregels niet voorkomen doordat in artikel 26, lid 26.8.1, onder b, van de planregels als voorwaarde wordt gesteld dat de natuurlijke waarden niet in onevenredige mate worden aangetast. Een aantasting van deze kenmerken mag volgens de vereniging en andere in het geheel niet plaatsvinden. Voorts wijzen de vereniging en andere erop dat in artikel 26, lid 26.8.1, onder c, van de planregels een aantal werken en werkzaamheden van de vergunningenplicht is uitgesloten.

16.1.

De raad stelt dat in paragraaf 5.2.4 van de plantoelichting voldoende wordt ingegaan op het advies van de commissie m.e.r. De hydrologische effecten van de in het plan mogelijk gemaakte werkzaamheden zullen geen significant verstorende effecten hebben op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De raad wijst erop dat in een aanvulling op het plan-MER staat dat de effecten van tov op de hydrologie kleiner zijn dan de effecten van uitbreiding van veehouderijen en glastuinbouw die wel zijn onderzocht. Voorts stelt de raad dat in paragraaf 5.2.4 van de plantoelichting is ingegaan op de effecten van tov. Voor zover het plan via wijzigingsbevoegdheden mogelijkheden biedt voor uitbreidingen van het bouwvlak ten behoeve van permanente tov zijn hieraan voorwaarden verbonden ter bescherming van het landschap en de hydrologie. De tijdelijke tov zullen volgens de raad weinig tot geen effect hebben op het landschap vanwege hun tijdelijke aard. Deze zullen evenmin gevolgen hebben voor de hydrologie, nu het hemelwater bij tijdelijke tov door infiltratie wordt afgevoerd.

Voorts waarborgen de planregels voor de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur- en landschapswaarden", de dubbelbestemming "Attentiegebied EHS" en het vergunningenstelsel dat de activiteiten in het vergunningenstelsel niet kunnen leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Ulvenhoutse bos.

16.2.

In het advies van de commissie m.e.r. staat dat voor de habitattypen vochtige alluviale bossen en eikenhaagbeukenbossen, die beide voorkomen in het Ulvenhoutse bos, wijzigingen van de hydrologie significant verstorende effecten kunnen hebben. De commissie m.e.r. stelt dat in het plan-MER niet is ingegaan op de mogelijkheden die het plan biedt voor tijdelijke en permanente tov. Deze kunnen volgens de commissie m.e.r. gevolgen hebben voor de hydrologie.

tov

16.3.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, aanhef en onder a, en artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder a, van de planregels zijn tijdelijke tov binnen de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" bij recht buiten het bouwvlak toegestaan. Ingevolge artikel 5, lid 5.3, aanhef en onder d, van de planregels kunnen binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur- en landschapswaarden" door middel van een omgevingsvergunning voor afwijken tijdelijke tov buiten het bouwvlak worden toegestaan.

16.4.

In een nadere toelichting op het plan-MER staat dat de effecten van tov kleiner zijn dan de effecten van uitbreiding van veehouderijen en glastuinbouw die wel zijn onderzocht. In het deskundigenadvies en het advies van de commissie m.e.r. wordt dit onderschreven. Anders dan de vereniging en andere ter zitting hebben gesteld, is het deskundigenverslag nader onderbouwd op dit punt. In het deskundigenverslag staat dat tov wat betreft constructie lichter zijn dan agrarische bedrijfsgebouwen. De vereniging en andere hebben niet aannemelijk gemaakt dat de mogelijkheden die het plan biedt voor tov desondanks leiden tot meer effecten voor de hydrologie dan de effecten van de mogelijkheden die het plan biedt voor uitbreidingen van veehouderijen en glastuinbouw. In de passende beoordeling zijn de effecten beschreven voor de (uitbreiding van) agrarische bedrijven, inclusief glastuinbouw. De conclusie in de passende beoordeling is dat de agrarische ontwikkelingen in het plangebied geen invloed hebben op de lokale grondwaterstanden in het Ulvenhoutse bos en dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen via grond- of oppervlaktewater daarom zijn uitgesloten. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een specifiek onderzoek naar de effecten van tov die vergelijkbaar zijn met de effecten van (de uitbreiding van) veehouderijen en glastuinbouw niet noodzakelijk is.

16.5.

De commissie m.e.r. wijst er echter op dat tov in het plan ook buiten de bouwvlakken zijn toegestaan, waardoor ook buiten de bouwvlakken gevolgen voor de hydrologie kunnen optreden. De commissie m.e.r. adviseert om bij de vaststelling van het plan rekening te houden met deze effecten.

Voor zover de raad stelt dat tijdelijke tov vanwege hun tijdelijke aard geen gevolgen hebben voor de hydrologie en hierbij drainage van het hemelwater mogelijk is, overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 1, lid 1.82, van de planregels mogen tijdelijke tov gedurende maximaal 6 maanden van het jaar worden opgericht. De planregels bevatten echter geen beperking in het toegestane oppervlak dat deze tijdelijke tov mogen beslaan. Met de enkele stelling dat hemelwater bij tov via drainage kan worden afgevoerd, heeft de raad ten onrechte geconcludeerd dat op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat de mogelijkheden in het plan voor het oprichten van tijdelijke tov buiten het bouwvlak een verslechterend effect kunnen hebben op de kwaliteit van de natuurlijke habitats in een Natura 2000-gebied. Gelet hierop is evenmin uitgesloten dat het plan in zoverre significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende gebied. Voor zover in artikel 5, lid 5.3, aanhef onder d, van de planregels als voorwaarde is gesteld dat het bouwen van tijdelijke tov buiten het bouwvlak geen onevenredige effecten heeft of kan hebben op de aanwezige natuur- en landschapswaarden overweegt de Afdeling als volgt. Voor zover hiermee is beoogd te voorkomen dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden zullen worden aangetast, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van het plan dient te beoordelen of een plan de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied kan aantasten. Nu de beoordeling of de mogelijkheden in het plan voor het oprichten van tijdelijke tov buiten het bouwvlak de natuurlijke kenmerken van de nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden kunnen aantasten niet voorafgaand aan de vaststelling van het plan heeft plaatsgevonden, is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998.

Het betoog slaagt.

16.6.

In hetgeen de vereniging en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover het betreft de zinsnede "tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen" in artikel 3, lid 3.2, onder a, in artikel 4, lid 4.2, onder a, en in artikel 5, lid 5.3, onder d, van de planregels is genomen in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

16.7.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

vergunningenstelsel

17. Ingevolge artikel 4, lid 4.5, van de planregels is ten aanzien van het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden binnen de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" het bepaalde in artikel 26, lid 26.8.1, van toepassing.

Ingevolge artikel 5, lid 5.6, is ten aanzien van het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden binnen de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" het bepaalde in artikel 26, lid 26.8.1, van toepassing.

Ingevolge artikel 26, lid 26.8, onder 26.8.1, sub a, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders binnen de bestemde of nader aangeduide gebieden, onder verwijzing naar de tabel van omgevingsvergunningen en gebruiksverboden, de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren:

(…);

c. het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, allen dieper dan 0,30 meter;

(…);

h. het beplanten van gronden met opgaand houtgewas ten behoeve van sierteelt of boomteelt;

i. het permanent omzetten van grasland in bouwland;

j. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van vaarten, waterlopen, sloten en greppels.

Ingevolge het bepaalde sub b is een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 26.8.1, onder a, slechts toelaatbaar, indien door die werken en/of werkzaamheden de natuur- en landschappelijke waarden en de cultuurhistorische en archeologische waarden op deze gronden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate worden verkleind en indien een afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen het verkeersbelang, tot uitkomst heeft, dat een omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd dan wel de in geval van de aanwezigheid van boven- of ondergrondse leidingen de betreffende leidingbeheerder een positief advies heeft afgegeven.

17.1.

Zoals hiervoor, onder 13.3 staat, ligt het Ulvenhoutse bos in het plangebied. Ter plaatse komen de habitattypen beuken-eikenbossen met hulst en eiken-haagbeukenbossen voor, die gevoelig zijn voor vernatting. Ook het habitattype vochtig alluviale bossen, dat gevoelig is voor verdroging, komt voor in het Ulvenhoutse bos.

In het advies van de commissie m.e.r. staat dat activiteiten die ingevolge artikel 26, lid 26.8.1, van de planregels onder voorwaarden zijn toegestaan, zoals diepploegen, dempen van sloten en drainage, mogelijk gevolgen kunnen hebben voor de hydrologie. Ook ontwikkelingen als sierteelt, boomteelt en het omzetten van grasland in bouwland kunnen gevolgen hebben voor de hydrologie. Deze gevolgen zijn in het plan-MER evenwel niet beoordeeld. De commissie m.e.r. adviseert in een aanvulling op het plan-MER nader in te gaan op activiteiten met mogelijke gevolgen voor de waterhuishouding, daarvan de effecten te beschrijven voor gevoelige natuur (specifiek binnen het Natura 2000-gebied Ulvenhoutse bos) en in te gaan op eventueel benodigde mitigerende maatregelen. Wijzigingen in de waterhuishouding kunnen volgens de commissie m.e.r. aanzienlijke negatieve gevolgen hebben voor habitattypen die voor verdroging gevoelig zijn.

17.2.

In paragraaf 5.2.4. van de plantoelichting staat dat de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" de enige is in de omgeving van het Ulvenhoutse bos waarbinnen activiteiten zijn toegestaan die mogelijk negatieve hydrologische effecten hebben op het Ulvenhoutse Bos. De Afdeling stelt echter vast dat ook gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" liggen in de omgeving van het Ulvenhoutse bos en dat ook op deze gronden de eerder genoemde activiteiten uit het vergunningstelsel, al dan niet na verlening van een omgevingsvergunning, zijn toegestaan. De Afdeling stelt voorop dat de door de commissie m.e.r. genoemde activiteiten niet mogelijk worden gemaakt door het vergunningenstelsel, maar door de ruime bestemmingen "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden", die zich niet verzetten tegen deze activiteiten. De Afdeling ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of is uitgesloten dat het plan voor zover de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" zich niet verzetten tegen de activiteiten diepploegen, dempen van sloten, aanleggen van drainage, het beplanten van gronden met opgaand houtgewas ten behoeve van sierteelt of boomteelt en het omzetten van grasland in bouwland de kwaliteit van habitattypen in het nabijgelegen Natura 2000-gebied kan verslechteren of dat het plan in zoverre significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende gebied.

17.3.

Daar waar de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" direct langs het Ulvenhoutse bos is gelegen, ligt volgens de plantoelichting geen verdrogingsgevoelig habitattype. De vereniging en andere hebben dit ter zitting bestreden. Ook de Afdeling volgt de plantoelichting op dit punt niet. In de plantoelichting is een kaart opgenomen waarop de hiervoor, onder 17.1, genoemde habitattypen staan weergegeven. Daarop is een deel van de vochtige alluviale bossen omcirkeld dat in de nabijheid van landbouwgrond met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" ligt. Voorts liggen gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" in de nabijheid van dit habitattype. Gelet op het voorgaande is niet reeds vanwege de afstand tussen de gronden met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de verdrogingsgevoelige habitattypen uitgesloten dat ten gevolge van de genoemde activiteiten in het vergunningenstelsel de kwaliteit van verdrogingsgevoelige habitats kan verslechteren. Voor zover in de plantoelichting staat dat vernatting als gevolg van activiteiten uit het vergunningenstelsel in de directe omgeving van het Ulvenhoutse bos niet wordt verwacht, overweegt de Afdeling dat deze stelling niet is onderbouwd. Met deze enkele stelling is naar het oordeel van de Afdeling dan ook niet uitgesloten dat de activiteiten diepploegen, dempen van sloten, aanleggen van drainage, het beplanten van gronden met opgaand houtgewas ten behoeve van sierteelt of boomteelt en het omzetten van grasland in bouwland wegens negatieve hydrologische effecten op de hiervoor gevoelige habitattypen de kwaliteit van deze habitattypen niet kunnen verslechteren.

17.4.

Gelet op het voorgaande is evenmin uitgesloten dat het plan in zoverre significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende gebied. Voor zover de raad stelt dat de planregels voor de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden", de dubbelbestemming "Attentiegebied EHS" en het vergunningenstelsel waarborgen dat de activiteiten in het vergunningenstelsel niet kunnen leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Ulvenhoutse bos, overweegt de Afdeling als volgt.

Zoals de Afdeling hiervoor, onder 17.2, heeft overwogen, liggen ook gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" in de omgeving van het Ulvenhoutse bos en zijn ook op deze gronden de eerder genoemde activiteiten toegestaan. De Afdeling zal daarom ook bezien of de planregels voor deze bestemming waarborgen dat de activiteiten in het vergunningenstelsel niet kunnen leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Ulvenhoutse bos.

De Afdeling stelt vast dat in artikel 4, lid 4.5, artikel 5, lid 5.6, en artikel 22, lid 22.3, van de planregels wordt verwezen naar het vergunningenstelsel dat is neergelegd in artikel 26, lid 26.8, onder 26.8.1. Blijkens de toelichting van de raad ter zitting is met artikel 26, lid 26.8, onder 26.8.1, aanhef en sub b, beoogd dat het college bij de beoordeling van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of van werkzaamheden in het vergunningenstelsel moet beoordelen of de aangevraagde uitvoering van een werk of werkzaamheden geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied met zich brengt. Nog daargelaten de vraag of artikel 26, lid 26.8, onder 26.8.1, aanhef en sub b, van de planregels gelet op de redactie daarvan het college tot deze beoordeling verplicht, ontslaat een dergelijke regeling, anders dan de raad kennelijk veronderstelt, de raad niet van de verplichting om voorafgaand aan de vaststelling van het plan te beoordelen of een plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden kan aantasten. Nu de beoordeling of de activiteiten diepploegen, dempen van sloten, aanleggen van drainage, het beplanten van gronden met opgaand houtgewas ten behoeve van sierteelt of boomteelt en het omzetten van grasland in bouwland de natuurlijke kenmerken van de nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden kunnen aantasten niet voorafgaand aan de vaststelling van het plan heeft plaatsgevonden, is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998.

17.5.

Gelet op het voorgaande slaagt het betoog.

17.6.

In hetgeen de vereniging en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" zich niet verzetten tegen de activiteiten diepploegen, dempen van sloten, aanleggen van drainage, het beplanten van gronden met opgaand houtgewas ten behoeve van sierteelt of boomteelt en het omzetten van grasland in bouwland is vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. De Afdeling ziet voorts aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. De Afdeling ziet voorts aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb zoals hierna vermeld. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. Deze voorlopige voorziening strekt ertoe dat tot de inwerkingtreding van een door de raad nieuw te nemen besluit ter plaatse van de gronden met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" de activiteiten diepploegen, dempen van sloten, aanleggen van drainage, het beplanten van gronden met opgaand houtgewas ten behoeve van sierteelt of boomteelt en het omzetten van grasland in bouwland niet zijn toegestaan.

17.7.

Het voorgaande betekent dat tot aan de inwerkingtreding van een door de raad nieuw te nemen besluit op basis van het bestemmingsplan geen aanlegvergunning kan worden verleend voor de activiteiten diepploegen, dempen van sloten, aanleggen van drainage, het beplanten van gronden met opgaand houtgewas ten behoeve van sierteelt of boomteelt en het omzetten van grasland in bouwland ter plaatse van gronden met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden", omdat deze bestemmingen zich na de vernietiging van de Afdeling hiertegen verzetten.

Verordening 2014

18. De vereniging en andere betogen voorts dat het plan op onderdelen in strijd is met de Verordening ruimte 2014 van Noord-Brabant (hierna: Verordening 2014). Deze gronden zal de Afdeling hierna bespreken.

veehouderijen

19. Volgens de vereniging en andere zijn de bouwmogelijkheden voor veehouderijen in het plan ten onrechte niet getoetst aan artikel 34 van de Verordening 2014. Voorts ziet het bouwverbod voor veehouderijen ten onrechte alleen op de veehouderijen die liggen in het gebied met de aanduiding "overige zone - beperkingen veehouderij". De voorwaarde dat maximaal één bouwlaag mag worden gebouwd, geldt volgens de vereniging en andere ten onrechte alleen voor intensieve veehouderijen. Voorts dienden de artikelen 6.3, tweede lid, en 7.3, tweede lid, van de Verordening 2014, voor zover deze bepalingen zien op bestaande veehouderijen, volgens hen in het plan te worden overgenomen. In artikel 3, lid 3.3 en lid 3.5, artikel 4, lid 4.3 en lid 4.6, en artikel 5, lid 5.3 en lid 5.7, van de planregels is uitsluitend de maximale kans op cumulatieve geurhinder opgenomen die ingevolge de Verordening 2014 geldt in het buitengebied is en niet tevens de maximale kans die geldt binnen de bebouwde kom. De vereniging en andere betogen dat in deze planregels voorts ten onrechte niet is bepaald dat veehouderijen een bouwperceel van maximaal 1,5 ha mogen hebben. Voorts is volgens de vereniging en andere in de planregels ten onrechte niet opgenomen dat bij een vergroting van het bouwvlak 10% van het bouwvlak van een veehouderij uit landschappelijke inpassing moet bestaan. De wijzigingsbevoegdheden die in deze mogelijkheden voorzien, vallen in de Landschapsinvesteringsregeling gemeente Breda (hierna: Lir) onder categorie 3 en deze categorie is van de verplichting tot het realiseren van een landschappelijke inpassing uitgesloten.

19.1.

De raad stelt dat de planregeling die ziet op veehouderijen, zoals die is komen te luiden na de vaststelling van het besluit van 5 november 2015 voldoet aan de Verordening 2014. Ter zitting heeft de raad gesteld dat de maximale kans op een cumulatieve geurhinder van 12% in de Verordening 2014 alleen geldt voor bedrijven die liggen binnen de bebouwde kom en daarom in dit plan niet is opgenomen. Voorts heeft de raad erop gewezen dat er maar drie intensieve veehouderijen zijn in het plangebied.

19.2.

Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 7.3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening 2014 kan een bestemmingsplan gelegen in de groenblauwe mantel onderscheidenlijk in gemengd landelijk gebied voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij mits het bouwperceel ten hoogste 1,5 ha bedraagt.

Ingevolge artikel 6.3, tweede lid, aanhef en onder a, aanhef en onder III, en artikel 7.3, tweede lid, aanhef en onder a, aanhef en onder III, van de Verordening 2014 bepaalt een bestemmingplan gelegen in de groenblauwe mantel onderscheidenlijk in gemengd landelijk gebied voor een bestaande veehouderij dat een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen alleen is toegestaan indien is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, gelden tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 6.3, tweede lid, en artikel 7.3, tweede lid, de in deze bepaling genoemde voorwaardelijke bepalingen.

19.3.

In artikel 3, lid 3.3, aanhef en onder f, artikel 4, lid 4.3, aanhef en onder f, en artikel 5, lid 5.3, aanhef en onder g, van de planregels zijn afwijkingsbevoegdheden opgenomen ten behoeve van het bouwen of verbouwen of de omschakeling naar een veehouderij, waarbij in het bepaalde onder 4 van deze bepalingen als voorwaarde is opgenomen dat de bouw, verbouw of uitbreiding van gebouwen, voor de uitbreiding van of omschakeling naar een veehouderij, alleen is toegestaan als is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder op geurgevoelige objecten niet hoger is dan 20% tenzij er - indien de achtergrondbelasting hoger is - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding hiervan compenseert.

In artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder a, artikel 4, lid 4.6, aanhef en onder a, en artikel 5, lid 5.7, aanhef en onder a, zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen ten behoeve van het vergroten of veranderen van de vorm van het bouwvlak, waarbij in het bepaalde onder 8 dan wel 4 van deze bepalingen als voorwaarde is opgenomen dat de vergroting of vormverandering van het bouwvlak voor veehouderijen alleen is toegestaan als is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder op geurgevoelige objecten niet hoger is dan 20% tenzij er - indien de achtergrondbelasting hoger is - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding hiervan compenseert.

19.4.

De Afdeling overweegt dat artikel 34 van de Verordening 2014 rechtstreeks werkende regels bevat. Deze regels gelden als toetsingskader voor omgevingsvergunningen die moeten worden getoetst aan een bestemmingsplan dat nog niet in overeenstemming is met de Verordening 2014. Dit staat ook zo beschreven in de toelichting op artikel 34. Deze bepaling is niet van toepassing op het bestemmingsplan. Reeds hierom hoefde de raad het plan niet te toetsen aan artikel 34.

19.5.

De raad heeft het plan bij besluit van 5 november 2015 zodanig aangepast dat ingevolge de artikelen 3, lid 3.2, aanhef en onder b, en 4, lid 4.2, aanhef en onder b, van de planregels er niet gebouwd mag worden ten behoeve van een veehouderij. Dit verbod is, in tegenstelling tot het besluit van 18 december 2014, niet meer beperkt tot veehouderijen die liggen in het gebied met de aanduiding "overige zone - beperkingen veehouderij". Daarnaast heeft de raad het plan bij besluit van 5 november 2015 zodanig aangepast dat ingevolge de artikelen 3, lid 3.2, aanhef en onder c, en 4, lid 4.2, aanhef en onder c, van de planregels bij veehouderijen de dieren slechts in één bouwlaag mogen worden gehuisvest. Deze bepaling is, in tegenstelling tot het besluit van 18 december 2014, niet meer beperkt tot intensieve veehouderijen.

Met het voorgaande is de raad op deze punten aan het beroep van de vereniging en andere tegemoet gekomen, zodat het beroep van rechtswege in zoverre geen betrekking heeft op het besluit van 5 november 2015.

19.6.

De Afdeling overweegt voorts dat geen verplichting bestaat om de artikelen 6.3, tweede lid, en 7.3, tweede lid, van de Verordening 2014 letterlijk over te nemen in de planregels. Wel dient het plan aan de voorwaarden in deze bepalingen te voldoen.

Het plangebied ligt in het bij de Verordening 2014 horende kaartmateriaal grotendeels in de groenblauwe mantel en gemengd landelijk gebied. In de hiervoor, onder 19.3, genoemde planregels is voor bestaande veehouderijen dan ook ten onrechte niet bepaald dat een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen alleen is toegestaan indien is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12%. Voor zover de raad ter zitting heeft gesteld dat in het plangebied geen veehouderijen liggen in de nabijheid van de bebouwde kom overweegt de Afdeling dat het plangebied aan de noordzijde en noordoostzijde grenst aan de kom van Breda. Voorts wordt het dorp Ulvenhout omringd door het plangebied. De Afdeling stelt vast dat de vereniging en andere er ter zitting terecht op hebben gewezen dat er in elk geval veehouderijen liggen in de nabijheid van de kom van Ulvenhout. Voorts is in de hiervoor, onder 19.3, genoemde afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden in de planregels ten onrechte niet bepaald dat het bouwperceel zoals bedoeld in de Verordening 2014 ten hoogste 1,5 ha bedraagt.

Het betoog slaagt.

19.7.

Over de in de Verordening 2014 vereiste landschappelijke inpassing van 10% overweegt de Afdeling als volgt. In de wijzigingsbevoegdheden in de artikelen 3.5 en 4.6 is vereist dat voor het vergroten en/of veranderen van de vorm van de aanduiding "bouwvlak" wordt voldaan aan de Lir, die als bijlage 2 bij de planregels is gevoegd. De Lir maakt daarmee deel uit van een bindend onderdeel van het plan. Onder categorie 3 van de Lir wordt verstaan: alle ruimtelijke ontwikkelingen welke mogelijk worden gemaakt via met name een wijzigingsplan of een bestemmingsplanherziening, tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie. In hoofdstuk 7 van de Lir staat een indeling in categorieën van de meest voorkomende ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. De in hoofdstuk 2 beschreven indeling in 3 categorieën is in dit hoofdstuk uitgewerkt en geconcretiseerd naar type ontwikkeling en tegenprestatie. Onder categorie 2 staat hier genoemd: Uitbreiding van een intensieve veehouderij tot 1,5 ha waarbij 10% van het bouwvlak wordt aangewend voor landschappelijke inpassing. Gelet hierop mist het betoog van de vereniging en andere dat in het plan ten onrechte niet is opgenomen dat bij een vergroting van de vorm van het bouwvlak van een veehouderij tot 1,5 10% van het bouwvlak uit landschappelijke inpassing moet bestaan, feitelijke grondslag.

Het betoog faalt.

19.8.

In hetgeen de vereniging en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover in artikel 3, lid 3.3, onder f, en lid 3.5, onder a, artikel 4, lid 4.3, onder f, en lid 4.6, onder a, en artikel 5, lid 5.3, onder g, en lid 5.7, onder a, van de planregels niet als voorwaarde is opgenomen dat is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 20% tenzij er - indien de achtergrondbelasting hoger is - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding hiervan compenseert en niet is bepaald dat het bouwperceel zoals bedoeld in de Verordening 2014 ten hoogste 1,5 ha bedraagt, is vastgesteld in strijd met artikel 6.3, tweede lid, aanhef en onder a, aanhef en onder III, en artikel 7.3, tweede lid, aanhef en onder a, aanhef en onder III, van de Verordening 2014. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

19.9.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

glastuinbouw

20. De vereniging en andere kunnen zich niet verenigen met het het plan voor zover het voorziet in de mogelijkheid bouwvlakken met de aanduiding "glastuinbouw" in de groenblauwe mantel uit te breiden tot een oppervlakte van 3 ha. Het plan is volgens hen in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 6.5, eerste lid, van de Verordening 2014.

20.1.

De raad onderkent dat het plan in zoverre niet in overeenstemming is met de Verordening 2014, maar stelt hiervoor in paragraaf 4.2.9 van de plantoelichting een verantwoording te hebben gegeven. In deze pagagraaf staat dat met name in Het Lies en De Rith veel glastuinbouwbedrijven aanwezig zijn die daar in de jaren ’90, toen het gebied nog werd gekenmerkt als primair agrarisch gebied, zijn gevestigd en uitgebreid. In de Verordening 2014 zijn deze gebieden aangeduid als groenblauwe mantel. Gelet op de ontstaansgeschiedenis van de bestaande bedrijven in dit gebied heeft de raad ervoor gekozen om ook glastuinbouwbedrijven die zijn gevestigd op de voor "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aangewezen gronden de mogelijkheid te bieden om uit te breiden naar 3 ha. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het aanmerken van Het Lies en De Rith als groenblauwe mantel op zichzelf juist is, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitbreidingsmogelijkheden die een zestal bedrijven in deze gebieden onder het vorige plan nog hadden hiermee onvoldoende worden gerespecteerd.

20.2.

Ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van de Verordening 2014 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel dat uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf niet zijn toegestaan.

20.3.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor duurzaam agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening met dien verstande dat glastuinbouwbedrijven uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw" zijn toegestaan.

Ingevolge lid 4.2, aanhef en onder b, mogen op of in de tot "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de genoemde bestemming, met dien verstande dat niet gebouwd mag worden ten behoeve van de uitbreiding van glasopstanden.

Ingevolge artikel 4, lid 4.3, aanhef en onder f, aanhef en sub 3, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2, onder b, mits wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd voor de bouw of uitbreiding van kassen met dien verstande dat de bouw of uitbreiding van kassen groter dan 5000 m² uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw" en tot een netto glasoppervlak van maximaal 3 ha.

Ingevolge lid 4.6, aanhef en onder a, aanhef en sub 1, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening en met inachtneming van het bepaalde in artikel 26, lid 26.7, van dit plan en wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd voor het vergroten en/of veranderen van de vorm van de aanduiding bouwvlak, met uitzondering van de bouwvlakken ter plaatse van de aanduiding "wonen uitgesloten", met dien verstande dat de oppervlakte van een bouwvlak niet groter wordt dan 1,5 ha met uitzondering ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw" waar de oppervlakte van het bouwvlak nooit meer dan 3,5 ha mag gaan bedragen waarbinnen maximaal 3 ha netto glasoppervlak is toegestaan.

20.4.

In paragraaf 6.2.2 van de plantoelichting staat dat de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" is toegekend aan al het agrarische gebied waar bijzondere landschappelijke waarden aanwezig zijn maar dat niet gekenmerkt wordt door bijzondere natuurwaarden. Binnen de Verordening 2014, zo staat in de plantoelichting, zijn deze gronden aangeduid als groenblauwe mantel. Hoofdstuk 4 van de planregels bevat bepalingen voor de voor "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" aangewezen gronden. De Afdeling stelt vast dat ingevolge artikel 4, lid 4.3, onder f, en lid 4.6, aanhef en sub 1, van de planregels uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in de groenblauwe mantel, na toepassing van een afwijkingsbevoegdheid en na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid, is toegestaan in het plan. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 6.5, eerste lid, van de Verordening 2014. De verantwoording voor deze strijdigheid in de plantoelichting en van de raad ter zitting doet hier niet aan af, nu artikel 6.5, eerste lid, dwingend is geformuleerd en de raad geen beslissingsruimte geeft bij de vertaling hiervan in een bestemmingsplan.

Het betoog slaagt.

20.5.

In hetgeen de vereniging en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover het betreft de zinsnede "of de bouw of uitbreiding van kassen" in de aanhef van artikel 4, lid 4.3, onder f, van de planregels voor zover deze bepaling ziet op gronden binnen de groenblauwe mantel is vastgesteld in strijd met artikel 6.5, eerste lid, van de Verordening 2014. Voorts is artikel 4, lid 4.6, onder a, sub 1, van de planregels voor zover deze bepaling ziet op bouwvlakken met de aanduiding "glastuinbouw" en voor zover het betreft de zinsnede "ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw" waar de oppervlakte van het bouwvlak nooit meer dan 3,5 ha mag gaan bedragen waarbinnen maximaal 3 ha netto glasoppervlak is toegestaan" in deze bepaling, voor zover deze ziet op gronden binnen de groenblauwe mantel, vastgesteld in strijd met artikel 6.5, eerste lid, van de Verordening 2014. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

20.6.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

tov

21. Volgens de vereniging en andere voorziet het plan ten onrechte in de mogelijkheid om bouwvlakken te vergroten ten behoeve van het oprichten van permanente tov tot maximaal 3 ha. Omdat deze mogelijkheid in het vorige plan was beperkt tot 1.000 m², leidt dit volgens hen tot een onaanvaardbare aantasting van het landschap. Hierbij is volgens de vereniging en andere van belang dat de maximale hoogte van permanente tov 3 m bedraagt. Het bepaalde in artikel 4, lid 4.6, aanhef en onder a, sub 6, van de planregels ziet op de aanvaardbaarheid van het individuele bouwvlak, maar niet op het volledige landschap in het buitengebied. De vereniging en andere stellen dat het plan in zovere niet strekt tot het behoud van de landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel, als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2014. Voorts is het plan in zoverre in strijd met de gemeentelijke Structuurvisie 2030 van Breda waarin landschapsverbetering en verbrede landbouw als doelen zijn gesteld.

21.1.

De raad stelt dat de mogelijkheden in het vorige bestemmingsplan dat gold voor de gronden die in het thans voorliggende plan zijn aangewezen voor "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" voor permanente tov veel ruimere mogelijkheden bood.

21.2.

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2014 strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

21.3.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2, van de planregels mogen op of in de tot "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de genoemde bestemming, met dien verstande dat:

a. alle bebouwing uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" is toegestaan, met uitzondering van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, terreinafscheidingen en voorzieningen ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik;

(…)

i. de bouwhoogte van gebouwen maximaal 10 meter mag bedragen met uitzondering van kassen, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter mag bedragen, en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen waarvan de bouwhoogte maximaal 3 meter mag bedragen.

Ingevolge lid 4.6, aanhef en onder a, sub 1, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro en met inachtneming van het bepaalde in artikel 26, lid 26.7, van dit plan en wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd voor het vergroten en/of veranderen van de vorm van de aanduiding bouwvlak, met uitzondering van de bouwvlakken ter plaatse van de aanduiding "wonen uitgesloten", met dien verstande dat de oppervlakte van een bouwvlak niet groter wordt dan 1,5 ha met uitzondering van het vergroten van bouwvlakken ten behoeve van het oprichten van permanente teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde kassen of tunnels, waar de oppervlakte van het bouwvlak maximaal 3 ha mag gaan bedragen.

Ingevolge het bepaalde sub 6 geldt als voorwaarde voor uitbreiding van het bouwvlak dat deze verantwoord is vanuit natuurlijk, landschappelijk, cultuurhistorisch, water- en bodemhuishoudkundig of milieuhygiënische oogpunt.

21.4.

Bij haar uitspraak van 2 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3150 heeft de Afdeling het besluit van de raad van 24 september 2009 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid" onder meer vernietigd voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - landschapswaarden". Gelet hierop is het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid" uit 1992 voor de gronden met deze bestemmingen het vorige geldende plan. In dit plan zijn geen beperkingen opgenomen voor het oprichten van permanente tov. Het thans voorliggende plan maakt het mogelijk om met gebruikmaking van een wijzigingsbevoegdheid het bouwvlak te vergroten tot maximaal 3 ha ten behoeve van permanente tov, niet zijnde kassen of tunnels. Deze mogelijkheid is voorzien in artikel 4, lid 4.6, aanhef en onder a, sub 1, van de planregels. De raad stelt dat vanuit de agrarische sector vraag is naar de mogelijkheid voor permanente tov in de vorm van containervelden of stellingen buiten het bouwvlak. In deze mogelijkheid heeft de raad met genoemde wijzigingsbevoegdheden willen voorzien. Dit acht de Afdeling op zichzelf niet onredelijk. Voorts dient bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden te worden voldaan aan de Lir en geldt ingevolge artikel en 4.6, aanhef en onder a, sub 6, van de planregels als voorwaarde dat de uitbreiding van het bouwvlak vanuit landschappelijk oogpunt verantwoord is. Over het betoog dat het bepaalde in artikel 4, lid 4.6, aanhef en onder a, sub 6, van de planregels ziet op de aanvaardbaarheid van het individuele bouwvlak, maar niet op het volledige landschap in het buitengebied overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat vanwege de vermindering van het aantal agrarische bedrijven thans nog maar een beperkt aantal bedrijven in het plangebied aanwezig is van ongeveer 30 à 40 ha groot. De raad stelt zich op het standpunt dat mede gelet hierop ook de maximale invulling van het plan in zoverre aanvaardbaar is. Dit standpunt acht de Afdeling niet onredelijk. Verder geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor de toegekende maximale bouwhoogte heeft kunnen kiezen.

Voorts overweegt de Afdeling dat de plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" grotendeels liggen in de groenblauwe mantel. In paragraaf 4.2.5.1 van de plantoelichting staat dat de actuele waarden zijn beschermd in de planregels en het vergunningstelsel. Ingevolge artikel 4.6, aanhef en onder a, sub 6, van de planregels dient te worden aangetoond dat de uitbreiding van het bouwvlak onder meer verantwoord is vanuit natuurlijk, landschappelijk, water- en bodemhuishoudkundig of milieuhygiënisch oogpunt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de groenblauwe mantel in het plan in zoverre voldoende is beschermd, zoals bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2014.

Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de landschappelijke waarden binnen de gronden met de bestemming "Agrarisch - met waarden" bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.6, van de planregels voldoende worden beschermd.

21.5.

Wat betreft de Structuurvisie 2030 stelt de raad zich op het standpunt dat het plan hiermee niet in strijd is, omdat deze niet alleen ziet op landschapsverbetering en verbrede landbouw, maar ook ruimte geeft aan agrarische bedrijven in het landelijk gebied. Hiermee is het plan volgens de raad niet in strijd. De vereniging en andere hebben dit niet gemotiveerd bestreden.

21.6.

Gelet op het voorgaande faalt het betoog.

[locatie 2]

22. De vereniging en andere betogen dat het plan voor de manege aan de [locatie 2] in Breda ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om uit te breiden tot 1,5 ha. Volgens hen is niet duidelijk of wordt voldaan aan artikel 6.10, derde lid, onder a, c en d, van de Verordening 2014. Voorts is de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap volgens de vereniging en andere ten onrechte niet gewaarborgd in het plan. Zij wijzen erop dat de anterieure overeenkomst tussen het gemeentebestuur en A.J. Investments, de eigenaar van het perceel [locatie 2], over de aanleg van de landschappelijke inpassing voor derden niet afdwingbaar is. Het voorgaande is volgens de vereniging en andere voorts in strijd met artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening 2014. Voor zover voor de kwaliteitsverbetering van het landschap in de plantoelichting wordt verwezen naar de Lir, stellen zij dat dit er niet aan af doet dat de ontwikkeling aan de [locatie 2] gepaard moet gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap en dat dit moet worden gewaarborgd in het plan. De vereniging en andere wijzen op de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3105.

22.1.

De raad stelt dat met A.J. Investments een anterieure overeenkomst is gesloten waarin is bepaald dat de kwaliteitsverbetering van het landschap moet worden gerealiseerd. Voorts is aan het deel van het plandeel [locatie 2] waar deze kwaliteitsverbetering moet worden gerealiseerd de bestemming "Natuur" toegekend.

22.2.

Het plandeel aan de [locatie 2] ligt in het bij de Verordening 2014 behorende kaartmateriaal in de groenblauwe mantel. Ten tijde van de vaststelling van het besluit van 5 november 2015 gold de Verordening 2014 zoals deze is vastgesteld op 15 juli 2014. Daarbij is artikel 6.10 vernummerd. Hierna staan de bepalingen weergegeven die corresponderen met de door de vereniging en andere genoemde bepalingen.

Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening 2014 bepaalt een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid een verantwoording van de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd.

Ingevolge het vierde lid wordt het bestemmingsplan indien een kwaliteitsverbetering als bedoeld in het eerste lid niet is verzekerd, slechts vastgesteld indien een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd en wordt over de werking van dat fonds regelmatig verslag gedaan in het regionaal ruimtelijk overleg.

Ingevolge het vijfde lid kan in afwijking van het bepaalde in dit artikel de toelichting van een bestemmingsplan een verantwoording bevatten over de wijze waarop de afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap, die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg, bedoeld in artikel 37.4, onder b, worden nagekomen.

Ingevolge artikel 6.10, eerste lid, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, anders dan bepaald in de artikelen 6.7 tot en met artikel 6.9 mits aan de voorwaarden in die bepaling wordt voldaan.

Ingevolge het derde lid kan een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid, onder a, d en i, voorzien in een uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie, mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat:

a. de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang en/of bestaande aantallen bezoekers/overnachtingen;

(…)

c. de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken;

d. de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de op grond van artikel 3.1 vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit.

22.3.

Aan het plandeel aan de [locatie 2] zijn de bestemmingen "Natuur" en "Sport" en de aanduidingen "manege", "bouwvlak" en "maximum bebouwd oppervlak (m2) = 5000" toegekend.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de duurzame instandhouding van natuurgebieden;

b. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de aan de natuurgebieden eigen zijnde natuur- en hydrologische waarden;

c. behoud of versterking van de landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden;

d. ter plaatse van de aanduidingen "wro-zone - zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen" , "wro-zone - zoekgebied voor ecologische verbindingszone" tevens daarvoor;

e. verspreid liggende legale bebouwing zoals die aanwezig is ten tijde van het als ontwerp ter inzage leggen van dit plan;

f. ter plaatse van de aanduiding "ijsbaan" tevens als ijsbaan;

g. extensief recreatief medegebruik

Ingevolge artikel 15, lid 15.1, aanhef en onder c, van de planregels zijn de voor "Sport" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "manege" uitsluitend bestemd voor manege.

Ingevolge lid 15.2, aanhef en onder a, mogen op of in de tot "Sport" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat gebouwen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" mogen worden gebouwd.

Ingevolge het bepaalde onder b mag ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage" uitsluitend dat percentage van het bouwvlak bebouwd worden met gebouwen en ter plaatse van de aanduiding "maximum oppervlakte" uitsluitend de genoemde oppervlakte bebouwd mag worden.

Ingevolge het bepaalde onder e mag ter plaatse van de aanduiding "manege" niet gebouwd worden ten behoeve van de uitbreiding van de aantallen dieren.

22.4.

Met het plan is beoogd een bestaande paardenbak op het perceel [locatie 2] voor het eerst als zodanig te bestemmen en uitbreidingsruimte te bieden voor het realiseren van een nieuwe binnenbak. A.J. Investments B.V. is eigenaar van het perceel [locatie 2] en [belanghebbende E] en [belanghebbende F] exploiteren de manege op het perceel. De binnenbak is volgens hen nodig omdat de huidige capaciteit voor het binnenrijden onvoldoende is. A.J. Investments stelt dat met het realiseren van een tweede binnenbak ook tijdens groepslessen binnen gereden kan worden met pensionpaarden. Zij wenst geen uitbreiding van het aantal paarden.

22.5.

Het bestemmingsvlak "Sport" is ongeveer 1,5 ha groot. Anders dan de vereniging en andere kennelijk veronderstellen, voorziet het plan niet in de mogelijkheid voor de manege om de bebouwing uit te breiden tot 1,5 ha. Ingevolge artikel 15, lid 15.2, aanhef en onder a, van de planregels mag namelijk alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd. De bestaande bebouwing op het perceel [locatie 2] heeft een oppervlak van 3.000 m². Omdat een maximaal bebouwingsoppervlak van 5.000 m² is opgenomen in de verbeelding en het bouwvlak ongeveer 7.500 m² is, kan bij recht binnen het bouwvlak nog 2.000 m² aan bebouwing worden opgericht. Dit betreft een uitbreiding van 66%. De Afdeling stelt vast dat in de plantoelichting geen verantwoording wordt gegeven waaruit blijkt dat deze uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang en/of bestaande aantal bezoekers, de ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken en de beoogde uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit. Gelet hierop is het plandeel aan de [locatie 2] in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 6.10, derde lid, aanhef en onder a, c en d, van de Verordening 2014. Het betoog slaagt.

22.6.

In hetgeen de vereniging en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Sport" aan de [locatie 2] is genomen in strijd met artikel 6.10, tweede lid, aanhef en onder a, c en d, van de Verordening 2014. Het beroep is gegrond, zodat het besluit van 5 november 2015 in zoverre dient te worden vernietigd. Nu hetzelfde gebrek kleeft aan het besluit van 18 december 2014 dient ook dat besluit in zoverre te worden vernietigd.

22.7.

De Afdeling ziet evenwel aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb gedeeltelijk in stand kunnen worden gelaten en overweegt hiertoe dat de raad in zijn zienswijze op het deskundigenverslag is ingegaan op de voorwaarden zoals gesteld in artikel 6.10, tweede lid, aanhef en onder a, c en d, van de Verordening 2014.

22.8.

De raad stelt zich in de zienswijze op het deskundigenverslag op het standpunt dat de ontwikkeling in verhouding staat tot de bestaande situatie, nu 2.000 m² aan bebouwing wordt toegevoegd aan de bestaande 3.000 m² en gelet op de minimale oppervlakte die een binnenbak moet hebben. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. De raad stelt voorts dat het aantal dieren niet wordt uitgebreid en de bezoekersaantallen daarom slechts marginaal zullen toenemen. Nu een uitbreiding van het aantal dieren ingevolge artikel 15, lid 15.2, aanhef en onder e, van de planregels niet is toegestaan, komt dit de Afdeling niet onwaarschijnlijk voor.

Voorts stelt de raad dat de landschappelijke waarden met name bestaan uit de beekdalen van de Broekloop en Bavelse Leij en het nabijgelegen Ulvenhoutse Bos. Deze waarden worden volgens de raad beschermd met de dubbelbestemming "attentiegebied ecologische hoofdstructuur". Deze bestemming is bijna aan het volledige perceel toegekend. Ingevolge artikel 22, lid 22.2, van de planregels mag in afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen (basisbestemming) binnen deze bestemming slechts worden gebouwd indien direct of indirect door het treffen van maatregelen geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de hydrologische waarden hetgeen aangetoond dient te worden middels een watertoetsadvies van het Waterschap Brabantse Delta. Naar het oordeel van de Afdeling is de voorwaarde in artikel 22, lid 22.2, van de planregels dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de hydrologische waarden onvoldoende om te kunnen spreken van een door de Verordening 2014 voorgeschreven positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Ook anderszins is in de toelichting geen verantwoording gegeven waaruit blijkt dat de ontwikkeling aan de [locatie 2] gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Het betoog slaagt.

22.9.

Over de vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit overweegt de Afdeling als volgt. Voor zover de vereniging en andere hebben gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015, overweegt de Afdeling dat in het daar aan de orde gestelde bestemmingsplan niet de Lir, maar een regionaal afsprakenkader integraal als bijlage aan de planregels was toegevoegd. Daarmee was de kwaliteitsverbetering naar het oordeel van de Afdeling niet gewaarborgd.

In de plantoelichting staat dat op regionaal niveau in overleg met de provincie afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de in de Verordening 2014 vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap. Om met name de landschappelijke inpassing verder handen en voeten te geven, zo staat in de plantoelichting, is de Lir opgesteld en deze is als bijlage bij de planregels gevoegd. Hiermee bevat de plantoelichting in overeenstemming met artikel 3.2, vijfde lid, van de Verordening 2014 een verantwoording over de wijze waarop de afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg, worden nagekomen. De kwaliteitsverbetering dient ingevolge artikel 3.2, eerste lid, echter wel in het plan te zijn gewaarborgd. Dit volgt ook uit de toelichting bij het vijfde lid van deze bepaling. Hierin staat dat kan worden verwezen naar afspraken die zijn gemaakt in het kader van het regionaal overleg, maar dat het daarbij nog steeds nodig is dat conform de gemaakte afspraken de kwaliteitsverbetering bij concrete ontwikkelingen in het bestemmingsplan wordt geborgd. In de Lir wordt uitgegaan van een indeling in drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen waarbij per categorie is beschreven hoe de kwaliteit van het landschap moet worden verbeterd. Voor de ruimtelijke ontwikkeling aan de [locatie 2], waarin het plan bij recht voorziet, is in het plan echter niet gewaarborgd dat de kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld met een verwijzing in de planregels naar de Lir. Dat met A.J. Investments een anterieure overeenkomst is afgesloten is daarvoor onvoldoende. Voorts is het opnemen van de bestemming "Natuur" onvoldoende, nu met deze bestemming de landschappelijke kwaliteitsverbetering niet kan worden afgedwongen. Evenmin wordt in de planregels bij concrete ontwikkelingen verwezen naar de Lir.

22.10.

Gelet op het voorgaande slaagt het betoog van de vereniging en andere dat geen verantwoording is gegeven waaruit blijkt dat de ontwikkeling aan de [locatie 2] gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische landschappelijke waarden en kenmerken, waardoor het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 6.10, derde lid, aanhef en onder c, van de Verordening 2014.

Gelet op het voorgaande slaagt het betoog van de vereniging en andere dat de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap bij de ontwikkeling aan de [locatie 2] niet is gewaarborgd in het plan, waardoor het plan in zoverre voorts is vastgesteld in strijd met artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening 2014.

De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit van 5 november 2015 voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Sport" voor de [locatie 2] in stand te laten.

De Afdeling ziet wel aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

[locatie 3]

23. De vereniging en andere kunnen zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aan de [locatie 3]. Het ter plaatse gevestigde dierenpension valt volgens hen onder milieucategorie 3.2, terwijl in het bestemmingsplan uitsluitend een dierenpension tot en met categorie 2 is toegestaan. Het dierenpension is volgens de vereniging en andere niet een met categorie 2 gelijk te stellen bedrijf, waardoor het plan volgens hen niet uitvoerbaar is. De vereniging en andere wijzen erop dat de oppervlakte aan bouwwerken in de planregels weliswaar is beperkt tot 400 m², maar dat het deel van het perceel waar het dierenpension is toegestaan ongeveer 3000 m² bedraagt. Uit de omgevingsvergunning van 11 april 2013 blijkt volgens de vereniging en andere niet dat een dierenpension met deze omvang is vergund. Juist het gebruik van de buitenruimten voor het dierenpension zal volgens de vereniging en andere zorgen voor overlast. Voorts is de omgevingsvergunning van 11 april 2013 verleend voor een dierenpension als nevenactiviteit en staat het plan er niet aan in de weg dat het exploiteren van een dierenpension de hoofdactiviteit wordt aan de [locatie 3]. De vereniging en andere voeren aan dat in het akoestisch onderzoek dat is verricht in het kader van de omgevingsvergunning van 11 april 2013 is uitgegaan van maximaal 113 honden, maar dat het plan er niet aan de weg staat dat meer honden worden gehouden. Voorts hebben de vereniging en andere ook in het kader van het plandeel aan de [locatie 3] aangevoerd dat de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap ten onrechte niet is gewaarborgd in het plan.

23.1.

De raad stelt dat de omgevingsvergunning van 11 april 2013 voor het bestaande dierenpension aan de [locatie 3] met het plan als zodanig is bestemd. Uit het akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van deze omgevingsvergunning blijkt dat ter plaatse van de dichtstbijzijnde woning wordt voldaan aan de geluidsnormen die voortvloeien uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze woning staat op een afstand van 30 m. Nu deze afstand geldt voor bedrijven in milieucategorie 2 is het dierenpension volgens de raad een bedrijf in categorie 2 uit de VNG-brochure.

23.2.

Aan het plandeel aan de [locatie 3] zijn de bestemmingen "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" en "Natuur" en de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Aan een deel van het bouwvlak is voorts de aanduiding "dierenpension" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "dierenpension" tevens bestemd voor een dierenpension.

Ingevolge lid 4.2, aanhef en onder a, mogen op of in de tot "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de genoemde bestemming, met dien verstande dat alle bebouwing uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" is toegestaan, met uitzondering van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, terreinafscheidingen en voorzieningen ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik.

Ingevolge het bepaalde onder g mag ter plaatse van de aanduiding "dierenpension" een dierenpension aanwezig zijn met een maximale milieucategorie 2.

Ingevolge het bepaalde onder o mag ter plaatse van de aanduiding "dierenpension" voor deze functie maximaal 400 m² bebouwing aanwezig zijn c.q. gebouwd worden.

23.3.

De Afdeling stelt voorop dat zij in deze procedure het bestemmingsplan beoordeelt en niet de omgevingsvergunning voor de [locatie 3] of de feitelijke situatie ter plaatse.

In de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) en de staat van bedrijfsactiviteiten die als bijlage bij de planregels is gevoegd, wordt een dierenpension aangemerkt als een bedrijf in categorie 3.2, waarvoor een richtafstand van 100 m geldt. Ingevolge artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder g, mag het dierenpension aan de [locatie 3] maximaal milieucategorie 2 zijn, waarvoor in de VNG-brochure een richtafstand geldt van 30 m. De omstandigheid dat wordt voldaan aan zowel deze richtafstand als de geluidsnormen die voortvloeien uit het Activiteitenbesluit milieubeheer maken naar het oordeel van de Afdeling, anders dan de raad veronderstelt, niet dat het dierenpension aan de [locatie 3] vergelijkbaar is met een bedrijf in milieucategorie 2. Niet is onderbouwd dat de ruimtelijke uitstraling van het bestaande dierenpension aan de [locatie 3] zodanig anders is dan die van andere dierenpensions waarvan in de VNG-brochure en de staat van bedrijfsactiviteiten is uitgegaan, dat het dierenpension aan de [locatie 3], mede gelet op het ingevolge de omgevingsvergunning aantal toegestane honden, vergelijkbaar is met een bedrijf in milieucategorie 2.

Gelet op het voorgaande heeft de raad het bestaande dierenpension aan de [locatie 3] niet als zodanig bestemd. Nu de raad dit blijkens het vaststellingsbesluit wel heeft beoogd, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is vastgesteld in strijd met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog slaagt.

23.4.

Over de vereiste kwaliteitsverbetering overweegt de Afdeling onder verwijzing naar hetgeen hiervoor, onder 22.9, is overwogen dat voor de ruimtelijke ontwikkeling aan de [locatie 3], waarin het plan bij recht voorziet, in het plan niet is gewaarborgd dat de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld met een verwijzing in de planregels naar de Lir. Gelet hierop slaagt het betoog van de vereniging en andere dat de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap bij de ontwikkeling aan de [locatie 3] niet is gewaarborgd in het plan, waardoor het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening 2014.

Het betoog slaagt.

23.5.

In hetgeen de vereniging en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aan de [locatie 3] is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en met artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening 2014. Nu dezelfde gebreken kleven aan het besluit van 18 december 2014 dient ook dat besluit in zoverre te worden vernietigd.

23.6.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

[locatie 1]

24. De raad stelt dat de vereniging en andere niet-ontvankelijk zijn in hun beroep tegen het bij besluit van 3 maart 2016 gewijzigde plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" aan de [locatie 1], omdat dit op 18 mei 2016 en daarmee buiten de daarvoor geldende termijn is ingekomen.

24.1.

Tot en met 27 april 2016 kon beroep worden ingesteld tegen het besluit van 3 maart 2016. De Afdeling stelt vast dat het stuk van de vereniging en andere dat op 18 mei 2016 is ingekomen het aanvullend beroepschrift betreft en dat het pro forma beroepschrift van de vereniging en andere tegen het plandeel aan de [locatie 1] op 20 april 2016 en daarmee tijdig is ingekomen. Gelet hierop zijn de vereniging en andere ontvankelijk in hun beroep tegen het bij besluit van 3 maart 2016 gewijzigde plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" aan de [locatie 1].

24.2.

De vereniging en andere betogen dat ten onrechte niet afdeling 3.4 is gevolgd bij de gewijzigde vaststelling van het plandeel aan de [locatie 1]. Het plandeel heeft betrekking op een aantal percelen ten oosten van het bedrijventerrein Hazeldonk. De vereniging en andere stellen dat deze percelen zijn beoogd voor compensatie van de uitbreiding van het bedrijventerrein Hazeldonk. Zij wijzen op een overeenkomst over deze compensatie tussen het gemeentebestuur en de Brabantse Milieufederatie. De vereniging en andere wijzen er voorts op dat het perceel in de gemeentelijke nota "Groene Mal Breda" is aangewezen als groenblauwe mantel, hetgeen volgens hen ook blijkt uit het bestemmingsplan "Hazeldonk" uit 2011.

24.3.

De raad stelt dat in het besluit van 18 december 2014 abusievelijk de bestemming "Natuur" is toegekend aan het plandeel aan de [locatie 1]. Gelet op het bestaande agrarische gebruik van deze gronden en de ligging van deze gronden in de groenblauwe mantel dient de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" te worden toegekend.

24.4.

De Afdeling stelt vast dat met het gewijzigde plan geen wezenlijk ander plan is vastgesteld. De raad was dan ook niet gehouden om afdeling 3.4 opnieuw te volgen bij de vaststelling van het besluit van 3 maart 2016.

Voorts stelt de Afdeling vast dat het plandeel aan de [locatie 1] geen deel uitmaakte van het plangebied van het bestemmingsplan "Hazeldonk" uit 2011. Bovendien hebben de vereniging en andere niet onderbouwd waarom de raad vanwege de ligging van het plandeel aan de [locatie 1] in de groenblauwe mantel gehouden was de bestemming "Natuur" toe te kennen.

De Afdeling is niet gebleken dat de gronden binnen het perceel aan de [locatie 1] zijn beoogd voor compensatie van de ontwikkeling van het bedrijventerrein Hazeldonk. Daarbij is van belang dat in het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Hazeldonk Fase III", dat voorzag in de ontwikkeling van het bedrijventerrein Hazeldonk, de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden" was toegekend aan de betrokken gronden aan de [locatie 1]. Dit plan is op 9 februari 1999 onherroepelijk geworden. Over de overeenkomst tussen het gemeentebestuur en de Brabantse Milieufederatie die de vereniging en andere hebben overgelegd, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de vereniging en andere zelf ook hebben erkend, komen de perceelnamen die in deze overeenkomst staan genoemd niet overeen met de perceelnamen van de gronden binnen het plandeel aan de [locatie 1]. De vereniging en andere hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze verschillen, zoals zij ter zitting hebben gesteld, het gevolg zijn van een gemeentelijke herindeling. De raad heeft ter zitting gesteld dat de gemeentenamen die zijn genoemd niet zijn veranderd in het kadaster. De Afdeling ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Daarbij betrekt de Afdeling dat de gronden die in de overeenkomst worden genoemd blijkens deze overeenkomst om niet zijn overgedragen aan het Brabants Landschap ten behoeve van natuurontwikkeling, terwijl aan de [locatie 1] door [belanghebbende A] en [belanghebbende B] een bedrijf wordt geëxploiteerd.

Gelet op het voorgaande faalt het betoog.

Conclusie

25. Het beroep van de vereniging en andere is gegrond.

25.1.

De raad dient ten aanzien van het beroep van de vereniging en andere op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

De beroepen van [appellant sub 3], [appellante sub 17] en de vereniging en andere

26. [appellant sub 3], die woont aan de [locatie 4], kan zich niet verenigen met het bij besluit van 18 december 2014 vastgestelde plan met betrekking tot het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "koel- en /of vrieshuis" ter zake van het perceel [locatie 5]. Ook de vereniging en andere kunnen zich niet met de planregeling op dit punt verenigen.

26.1.

Bij het besluit van 5 november 2015 is aan het perceel aan de [locatie 5] de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" toegekend, met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - koel en/of vrieshuis". In verband hiermee is de bestemming "Bedrijf" die in het besluit van 18 december 2014 aan het noordelijke deel van het perceel was toegekend, verwijderd. Bij het besluit van 5 november 2015 zijn de koel- en vriesactiviteiten in plaats van in een aparte bedrijfsbestemming als nevenactiviteit bij het agrarische bedrijf aan de [locatie 5] opgenomen.

[appellant sub 3] heeft beroep tegen dat besluit ingesteld. Hetgeen in het hiertegen ingediende beroepschrift naar voren is gebracht vat de Afdeling op als nadere onderbouwing van het van rechtswege ontstane beroep. Met het besluit van 5 november 2015 is de raad deels aan het beroep van de vereniging en andere tegemoet gekomen, zodat hun beroep van rechtswege in zoverre geen betrekking heeft op het besluit van 5 november 2015.

26.2.

Door de wijziging van de planregeling voor het bedrijf op het perceel [locatie 5], dat wordt geëxploiteerd door de [appellante sub 17], is een beroep van rechtswege van de zijde van [appellante sub 17] tegen dit besluit ontstaan. [appellante sub 17] heeft tegen dit besluit geen nadere gronden of zienswijzen ingediend. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [appellante sub 17] ongegrond is.

26.3. [

appellant sub 3] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in een nieuw industrieel bedrijf met 3.750 m² aan koelcellen met een hoogte van 10 m. Hij voert aan dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht of ter plaatse wel sprake is van een reëel agrarisch bedrijf en of de koelingsactiviteiten van het bedrijf bij maximale planologische invulling als nevenactiviteiten bij dat bedrijf kunnen worden beschouwd. Volgens hem is sprake van planologische nieuwvestiging van niet-agrarische activiteiten in het buitengebied, omdat het merendeel van de aanwezige bebouwing weliswaar legaal is gebouwd, maar ten behoeve van het agrarische bedrijf en niet als koel- of vriescel. De nieuwvestiging is volgens hem ten onrechte niet getoetst aan de bepalingen van de Verordening 2014, waaronder artikel 6.10, eerste lid, onder c, d, e en h.

Ook heeft de raad volgens [appellant sub 3] in strijd met artikel 3.2 van de Verordening geen toetsing verricht op het punt van de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit, zorgvuldig ruimtegebruik en kwaliteitsverbetering van het landschap.

[appellant sub 3] acht voorts onvoldoende onderbouwd hoe de ontwikkeling zich verhoudt tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden. Hij betoogt in dat verband onder meer dat het bedrijf in milieucategorie 3 van de VNG-brochure valt en niet voldoet aan de in die brochure aangehouden richtafstanden.

[appellant sub 3] voert verder aan dat de bepaling in de planregels dat niet meer dan 2500 m² van de koelcellen door derden mag worden gebruikt niet valt te handhaven en bovendien niet is onderzocht of aangetoond dat 2500 m² aan koelcellen voor eigen gebruik door [appellante sub 17] nodig is.

Het plan is volgens [appellant sub 3] tevens in strijd met een in 2011 door hem met [appellante sub 17] gesloten vaststellingsovereenkomst, waarin is vastgelegd dat de verhuur van koelcellen als een nevenactiviteit van een agrarisch bedrijf diende te worden gezien en dat derhalve van verzelfstandiging van het bedrijf geen sprake zou zijn.

Ook de vereniging en andere hebben aangevoerd dat in het plan niet is voorzien in kwaliteitsverbetering van het landschap en dat voorts niet is verzekerd dat is voldaan aan de eis in artikel 6.10, eerste lid, onder e, van de Verordening 2014 dat de vestiging van een niet-agrarische functie in de groenblauwe mantel niet mag leiden tot twee of meer zelfstandige bedrijven.

26.4.

De raad heeft naar voren gebracht dat artikel 6.2 van de Verordening 2014 uitbreiding van vollegrondsteeltbedrijven in de groenblauwe mantel met een niet-agrarische nevenactiviteit uitdrukkelijk mogelijk maakt. De koel- en vriesactiviteiten ter plaatse zijn bij het besluit van 5 november 2015 niet langer geregeld met een afzonderlijke bedrijfsbestemming, maar als nevenactiviteit bij het bestaande agrarische bedrijf. In de planregels is volgens de raad gewaarborgd dat de totale omvang van het bouwperceel voor de niet-agrarische functie maximaal 5000 m² mag bedragen en dat ter plaatse twee zelfstandige bedrijven, noch grootschalige ontwikkelingen mogen ontstaan. Hiermee wordt voldaan aan de bepalingen van de Verordening 2014, aldus de raad.

26.5.

Ter zitting heeft [appellant sub 3] medegedeeld dat hetgeen hij naar voren heeft gebracht over de gevolgde procedure met betrekking tot het nadere besluit van 5 november 2015 geen beroepsgrond is maar slechts een verzuchting. De Afdeling gaat hierop dan ook niet in.

26.6.

In het bij besluit van 5 november 2015 vastgestelde plan is aan de gronden van [appellante sub 17] de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" toegekend, met - binnen het bouwvlak - de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - koel- en/of vrieshuis".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, zijn gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" onder meer bestemd voor duurzaam agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - koel- en/of vrieshuis' tevens daarvoor.

Ingevolge lid 4.2, aanhef en onder n, mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - koel- vrieshuis' voor de koeling door derden maximaal 2.500 m² bebouwing aanwezig zijn c.q. gebouwd en gebruikt worden.

Aan een strook grond aan de noordwestkant van het bedrijf is de bestemming "Natuur" toegekend.

Het bedrijf van [appellante sub 17] ligt op gronden die op de kaarten bij de Verordening 2014 zijn aangewezen als groenblauwe mantel.

26.7.

Uit het deskundigenbericht blijkt het volgende.

De agrarische activiteiten van het bedrijf van [appellante sub 17] bestaan uit het telen van asperges, witloftrek, de opslag in koelcellen van aardbeienplanten, witlofwortels en waspenen voor derden en de verkoop van asperges van eigen teelt.

Op het terrein aan de [locatie 5] staan een bedrijfswoning, een werktuigenloods, een werkloods en koelcellen. Voor deze bebouwing is vanaf 2000 een drietal bouwvergunningen verleend ten behoeve van agrarische bedrijfs/opslagloodsen. In 2009 is een melding gedaan op grond van het toenmalige Besluit landbouw milieubeheer voor de vervanging van de werktuigenloods. In het kader van die melding is het bedrijf beschreven als een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondteelt en witloftrekkerij of teeltbedrijf met eetbare paddenstoelen of andere gewassen in een gebouw.

26.8.

Ingevolge artikel 6.2, tweede lid, onder b, van de Verordening 2014 met betrekking tot (vollegronds)teeltbedrijven kan een bestemmingsplan in de groenblauwe mantel binnen het bouwperceel voorzien in een niet-agrarische functie, dit overeenkomstig - voor zover van belang - artikel 6.10 van de Verordening 2014.

Ingevolge artikel 6.2, tweede lid, onder b, in onderlinge samenhang met artikel 6.10, eerste lid, van de Verordening 2014 gelden hiervoor de eisen dat:

a. de totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 5000 m² bedraagt;

b. de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken;

c. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt;

d. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger;

e. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven;

h. is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van deze verordening toegestane omvang;

i. de beoogde activiteit niet leidt tot een grootschalige ontwikkeling.

Ingevolge artikel 1, lid 1.59, wordt onder nieuwvestiging verstaan: vestiging op een locatie die volgens het geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een (bouwvlak op een) bestaand bouwperceel of de (af)splitsing van een (bouwvlak op een) bestaand bouwperceel.

26.9.

De Afdeling stelt voorop dat, gelet op artikel 1, lid 1.59, van de Verordening 2014, geen grond bestaat voor het oordeel dat sprake is van nieuwvestiging in de zin van de Verordening, nu de niet-agrarische functie, de koelactiviteiten voor derden, is voorzien binnen een bestaand bouwperceel. Het betoog faalt dan ook in zoverre.

26.10.

De Afdeling overweegt met betrekking tot de overeenkomst tussen [appellant sub 3] en [appellante sub 17] over de omvang van de koelactiviteiten aan de [locatie 5], dat, naar [appellant sub 3] ook erkent, deze de raad niet kan binden. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 3] over de rol van de gemeente bij de totstandkoming van de overeenkomst naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat de raad daaraan bij zijn belangenafweging geen overwegende betekenis zou hebben toegekend.

26.11.

De Afdeling overweegt voorts dat geen grond kan worden gezien voor het oordeel dat het bedrijf aan de [locatie 5] niet als een reëel agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt en daarmee - anders dan [appellant sub 3] meent - de niet-agrarische activiteiten zonder meer als hoofdactiviteit zouden gaan gelden. Daartoe wordt erop gewezen dat in het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen van 5 februari 2010, waarop [appellant sub 3] wijst, staat dat de agrarische bedrijfsvoering van het bedrijf zich van 2006 heeft ontwikkeld tot de omvang van een volwaardig agrarisch bedrijf.

26.12.

De Afdeling acht voorts niet aannemelijk gemaakt dat het plan niet voldoet aan het bepaalde onder artikel 6.10, eerste lid, onder c, nu de koelactiviteiten - naast de nieuwe bebouwing - in bestaande bebouwing zal plaatsvinden. In het raadsvoorstel is bevestigd dat bij de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen overtollige bebouwing zal ontstaan. Mitsdien is geen sprake van strijd met artikel 6.10, eerste lid, onder c, van de Verordening 2014. Het betoog faalt.

26.13.

Met betrekking tot de overige ingeroepen leden van artikel 6.10, eerste lid, overweegt de Afdeling dat de raad, blijkens de toelichting op het besluit van 5 november 2015 en het verhandelde ter zitting, heeft beoogd om, teneinde aan die bepalingen te voldoen in het plan binnen het bestaande bouwvlak één bestemmingsvlak op te nemen, met als hoofdtak de bestaande agrarische activiteit en als neventak koeling, van maximaal 5.000 m², waarvan koelactiviteiten voor derden zijn beperkt tot 2.500 m². Met dit laatste is volgens de raad een relatief kleinschalig en aan het agrarische bedrijf ondergeschikt koel- en vriesbedrijf toegestaan, dat niet onder milieucategorie 3 "koelhuizen" valt, maar onder milieucategorie 2.

De Afdeling overweegt dat in het raadsbesluit in dit verband is opgemerkt dat de maximering van de oppervlakte van het bouwperceel voor de niet-agrarische nevenactiviteit tot 5.000 m² dient te worden verzekerd door middel van een functieaanduiding op de verbeelding. De maximering is op de planverbeelding, noch elders in het plan vastgelegd.

De Afdeling ziet hierin aanleiding voor het oordeel dat het vaststellingsbesluit en het plan in onderlinge samenhang bezien zijn vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Nu de maximale oppervlakte van de niet-agrarische activiteiten niet in het plan is vastgelegd, is in zoverre tevens sprake van strijd met artikel 6.10, eerste lid, onder d en e, van de Verordening 2014.

26.14.

Naar het oordeel van de Afdeling kan voorts niet met zekerheid worden vastgesteld dat in het plan ter plaatse van de woning van [appellant sub 3] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Daartoe wordt overwogen dat een deel van de gronden van het bedrijf, waarop het plan koelactiviteiten mogelijk maakt, op minder dan 50 m afstand ligt van de woning van [appellant sub 3]. De twee inritten van het bedrijf liggen op respectievelijk 7 m en 65 m van diens perceel.

De raad heeft een akoestisch onderzoek laten verrichten naar de geluidbelasting van het bedrijf. In het hiervan opgemaakte rapport van Kraaij Akoestisch Adviesbureau van 4 november 2015 is niet onderzocht welke geluidniveaus ter plaatse van het perceel van [appellant sub 3] ten gevolge van het in werking zijn van koelcellen op het oostelijke deel van de gronden van

[appellante sub 17], zullen kunnen worden veroorzaakt. Ook blijkt niet dat in dat rapport rekening is gehouden met de verkeersbewegingen met vrachtwagens bij een maximale planologische invulling van de bebouwingsmogelijkheden ten behoeve van de koelingsactiviteiten, die door het plan mogelijk worden gemaakt. Gelet hierop is het plan ook in zoverre in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit in acht te nemen zorgvuldigheid.

26.15.

Over de vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit overweegt de Afdeling als volgt.

Artikel 3.2 van de Verordening 2014 luidt als volgt.

1. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving.

2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording:

a. van de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd;

b. dat de in het eerste lid bedoelde verbetering past binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid voor dat gebied.

(…)

4. Indien een kwaliteitsverbetering als bedoeld in het eerste lid niet is verzekerd, wordt het bestemmingsplan slechts vastgesteld indien een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd en wordt over de werking van dat fonds regelmatig verslag gedaan in het regionaal ruimtelijk overleg.

5. In afwijking van het bepaalde in dit artikel kan de toelichting van een bestemmingsplan een verantwoording bevatten over de wijze waarop de afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap, die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg, bedoeld in artikel 37.4, onder b, worden nagekomen.

(…).

26.16.

Zoals ook in 22.9 is weergegeven, staat in de plantoelichting dat op regionaal niveau in overleg met de provincie afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de in de Verordening 2014 vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap. Om met name de landschappelijke inpassing verder handen en voeten te geven, zo staat in de plantoelichting, is de Lir opgesteld en deze is als bijlage bij de planregels gevoegd. Hiermee bevat de plantoelichting in overeenstemming met artikel 3.2, vijfde lid, van de Verordening 2014 een verantwoording over de wijze waarop de afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg, worden nagekomen.

De kwaliteitsverbetering dient ingevolge artikel 3.2, eerste lid, echter wel in het plan te zijn gewaarborgd. Dit volgt ook uit de toelichting bij het vijfde lid van deze bepaling. In de Lir wordt uitgegaan van een indeling in drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen waarbij per categorie is beschreven hoe de kwaliteit van het landschap moet worden verbeterd. Voor de ruimtelijke ontwikkeling aan de [locatie 5], waarin het plan bij recht voorziet, is in het plan echter niet gewaarborgd dat de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld met een verwijzing in de planregels naar de Lir. Dat met [appellant sub 17A], de eigenaar van het perceel [locatie 5], een anterieure overeenkomst is gesloten is daarvoor onvoldoende. Voor zover de raad stelt dat in de planregels wordt verwezen naar de Lir overweegt de Afdeling dat deze verwijzing alleen is opgenomen in enkele afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden.

Uit een en ander volgt dat het plan in zoverre tevens is vastgesteld in strijd met artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening 2014.

26.17.

In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - koel- en/of vrieshuis" met betrekking tot het perceel [locatie 5] is genomen in strijd met artikel 3.2, eerste lid, en artikel 6.10, eerste lid, onder d en e, van de Verordening 2014, alsook met het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Ook het beroep van de vereniging en andere is gegrond.

Hiermee wordt teruggevallen op het bij besluit van 18 december 2014 vastgestelde plan en herleeft het belang van [appellant sub 3] bij beoordeling van zijn beroep tegen dat plan. Nu de raad bij het besluit van 5 november 2015 te kennen heeft gegeven dat hij zich op het desbetreffende punt op een ander standpunt stelt dan hij in het besluit van 18 december 2014 heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het besluit van 18 december 2014 in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en eveneens moet worden vernietigd.

26.18.

De Afdeling ziet, mede gelet op het voorgaande, geen aanleiding om de overige beroepsgronden van [appellant sub 3] en de vereniging en andere te bespreken.

26.19.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

26.20.

De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 3] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voor vergoeding van de proceskosten van de vereniging en andere wordt verwezen naar 25.1.

26.21.

Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellante sub 17] bestaat geen aanleiding.

De beroepen van [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] en de vereniging en andere

27. [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5], die onderscheidenlijk wonen aan de [locatie 6], [locatie 7] en [locatie 8], en de vereniging en andere kunnen zich niet verenigen met de mogelijkheden die in het plan door middel van afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden worden geboden voor de huisvesting van seizoensarbeiders in het plangebied, tot een maximum van 120 personen. De beroepen van [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] richten zich in dat verband op de mogelijkheden die op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" worden geboden.

Het plan zal volgens de vereniging en andere en [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] leiden tot aantasting van het landschappelijke karakter van het buitengebied door ontsiering en verstening en tot onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat in het plangebied. De vereniging en andere betogen in dit verband dat de planregeling onvoldoende waarborgen bevat voor landschappelijke inpassing van de woonunits.

De vereniging en andere en [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] stellen voorts dat de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden niet of nauwelijks ruimte bieden om specifiek met de belangen van omwonenden rekening te houden. [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] betogen in dat verband dat in het plan in ieder geval de richtafstand van 50 m tot omliggende woningen had moeten worden aangehouden die in de VNG-brochure wordt gehanteerd voor campings en vakantiecentra. De bezwaren van [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] richten zich tevens meer specifiek tegen de in het plan opgenomen regeling voor de huisvesting van seizoensarbeiders op het perceel [locatie 9] van de aardbeienkwekerij van [bedrijf A] en [bedrijf B]. Zij hebben daartoe aangevoerd dat zij reeds grote overlast ondervinden van de ter plaatse vergunde tijdelijke huisvesting van 40 seizoensarbeiders, ten gevolge van het vroege transport naar het werk per bus, de verkeersbewegingen per bus of eigen auto voor het buiten werktijden doen van boodschappen en stemgeluid van mensen die op het terrein eten, drinken en recreëren. Vergroting van het aantal seizoensarbeiders tot 120 op de [locatie 9] achten zij onaanvaardbaar. [appellanten sub 5] hebben in dit verband tevens gewezen op de geuroverlast die zij ondervinden van het koken voor 120 personen, welk aantal mogelijk is gemaakt bij de omgevingsvergunning van 16 maart 2015.

[appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] hebben verder betoogd dat de termijn voor huisvesting van de seizoensarbeiders van 6 maanden onduidelijk is, dat de termijn en de bepaling dat op een bedrijf slechts seizoensarbeiders mogen worden gehuisvest die op dat bedrijf werkzaam zijn oncontroleerbaar zijn en dat de planregeling strijdt met het gemeentelijk beleid om huisvesting van seizoensarbeiders in stedelijk gebied te laten plaatsvinden.

De vereniging en andere hebben ten slotte aangevoerd dat ten onrechte geen maximale bouw- en goothoogte zijn voorgeschreven voor de units, dat de raad in de stukken ten onrechte verwijst naar een wijziging van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) en dat het plan strijdt met artikel 6.7, eerste lid, van de Verordening 2014, waarin is bepaald dat een bestemmingsplan met betrekking tot de groenblauwe mantel bepaalt dat zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen en nieuwbouw van bedrijf- of burgerwoningen is uitgesloten.

Formeel

relativiteitsvereiste

27.1.

De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat het relativiteitsvereiste, zoals neergelegd in artikel 8:69a van de Awb, aan de behandeling van de beroepen van [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] in de weg staat, voor zover die zijn gericht tegen de aan het plan verbonden flexibiliteitsbepalingen.

27.2.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

27.3.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

27.4. [

appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] beroepen zich op normen voor de bepaling van hetgeen een goede ruimtelijke ordening vereist uit een oogpunt van een goed woon- en leefklimaat, als neergelegd in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Hun beroep ziet op de mogelijkheden die het plan biedt op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" in artikel 4, lid 4.3, onder a, en lid 4.6, onder g, van de aan het plan verbonden planregels.

In het plan is aan de in de directe omgeving van hun woningen gelegen gronden de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" toegekend. Daarin bevinden zich, op relatief geringe afstand, verschillende agrarische bedrijven.

Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat bedoelde normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. De Afdeling komt daarom toe aan een inhoudelijke bespreking van de desbetreffende beroepsgronden.

Inhoudelijk

huisvesting seizoensarbeiders

27.5.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening.

Ingevolge lid 3.2 mogen op of in de tot "Agrarisch" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de genoemde bestemming met dien verstande dat:

a. alle bebouwing uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" is toegestaan met uitzondering van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, terreinafscheidingen en voorzieningen ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik;

(…)

g. de goothoogte van gebouwen maximaal 7 m mag bedragen;

h. de bouwhoogte van gebouwen maximaal 10 m mag bedragen met uitzondering van kassen, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 m mag bedragen, en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen waarvan de bouwhoogte maximaal 3 m mag bedragen;

(…)

Ingevolge lid 3.3, aanhef en onder a, kan het college van burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 of 3.2 mits wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda, zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd:

a. voor het plaatsen en gebruiken van stacaravans en/of woonunits of de verbouwing en het gebruik van een bedrijfsgebouw voor de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders met dien verstande dat:

1. het gebruik als tijdelijke huisvesting slechts is toegestaan gedurende maximaal zes maanden per jaar, hetgeen dient te worden aangetoond aan de hand van een bewoningsregistratie;

2. de woonunits of stacaravans dienen te worden geplaatst ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" van het betreffende bedrijf;

3. per bedrijf maximaal 40 seizoensarbeiders mogen worden gehuisvest;

4. deze huisvesting uitsluitend mag worden opgericht of ingericht voor werknemers die uitsluitend werkzaam zijn op het bedrijf waar zij worden gehuisvest;

5. de noodzaak tot het hebben en huisvesten van seizoensarbeiders op het bedrijf afdoende is aangetoond waartoe een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen is vereist;

6. er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen voor de omliggende bedrijven.

Een vergelijkbare regeling is in het plan opgenomen in artikel 4, lid 4.3, aanhef en onder a, voor de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" en in artikel 5, lid 5.3, aanhef en onder a, voor de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden".

Ingevolge lid 3.5, aanhef en onder g, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro en met inachtneming van het bepaalde in artikel 26, lid 26.7, van dit plan en wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd voor het huisvesten van meer seizoensarbeiders dan is aangegeven in lid 3.3, onder a sub 3, met een maximum van 120, met dien verstande dat aannemelijk gemaakt wordt, dat dit groter aantal werknemers nodig is in verband met de grootte of de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf en verder voldaan wordt aan het bepaalde in lid 3.3 onder a, met dien verstande dat de Landschapsinvesteringsregeling hierop niet van toepassing is tenzij het bouwvlak hiervoor moet worden vergroot.

Een vergelijkbare regeling is in het plan opgenomen in artikel 4, lid 4.6, aanhef en onder g, voor de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en in artikel 5, lid 5.7, aanhef en onder d, voor de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden".

Artikel 4, lid 4.6, aanhef en onder g, luidt echter als volgt:

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening en met inachtneming van het bepaalde in artikel 26 lid 26.7 van dit plan en wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd:

g. voor het huisvesten van meer seizoensarbeiders dan is aangegeven in lid 4.3 onder a punt 3 met een maximum van 120 met dien verstande dat aannemelijk gemaakt wordt dat dit groter aantal werknemers nodig is in verband met de grootte of de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf en verder voldaan wordt aan het bepaalde in lid 4.3 onder a met dien verstande dat de Landschapsinvesteringsregeling Breda niet van toepassing is als hieraan al is voldaan is ten behoeve van de vergroting van het bouwvlak hiervoor.

27.6.

De Afdeling overweegt als volgt.

Het beleid van de gemeente inzake de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders is vastgelegd in de nota "Tijdelijk (werken en) wonen in Breda" van september 2007. Volgens die nota heeft de huisvesting van arbeidsmigranten binnen het stedelijk gebied in beginsel de voorkeur van de raad. De raad heeft evenwel onder voorwaarden mogelijkheden willen bieden voor huisvesting in het buitengebied ten behoeve van bedrijven met een piekteelt. De raad heeft daarbij tevens naar voren gebracht dat de gemeente een bijdrage wil en moet leveren aan de huisvestingsopgave van arbeidsmigranten. Nu het hier gaat om een specifieke groep arbeidsmigranten die tijdens het oogstseizoen tijdelijk komt werken bij één bedrijf, heeft de raad aanleiding gezien om, in afwijking van het primaire uitgangspunt uitgangspunt, huisvesting van betrokkenen mogelijk te maken bij het bedrijf waarvoor zij werken. Van strijd van het plan met het gemeentelijk beleid is naar het oordeel van de Afdeling aldus geen sprake.

De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de bepalingen over de toegestane duur van de huisvesting van de seizoensarbeiders en de beperking van de huisvesting op een bedrijf tot seizoensarbeiders die werkzaam zijn bij dat bedrijf onduidelijk zijn en/of niet handhaafbaar zouden zijn. Daartoe wijst zij er onder meer op dat in artikel 1, lid 1.83, van de planregels staat dat onder "tijdelijke huisvesting seizoensarbeiders" wordt verstaan het huisvesten van werknemers, die in een periode van grote arbeidsbehoefte op een agrarisch bedrijf werkzaam zijn om naar de aard kortdurend werk te verrichten, voor zover noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering tot een maximum van 6 maanden. Verder staat in artikel 3, lid 3.3, aanhef en onder a, sub 1, artikel 4, lid 4.3, aanhef en onder a, sub 1, en artikel 5, lid 5.3, aanhef en onder a, sub 1, van de planregels dat de tijdelijke huisvesting alleen gedurende zes maanden mag plaatsvinden, hetgeen moet worden aangetoond aan de hand van een bewonersregistratie. Het betoog van [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] ter zake faalt.

27.7.

Wat betreft de toegestane goot- en bouwhoogten overweegt de Afdeling, in navolging van haar uitspraak van 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2982 met betrekking tot het bestemmingsplan "Buitengebied Noord" van de gemeente Breda, dat uit de systematiek van het plan volgt dat de stacaravans en/of woonunits ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders moeten voldoen aan de algemene bouwregels. Dit betekent dat de goothoogte maximaal 7 m mag bedragen en de bouwhoogte maximaal 10 m.

Met betrekking tot de vermeende onterechte verwijzing in de stukken naar het Bor overweegt de Afdeling dat van een dergelijke verwijzing in voorliggende zaak geen sprake is, zodat daaraan in dit geschil reeds daarom geen consequenties worden verbonden.

27.8.

Ten aanzien van de gestelde strijd van het plan met artikel 6.7 van de Verordening 2014 wordt het volgende overwogen.

Dit artikel luidt als volgt:

Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel bepaalt dat:

a. nieuwbouw van een bedrijfs- of burgerwoning dan wel solitaire recreatiewoningen is uitgesloten;

b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten.

De vereniging en andere betogen dat de bewoning van stacaravans en bedrijfsgebouwen door seizoensarbeiders, mede gezien de lange periode dat zij zich ter plaatse bevinden, als wonen in de zin van de Verordening 2014 moet worden beschouwd, waaraan artikel 6.7, eerste lid, in de weg staat. De Verordening 2014 kent geen uitzonderingsbepalingen voor het huisvesten van seizoensarbeiders, aldus de vereniging en andere.

Volgens de toelichting op het artikel wordt met bewoning bedoeld permanent gebruik van een gebouw als (zelfstandige) woonfunctie en staat het artikel niet in de weg aan tijdelijk gebruik van bedrijfsbebouwing voor het huisvesten van bijvoorbeeld arbeidsmigranten voor de piekopvang in een aantal maanden per jaar. In de toelichting is op dit punt het volgende opgenomen: "Dit kan worden geregeld door middel van een omgevingsvergunning voor een planologische gebruiksactiviteit voor een bepaalde termijn op grond van artikel 2.12, tweede lid, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Voor de toepassing van dit artikel gelden specifieke wettelijke eisen. De gemeente dient te beoordelen of daaraan voldaan wordt".

Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling dan ook geen sprake van strijd met artikel 6.7, eerste lid, van de Verordening 2014. Het betoog faalt.

27.9.

De Afdeling overweegt voorts als volgt.

In het voorliggende plan worden door middel van flexibiliteitsbepalingen mogelijkheden geboden voor de huisvesting van seizoensarbeiders tot een maximum van 120 personen op agrarische percelen in het plangebied in bestaande bedrijfsgebouwen en in stacaravans en/of woonunits. Gezien de aard van het plangebied, waarin zich veel agrarische bedrijven bevinden, biedt het plan aldus ruime mogelijkheden.

Niet uitgesloten is dat toepassing van deze flexibiliteitsbepalingen leidt tot aantasting van het woon- en leefklimaat van woningen in de directe omgeving van die percelen, onder meer door verkeers- en vervoersbewegingen in de zeer vroege ochtend en stemgeluid van grote groepen mensen. Deze overlast kan naar het oordeel van de Afdeling door een huishoudelijk reglement niet in alle gevallen in voldoende mate worden beperkt. Ernstige overlast kan zich met name voordoen bij woningen op korte afstand van het agrarische perceel in kwestie.

Uit de stukken blijkt niet dat de raad zich hiervan rekenschap heeft gegeven door onderzoek van de ligging van woningen in het gebied ten opzichte van de agrarische percelen. Aan de flexibiliteitsbepalingen zijn voorts geen voorwaarden verbonden waarmee de belangen van omwonenden kunnen worden gewaarborgd, bijvoorbeeld door regels over de positionering van de huisvesting van de seizoensarbeiders ten opzichte van omliggende woningen. Daarbij overweegt de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, dat een vergelijking van huisvesting van 120 personen wat betreft geluid met een recreatieterrein of vakantiecentrum niet zonder meer onjuist is, voor welke gevallen in de VNG-brochure vanwege het aspect geluid een richtafstand van 50 meter wordt geadviseerd. Hierbij is van belang dat het bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheden grote groepen personen betreft, die op een geconcentreerde locatie in de avonduren deels binnenshuis en deels buitenshuis verblijven.

Nu bij de vaststelling van het plan aan deze aspecten geen aandacht is besteed, is het plan in zoverre onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

Voor zover de raad zich heeft beroepen op de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2982, met betrekking tot het bestemmingsplan "Buitengebied Noord" van de gemeente Breda, die strekte tot ongegrondverklaring van de beroepen tegen een vergelijkbare planregeling, overweegt de Afdeling dat aan die uitspraak niet de door de raad toegekende betekenis kan worden gehecht, nu de gevolgen van de planregeling voor het woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen in het plangebied in de in die uitspraak voorliggende beroepen niet aan de orde zijn gesteld.

Het betoog van de vereniging en andere en [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] slaagt.

27.10.

Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] ten aanzien van de specifieke situatie op het perceel [locatie 9] overweegt de Afdeling het volgende.

Naar de geluidbelasting van de bedrijfsactiviteiten van het bedrijf aan de [locatie 9] is akoestisch onderzoek verricht. Volgens het op basis van dat onderzoek opgestelde rapport van GBS Milieuadvies van 19 juni 2015 kan het woon- en leefklimaat ter plaatse van met name de woning aan de [locatie 6] reeds in de huidige situatie als matig worden beschouwd. In het rapport staat dat, om te waarborgen dat uitbreiding van de huisvesting van seizoensarbeiders geen verdere nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving, maatregelen moeten worden getroffen, waaronder het voorgeschreven gebruik van de zuidelijke in- en uitrit van het bedrijf. Deze maatregelen zijn niet in het plan opgenomen. Een en ander geldt temeer nu het bedrijf aan de [locatie 9] beschikt over meerdere percelen cultuurgrond waarvoor de aan de [locatie 9] gehuisveste seizoensarbeiders worden ingezet, waardoor - naar niet kan worden uitgesloten - extra verkeersbewegingen worden gegenereerd.

27.11. [

appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] betogen voorts dat het bouwvlak van het perceel [locatie 9] in het plan ten onrechte is vergroot ten opzichte van het thans geldende bestemmingsplan ten behoeve van de huisvesting van seizoensarbeiders. Naar uit de stukken, waaronder het verweerschrift, blijkt is de uitbreiding bedoeld voor de bouw van een nieuwe loods en zullen hier geen seizoensarbeiders worden gehuisvest. Dit betoog faalt.

27.12.

De Afdeling overweegt met betrekking tot de overige beroepsgronden van [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] voorts als volgt.

paardenbak

27.13. [

appellanten sub 5] hebben verder aangevoerd dat de uitbreiding van het bouwvlak van het perceel [locatie 9] achter hun woning ten behoeve van de legalisering van een paardenbak, in strijd met het raadsbesluit, in het plan is opgenomen. Ter zitting hebben [appellanten sub 5] naar voren gebracht dat hun beroep op dit punt steunt op het feit dat hun zienswijze tegen het plan op dit punt gegrond is verklaard.

In het raadsbesluit is naar aanleiding van de zienswijze van [appellanten sub 5] opgemerkt dat het plan naar aanleiding van die zienswijze zou worden aangepast en de toegevoegde aanduiding "bouwvlak" aansluitend aan het perceel [locatie 8] uit het plan zou worden verwijderd. Uit deze formulering blijkt, anders dan [appellanten sub 5] kennelijk menen, niet dat de raad heeft beoogd de zienswijze zonder meer volledig in te willigen. Mede gelet op het deskundigenbericht komt de Afdeling tot de conclusie dat het bouwvlak bij de planvaststelling ten opzichte van het ontwerpplan is verkleind conform het raadsbesluit. Niet aannemelijk is gemaakt dat op dit punt niet van het deskundigenbericht zou mogen worden uitgegaan. Het betoog faalt.

teeltondersteunende voorzieningen

27.14.

Het beroep van [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] is voorts gericht tegen het bij recht mogelijk maken van plaatsing van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden".

27.15.

De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat met name in de vollegronds fruitteelt het gebruik van tijdelijke wandelkappen noodzakelijk is voor de exploitatie van het bedrijf omdat daarmee het oogstseizoen zowel in het voor- als najaar kan worden verlengd, dat het provinciale beleid ook geen regels ter zake bevat en dat de regels voldoende mogelijkheden moeten geven om de agrarische bestemming te kunnen uitvoeren. Voorts heeft de raad vanuit een oogpunt van deregulering de voorzieningen ook voor gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" rechtstreeks mogelijk willen maken. Bovendien hebben [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] niet aangetoond welke landschappelijke waarden teniet worden gedaan, aldus de raad.

27.16.

Ingevolge artikel 1, lid 1.82, van de planregels wordt onder tijdelijke ondersteunende voorzieningen verstaan: voorzieningen die dienen ter ondersteuning van de diverse teelten in de grond en gedurende maximaal 6 maanden van het jaar noodzakelijk zijn en worden opgericht, zoals folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen en hagelnetten.

In artikel 3, lid 3.2, aanhef en onder a, is bepaald dat op of in de tot "Agrarisch" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken mogen worden gebouwd ten dienste van de genoemde bestemming met dien verstande dat:

alle bebouwing uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' is toegestaan met uitzondering van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, terreinafscheidingen en voorzieningen ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik.

Artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder a, bevat een identieke bepaling met betrekking tot gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden".

27.17.

Vast staat dat in het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid" van 2009 de oprichting van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak uitsluitend was toegestaan op gronden met de bestemming "Agrarisch". Binnen de andere agrarische bestemmingen was de oprichting van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak alleen mogelijk middels een ontheffing (thans: een omgevingsvergunning voor afwijking) dan wel na verlening van een aanlegvergunning. Hieraan lag blijkens de toelichting op dat plan het standpunt van de raad ten grondslag dat aan de plaatsing van de voorzieningen op gronden met landschappelijke- en/of natuurwaarden onderzoek vooraf diende te gaan naar mogelijke onevenredige aantasting van landschaps- of natuurwaarden.

In het voorliggende plan is op gronden met de bestemming "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" het plaatsen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak zonder meer toegestaan. Wat betreft de gronden met een bestemming "Agrarisch" heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid en in overeenstemming met het bestemmingsplan uit 2009 voor deze planregeling kunnen kiezen. Dit betoog faalt.

De Afdeling stelt vast dat uit de toelichting op het voorliggende plan niet blijkt waarom het plan voor gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" een verruiming van de oprichtingsmogelijkheden voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen bevat door deze zonder meer toe te laten buiten het bouwvlak. Hieraan ligt geen lagere waardering van de aanwezige landschappelijke waarden in het gebied ten grondslag. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad daarom onvoldoende gemotiveerd waarom het toestaan van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen op die gronden buiten het bouwvlak, zonder enige begrenzing, ruimtelijk aanvaardbaar is, ook in het licht van het in paragraaf 4.2.5 van de plantoelichting geschetste gemeentelijke beleid, dat wat betreft gronden in de groenblauwe mantel inhoudt dat de bestaande natuur- en landschapswaarden moeten worden beschermd. Artikel 4, lid 4.2, onder a, van de planregels verdraagt zich in zoverre niet met artikel 3:46 van de Awb, waarin is bepaald dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Het betoog van [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] slaagt.

27.18.

Voor zover de beroepen van [appellant sub 4] en [appellante sub 6A] tevens zijn gericht tegen de planregeling met betrekking tot permanente teeltondersteunende voorzieningen wordt hier kortheidshalve verwezen naar hetgeen onder 21.4 is overwogen. Dit betoog faalt.

enkele wijzigingsbevoegdheden

27.19.

De beroepen van [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] zijn ten slotte tevens gericht tegen de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden in artikel 3, lid 3.6, aanhef en onder a en e, en lid 3.5, aanhef en onder d, artikel 4, lid 4.6, aanhef en onder a, d en e, en artikel 5, lid 5.7, aanhef en onder a, van de planregels. Nu [appellant sub 4] en [appellante sub 6A] hun stelling dat deze bevoegdheden zullen leiden tot aantasting van hun woon- en leefklimaat op geen enkele wijze hebben onderbouwd, faalt hun betoog ter zake. Nu [appellanten sub 5] ter zitting te kennen hebben gegeven dat hun betoog op dit punt meer een verzuchting betreft, ziet de Afdeling evenmin aanleiding om hun beroep op dit punt inhoudelijk te bespreken.

Conclusie

27.20.

Onder verwijzing naar 27.9 ziet de Afdeling in hetgeen de vereniging en andere en [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover het betreft artikel 3, lid 3.3, onder a, artikel 4, lid 4.3, onder a, artikel 5, lid 5.3, onder a, artikel 3, lid 3.5, onder g, artikel 4, lid 4.6, onder g, en artikel 5, lid 5.7, onder d, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. De beroepen van de vereniging en andere en [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] zijn gegrond, zodat het besluit van 5 november 2015 in zoverre dient te worden vernietigd.

Onder verwijzing naar 27.17 ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 4, lid 4.2, onder a, van de planregels betreffende het zinsdeel "met uitzondering van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen" is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het besluit van 5 november 2015 ook in zoverre dient te worden vernietigd.

Nu dezelfde gebreken kleven aan het besluit van het besluit van 18 december 2014, dient ook dat besluit op de hiervoor genoemde plandelen te worden vernietigd.

27.21.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

27.22.

De raad dient ten aanzien van de beroepen van [appellanten sub 5] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

27.23.

Ten aanzien van [appellant sub 4] en [appellante sub 6A] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Voor vergoeding van de proceskosten van de vereniging en andere wordt verwezen naar 25.1.

Het beroep van het college van gedeputeerde staten

28. Het college kan zich niet verenigen met de bestemming "Verkeer" die is toegekend aan het knooppunt Galder, omdat de gronden ter plaatse in de Verordening 2014 deels als EHS zijn aangemerkt. Volgens het college zijn de gronden van belang voor onder meer broedvogels en als verbinding tussen EHS ten westen van de A16 en natuur ten oosten daarvan. Als natuurbeheertype staat volgens het college op de ambitiekaart ‘vochtig bos met productie’.

Nu het plan geen beschermingsregime bevat voor de ecologische waarden van de gronden, voldoet het niet aan artikel 5.1 van de Verordening, aldus het college.

28.1.

De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 2.7.4 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) in de weg staat aan het toekennen van een andere bestemming aan het knooppunt dan "Verkeer", omdat de gronden in kwestie in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening zijn aangemerkt als reservering voor mogelijke uitbreidingen van de weg. Ingevolge het Barro mag een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een dergelijk reserveringsgebied, geen wijzigingen bevatten ten opzichte van de situatie die op het moment van de aanwijzing als reserveringsgebied bestond. Nu aan de gronden in het voorheen ter plaatse geldende bestemmingsplan de bestemming "Verkeer" was toegekend, is die bestemming in het voorliggende plan gehandhaafd, aldus de raad. De raad heeft voorts naar voren gebracht dat betwijfeld moet worden of de gronden in kwestie wel terecht als EHS zijn aangemerkt, nu die gronden liggen tussen drukke verkeerswegen en dat het Barro als hogere regeling hier voor moet gaan.

28.2.

Het knooppunt Galder is een kruispunt van de autosnelwegen A16 en A58, ten zuidwesten van Breda. Het is een deels ongelijkvloers knooppunt tussen de snelweg Rotterdam-Breda-Hazeldonk en het begin/eindpunt van de snelweg Breda-Tilburg-Eindhoven. Het knooppunt wordt verdiept gekruist door de dubbele spoorlijn van de HSL.

De ruimten tussen de infrastructuur zijn ingericht met groen en water.

28.3.

Aan de in het plangebied gelegen gronden op de locatie verkeersknooppunt Galder is in het plan de bestemming "Verkeer" toegekend.

Ingevolge artikel 16, lid 16.1, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wegen;

b. ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van verkeer-onverharde weg', 'railverkeer' en 'overige zone - beperkingen veehouderij' tevens daarvoor.

c. voet- en rijwielpaden;

d. groen, waaronder bermen;

e. water;

f. ecologische verbindingen;

met daaraan ondergeschikt:

g. parkeren.

Ingevolge lid 16.2 mogen op of in de tot "Verkeer" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming, waaronder geluidbeperkende voorzieningen, straatmeubilair en lichtmasten, worden gebouwd, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen.

28.4.

In artikel 2.7.4, eerste lid, van het Barro is bepaald dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een reserveringsgebied aangewezen krachtens artikel 2.7.2, eerste lid, of artikel 2.7.3, eerste lid, geen wijzigingen bevat ten opzichte van het op het moment van aanwijzing van dat reserveringsgebied geldende bestemmingsplan, die de volgende activiteiten of bestemmingen mogelijk maken:

a. het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist;

b. stortplaats voor afvalstoffen;

c. bergingsgebied als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet.

28.5.

Niet in geschil is dat de gronden waar het beroep op ziet volgens de Verordening 2014 behoren tot de EHS.

28.6.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening 2014 moet een bestemmingsplan in de EHS - kort weergegeven - strekken tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en regels stellen ter bescherming daarvan.

28.7.

De Afdeling overweegt dat, anders dan de raad meent, artikel 2.7.4 van het Barro niet zonder meer een belemmering vormt voor het toekennen van een bestemming waarmee de ecologische waarden worden beschermd. Dit artikel is gericht op het voorkomen van onomkeerbare ontwikkelingen die een toekomstige uitbreiding van het knooppunt in de weg staan, in de vorm van het realiseren van bouwwerken, stortplaatsen en waterbergingsgebieden. Het realiseren van dergelijke activiteiten of bestemmingen is in het kader van het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de gebieden immers evenmin gewenst. Van strijd met de (begrenzing van de) EHS met het Barro is dan ook geen sprake.

Naar het oordeel van de Afdeling geeft het aangevoerde ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat de (begrenzing van de) EHS strijdt met een hoger wettelijk voorschrift of een algemeen rechtsbeginsel.

In verband met dat laatste acht de Afdeling mede van belang dat het knooppunt met name een functie heeft in het verbinden van de EHS ten westen van de A16 met natuur ten oosten van de A16. Het college heeft onweersproken gesteld dat de verbinding weliswaar niet optimaal is voor alle soorten maar ook als zelfstandig element EHS-waardig is en groot genoeg als zelfstandig leefgebied voor bepaalde soorten en dat wanneer het knooppunt Galder uit de EHS wordt gehaald de oost-westverbinding sterk wordt verzwakt. De Afdeling acht daarbij tevens van belang dat in het rapport ‘Ecologische analyse van de EHS begrenzing in Noord-Brabant’ uit 2007 is geconcludeerd dat slechts aan 1% van de Brabantse EHS geen ecologische betekenis kan worden toegekend en dat naar aanleiding van dat rapport de bedoelde 1%, bestaande uit geïsoleerde snippers EHS, uit de EHS-begrenzing is gehaald. Het knooppunt Galder behoort niet tot de 1% ‘snippers’ die volgens dit rapport buiten de EHS kan worden gelaten. Geconcludeerd moet dan ook worden dat het knooppunt Galder terecht is aangeduid als EHS.

28.8.

De Afdeling overweegt voorts dat het plan geen toereikende bepalingen bevat ter bescherming van de EHS ter plaatse. Weliswaar is in artikel 16, lid 16.1, van de planregels bepaald dat gronden met de bestemming "Verkeer" tevens zijn bestemd voor ecologische verbindingen, maar deze bepaling biedt ter zake onvoldoende bescherming, nu in de planregels geen nadere eisen zijn verbonden door - bijvoorbeeld - het opnemen van een vergunningstelsel voor de aanleg van voorzieningen die de ecologische verbinding kunnen aantasten en lid 16.2 de realisering van geluidsschermen, straatmeubilair en lichtmasten toestaat. Aldus kan niet worden volgehouden dat het plan strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de EHS, zodat moet worden geconcludeerd dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening 2014.

28.9.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling grond voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Verkeer" met betrekking tot de tot de EHS behorende gedeelten van verkeersknooppunt Galder, wegens strijd met artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening 2014 dient te worden vernietigd. Voor zover de raad, zoals hij ter zitting naar voren heeft gebracht, vreest dat een planregeling ter bescherming van de EHS ter plaatse belemmeringen met zich mee zal brengen voor verwezenlijking van weguitbreidingen in de toekomst, wordt opgemerkt dat hem daarvoor de procedure tot herbegrenzing van de EHS ten dienste staat.

Het beroep is gegrond. Nu hetzelfde gebrek kleeft aan het besluit van het besluit van 18 december 2014, dient ook dat besluit in zoverre te worden vernietigd.

28.10.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

28.11.

Ten aanzien van het beroep van het college is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Het beroep van [appellant sub 7]

[locatie 10]

29. [appellant sub 7], die woont aan de [locatie 10], kan zich niet verenigen met de bestemming "Bos" (lees: "Natuur"), die in het plan is toegekend aan de achter zijn woning gelegen kavel met nr. 1876 en een deel van de kavel met nr. 1878. Volgens hem is onduidelijk wat de raad met de toekenning van deze bestemming beoogt. Hij voert daartoe aan dat de grond in kwestie al 50 jaar de bestemming "Wonen" heeft, nooit een bos- of natuurbestemming heeft gehad en altijd in gebruik is geweest als tuin. De gronden zijn volgens hem altijd begrensd geweest door een beukenhaag en zijn niet meer dan grasland.

29.1.

De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de gronden in kwestie mogen worden gebruikt als tuin, maar dat het niet wenselijk is deze te bestemmen voor wonen, omdat ter plaatse in verband met de te beschermen natuurwaarden en de nabijgelegen EHS geen gebouwen mogen worden opgericht. In het plan is alle grond die tot de EHS behoort als "Natuur" aangemerkt. Het huidige bestemmingsvlak "Wonen" is in lijn met het voorgaande bestemmingsplan en biedt vanwege de omvang van ruim 5.000 m² voldoende bouwmogelijkheden, waaronder 100 m² aan bijgebouwen, aldus de raad. Het feit dat het hier gaat om grasland is in dit verband volgens de raad niet relevant. De natuurbestemming verhindert volgens de raad slechts het oprichten van gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maar staat niet in de weg aan het gebruik als tuin.

29.2.

In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Zuid" waren aan de gronden van [appellant sub 7] de bestemming "Wonen" en aan de gronden daarachter de bestemming "Bos" toegekend.

Het gedeelte van het terrein met de bestemming "Wonen" was ingevolge artikel 19 van de toenmalige planregels bestemd voor woondoeleinden, tuinen en erven.

In artikel 8, lid 8.1 van dat plan was bepaald dat de voor "Bos" aangewezen gronden bestemd waren voor:

a. duurzame instandhouding van het bos en de groeiplaats van het bos;

b. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de aan de bossen eigen zijnde natuur- en landschapswaarden met daarop afgestemd bosbouw;

c. behoud en/of herstel van de cultuurhistorische en archeologische waarden;

d. verspreid liggende legale bebouwing zoals die aanwezig is ten tijde van het als ontwerp ter inzage leggen van dit plan;

e. extensief recreatief medegebruik;

f. behoud, herstel en of ontwikkeling hydrologische waarden.

In lid 8.2 van dat plan was het volgende bepaald:

Op of in de tot "Bos" bestemde gronden mag niet worden gebouwd met uitzondering van terreinafscheidingen, tot een hoogte van maximaal 1,50 meter en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het bosbeheer alsmede in de vorm van voorzieningen ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik.

Ingevolge artikel 24, lid 24.2, was het verboden de gronden te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming. Het college van burgemeester en wethouders kon ontheffing verlenen indien strikte toepassing van deze bepaling zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik.

29.3.

In het voorliggende plan zijn aan de gronden van [appellant sub 7] de bestemming "Wonen" en aan de gronden daarachter de bestemming "Natuur" toegekend.

Hierop zien artikel 18 en artikel 13 van de planregels.

Artikel 13 luidt als volgt.

1. De voor "Natuur" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de duurzame instandhouding van natuurgebieden;

b. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de aan de natuurgebieden eigen zijnde natuur- en hydrologische waarden;

c. behoud of versterking van de landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden;

d. ter plaatse van de aanduidingen 'wro-zone - zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen' , 'wro-zone - zoekgebied voor ecologische verbindingszone' tevens daarvoor;

e. verspreid liggende legale bebouwing zoals die aanwezig is ten tijde van het als ontwerp ter inzage leggen van dit plan;

f. ter plaatse van de aanduiding 'ijsbaan' tevens als ijsbaan;

g. extensief recreatief medegebruik.

2. Op of in de tot "Natuur" bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarbij de hoogte niet meer dan 1.50 meter mag bedragen en in de vorm van voorzieningen voor het extensief recreatief medegebruik zoals zitgelegenheden met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'ijsbaan' alleen gebouwd mag worden binnen de daarvoor opgenomen bouwvlakken.

Artikel 18, eerste lid, luidt als volgt.

De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen met de daarbij behorende tuinen en erven;

b. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' tevens daarvoor;

c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - bed en breakfast' tevens daarvoor;

d. behoud en/of herstel van cultuurhistorische, landschappelijke en/of architectonische waarden van gebouwen die zijn aangewezen als rijksmonument, gemeentelijk monument of cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als is opgenomen in de bij deze regels als bijlage 1 gevoegde lijst.

2. Op of in de tot "Wonen" bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd met dien verstande dat:

a. ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' per vlak maximaal één woning aanwezig mag zijn c.q. mag worden gebouwd met uitzondering van de locatie ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' waar meerdere woningen in de vorm van een appartementengebouw zijn toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten' waar geen woning gebouwd mag worden c.q. aanwezig mag zijn;

b. de woning mag worden gebouwd, verbouwd, uitgebreid en vervangen met dien verstande dat de inhoud van de woning, de bebouwing onder peil niet meegerekend, nooit meer zal mogen bedragen dan 750 m³ met uitzondering van boerderijen met geïntegreerde bedrijfsruimte waarvan de inhoud gelijk mag zijn aan het bestaande bouwvolume onder de voorwaarde dat de boerderij in zijn oorspronkelijke karakter wordt gehandhaafd en met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'maximum volume (m3)' waar de inhoud van de woning maximaal de inhoud mag bedragen als aangegeven;

c. de goothoogte niet meer dan 6 meter en de bouwhoogte niet meer dan 9 meter mag bedragen met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte (m)' waar de betreffende hoogtematen maximaal mogen bedragen als aangegeven;

d. bijgebouwen zowel vrijstaand als aangebouwd, mogen worden opgericht met dien verstande dat het gezamenlijke grondoppervlak maximaal 100 m² bedraagt en de goothoogte maximaal 3 meter en bouwhoogte maximaal 5 meter mag bedragen, tenzij reeds een gebouw met minimaal deze maatvoering aanwezig is;

e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 6 meter mogen bedragen met uitzondering van erfafscheidingen waarvan de hoogte maximaal 2 meter mag bedragen.

Artikel 26, lid 26.3, van de planregels bevat hetzelfde algemene verbod van gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming als artikel 24, lid 24.2, van het voorheen geldende plan.

29.4.

Volgens het deskundigenbericht is de omvang van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" gelijk aan die onder het oude plan en komen ook de daarbij aangegeven bouwvlakken overeen. Vast staat voorts dat ook de planregels voor de gronden met de bestemming "Wonen" in het voorliggende plan niet wezenlijk verschillen van die in het voorheen geldende plan. De raad heeft er voorts terecht op gewezen dat de bestemming "Wonen" in het plan, net als in het vorige plan, een oppervlakte heeft van ongeveer 6.000 m², waarbinnen een bouwvlak is aangegeven van ongeveer 1.000 m². Hiermee wordt volgens de raad voldoende ruimte geboden om, naast de woning, nog 100 m² aan bijgebouwen te realiseren.

De Afdeling overweegt dat de aan de bestemming "Natuur" en de voorheen geldende bestemming "Bos" gekoppelde gebruiksbepalingen identiek zijn. Bovendien is onder beide planologische regimes extensief recreatief medegebruik van de gronden toegestaan.

Gelet op een en ander ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het voorliggende plan een verslechtering van betekenis voor [appellant sub 7] inhoudt ten opzichte van het voorheen geldende planologische regime.

29.5.

Uit het deskundigenbericht volgt dat het gedeelte van de gronden van [appellant sub 7] dat in gebruik is als tuin en erf groter is dan het deel van het perceel waaraan in het plan de bestemming "Wonen" is toegekend. Hetzelfde gold volgens het deskundigenbericht voor de situatie onder het voorheen geldende plan. Het betreft hier een deel van het terrein dat onder het voorheen geldende plan de bestemming "Bos" had en thans de bestemming "Natuur".

29.6.

De raad heeft naar voren gebracht dat het enkele feit, dat aan het gewraakte gedeelte van de grond een natuurbestemming is gegeven, niet betekent dat die grond door [appellant sub 7] niet als tuin, zijnde ten behoeve van beperkte recreatie, gebruikt mag worden, mits hij geen activiteiten onderneemt die mogelijk de bestemming kunnen schaden. De enige echte beperking die op de grond ligt is dat ter plaatse geen bebouwing kan worden opgericht, aldus de raad.

29.7.

De Afdeling concludeert dat de bestemmingsregeling voor de gronden in kwestie niet is afgestemd op de feitelijke situatie van het gebruik als tuin, terwijl de raad daartegen kennelijk geen bezwaren van ruimtelijke aard heeft. De raad heeft kennelijk hoofdzakelijk willen voorkomen dat op de gronden in kwestie bebouwing zou kunnen worden opgericht.

Niet valt in te zien waarom de raad niet heeft voorzien in een planregeling waarin binnen een bestemming die strekt tot bescherming van de natuurwaarden het gebruik van de grond als tuin wordt toegestaan. Daarbij wordt opgemerkt dat gebruik als tuin naar het oordeel van de Afdeling niet wordt begrepen onder het ingevolge de planregels toegestane extensief recreatief medegebruik van de grond, nu daaronder in artikel 1, lid 1.40, is gedefinieerd als recreatief medegebruik van gronden, zoals wandelen, fietsen, varen en daarmee gelijk te stellen activiteiten (met uitzondering van rust- en picknickplaatsen met bijbehorend meubilair), dat geen specifiek beslag legt op de ruimte, behoudens ruimtebeslag door voet-, fiets- en ruiterpaden en die in hoofdzaak gericht zijn op natuur- en landschapsbeleving.

Het plan berust in zoverre dan ook niet op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb. Het betoog slaagt.

[locatie 11]

29.8. [

appellant sub 7] keert zich voorts tegen de bestemming die in het plan is toegekend aan het bedrijf van [bedrijf C], gevestigd aan de [locatie 11]. Hij stelt hiervan ernstige hinder te ondervinden en voert daartoe aan dat moet worden betwijfeld of het bedrijf wel valt onder de in het plan toegestane milieucategorieën 1 en 2 van de VNG-brochure. [appellant sub 7] wijst er daarbij op dat ook het bedrijf zelf in het kader van de zienswijzenprocedure tegen het ontwerpbesluit twijfels heeft geuit over de vraag of de activiteiten van het bedrijf wel vallen binnen de toegekende bestemming.

Volgens [appellant sub 7] behoort het bedrijf tot milieucategorie 3.1 en moet volgens de VNG-brochure een afstand van tenminste 50 m van woningen worden aangehouden, terwijl in dit geval binnen een straal van 50 m van het bedrijf zeven woningen staan. Ook voldoet het bedrijf, gezien de daarin ook plaatsvindende recycling- en afvalscheidingswerkzaamheden, volgens hem niet aan de voorgeschreven afstand van 200 m die geldt voor milieucategorie 4.1.

In het verleden zijn volgens [appellant sub 7] geluidniveaus van 90 dB(A) en verschillende andere milieuovertredingen geconstateerd, waartegen het gemeentebestuur geen actie onderneemt. Het bedrijf hoort volgens hem, mede gelet op de hinder voor de omgeving van de verkeersbewegingen van 60 vrachtwagens op de smalle landweggetjes, op een industrieterrein. Het akoestische rapport uit 2009 bevat verschillende onjuistheden en is bovendien achterhaald door de ontwikkelingen in het bedrijf, aldus [appellant sub 7].

29.9.

De raad heeft naar voren gebracht dat het bedrijf een legaal bestaand bedrijf is, dat het in de vorige twee bestemmingsplannen positief was bestemd en dat deze bestemming is overgenomen in het voorliggende plan. Het bedrijf valt onder het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit milieubeheer) en wordt regelmatig gecontroleerd op naleving van de daarin opgenomen voorwaarden, maar daarbij is tot dusver geen noodzaak gebleken om handhavend op te treden, aldus de raad.

29.10.

In het plan is aan de gronden van [bedrijf C] de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding "agrarisch loonbedrijf" toegekend.

In artikel 6, lid 6.1, van de planregels is bepaald dat de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd zijn voor bedrijfsdoeleinden, anders dan agrarische activiteiten, in de milieucategorieën 1 en 2 zoals deze zijn aangegeven in de als bijlage 3 bij deze regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten en ter plaatse van de aanduiding (-) 'agrarisch loonbedrijf' tevens daarvoor.

Lid 6.2 luidt voorts als volgt:

Op of in de tot "Bedrijf" bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat:

a. de bouwwerken uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' mogen worden gebouwd;

b. per aanduiding 'bouwvlak' maximaal één bedrijf aanwezig mag zijn en de bedrijfsbebouwing maximaal 400 m² mag bedragen behoudens ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch loonbedrijf' (-) in welk geval het bouwvlak voor maximaal 75% mag worden bebouwd (-).

In het voorheen geldende bestemmingsplan, "Buitengebied Zuid" van 2009 was aan de gronden aan de [locatie 11] eveneens de bestemming "Bedrijf" toegekend, met de functieaanduiding "agrarisch loonbedrijf".

29.11.

Volgens het deskundigenbericht heeft het bedrijf een bestemmingsvlak met een oppervlakte van ongeveer 2,5 ha, een bouwvlak van ongeveer 12.250 m² en beschikt het over ongeveer 60 frezen, ploegen, graafmachines, shovels etc. en 10 vrachtwagens. Het bedrijf heeft voorts ongeveer 60 man personeel.

Volgens het deskundigenbericht zijn de activiteiten van het bedrijf gericht op agrarisch loonwerk, grondverzet en cultuurtechniek, waarbij de laatste twee activiteiten niet uitsluitend plaatsvinden ten dienste van agrarische bedrijvigheid. Bijkomende activiteiten van het bedrijf zijn - op andere locaties - onkruid- en gladheidsbestrijding en hulp bij natuurbranden en bij wateroverlast. De recyclingactiviteiten van het bedrijf zijn volgens het deskundigenbericht gestaakt.

Op het zuidelijke deel van het terrein vindt volgens het deskundigenbericht buiten de opslag plaats van de verwisselbare onderdelen van het materieel van het bedrijf en van grond, zand, gebroken puin, bestratingsmateriaal en groenafval, vrijkomend bij grondwerkzaamheden.

Op het noordelijke deel staan twee bedrijfsgebouwen, respectievelijk een kantoor en een opslag voor stalling van materieel dat niet op locatie elders in gebruik is. Het verharde terrein tussen de gebouwen wordt hoofdzakelijk gebruikt als manoeuvreerruimte voor vrachtwagens en als parkeergelegenheid voor de auto’s van de werknemers van het bedrijf, aldus het deskundigenbericht.

Het bedrijfsterrein ligt op korte afstand van een aantal recreatiewoningen. Het bedrijfsterrein ligt voorts op ongeveer 90 m afstand van het gedeelte van het terrein van [appellant sub 7] waaraan een woonbestemming is toegekend.

29.12.

De Afdeling overweegt dat in de planregels van het bestemmingsplan" Buitengebied Zuid" van 2009, noch in de planregels van het voorliggende plan is omschreven wat onder een agrarisch loonbedrijf moet worden verstaan. Het voorliggende plan is mitsdien op dit punt onduidelijk en in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld.

De Afdeling stelt voorts vast dat in de als bijlage 3 bij de planregels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten, waarnaar in artikel 6, lid 6.1, wordt verwezen, agrarische loonbedrijven met een bedrijfsoppervlakte van 500 m² of minder worden gerekend tot milieucategorie 2 en bedrijven met een grotere bedrijfsoppervlakte tot milieucategorie 3.1.

Zoals hiervoor is weergegeven is ingevolge artikel 6, lid 6.2, onder b, van de planregels ter plaatse een maximale bedrijfsbebouwing van 75 % van het bouwvlak toegestaan. Het bouwvlak is zoals hiervoor vermeld 12.250 m², waarvan 75% 9.187,50 m² bedraagt. Agrarische loonbedrijven van deze omvang vallen volgens de Staat van bedrijfsactiviteiten in categorie 3.1.

29.13.

De Afdeling overweegt voorts dat de indicatieve richtafstanden uit de VNG-brochure bedoeld zijn voor nieuwe situaties. Nu dit plan geen nieuwvestiging mogelijk maakt, heeft de raad reeds daarom niet hoeven aan te sluiten bij de in deze brochure genoemde richtafstanden. Dat betekent dat het de raad in beginsel vrijstaat om voor een reeds lang ter plaatse gevestigd bedrijf een kortere afstand aan te houden.

Dit neemt niet weg dat de raad, indien daartoe aanleiding bestaat, in het kader van een vast te stellen plan dient te onderzoeken of hij de milieugevolgen van de aanwezigheid van het bedrijf op die locatie aanvaardbaar acht. Daartoe bestond in dit geval te meer aanleiding nu ook de raad zelf, blijkens het verhandelde ter zitting en zijn zienswijze op het deskundigenbericht, thans het standpunt inneemt dat van een belangrijk deel van de werkzaamheden van het bedrijf van [bedrijf C] niet kan worden volgehouden dat deze geheel of in overwegende mate zijn gericht op of ten dienste staan van agrarische bedrijvigheid. Het had dan ook op de weg gelegen van de raad om vast te stellen of, dan wel onder welke voorwaarden, onder meer met betrekking tot de vrachtwagenbewegingen van en naar het bedrijf, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf kan worden gegarandeerd.

Het bestreden besluit geeft er geen blijk van dat dit is onderzocht, zodat het besluit in zoverre is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het betoog slaagt.

29.14.

In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Natuur" met betrekking tot zijn gronden die in gebruik zijn als tuin en het plandeel met de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding "agrarisch loonbedrijf" met betrekking tot het perceel [locatie 11] is genomen in strijd met het motiveringsbeginsel, de rechtszekerheid en met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 7] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Nu dezelfde gebreken kleven aan het besluit van het besluit van 18 december 2014, dient ook dat besluit in zoverre te worden vernietigd.

29.15.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

29.16.

Ten aanzien van [appellant sub 7] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Het beroep van BW Beheer en Princeville Exploitatie BV

30. BW Beheer en Princeville Exploitatie BV, eigenaar/exploitant van het Van der Valk Hotel Princeville Breda aan de Princenhagelaan 3-5, kunnen zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" met betrekking tot het perceel Bagvensestraat/Liesboslaan.

Zij voeren daartoe aan dat de raad in het plan ruimere bouw- en gebruiksmogelijkheden aan het desbetreffende perceel heeft toegekend dan waar de aan Port of Breda BV verleende omgevingsvergunning van 16 december 2014 op zag, namelijk een hotel met restaurant. Volgens hen is hiermee sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarvan nut en noodzaak bij de vaststelling van het plan hadden moeten worden onderzocht en onderbouwd, zoals wordt vereist in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro).

BW Beheer en Princeville Exploitatie BV achten het plan voorts strijdig met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat niet is onderzocht of het plan in overeenstemming is met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi), de verkeersveiligheid, de Wet geluidhinder, het Activiteitenbesluit en de gemeentelijke parkeernota en bovendien de archeologische waarden ter plaatse, de milieuhygiënische aspecten en de invloed van de horecabestemming op de omgeving niet zijn onderzocht, hetgeen strijdt met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Zij achten het plan tevens strijdig met artikel 7.10 van de Verordening, in onderlinge samenhang gelezen met artikel 7.14 van de Verordening, waarin is bepaald dat de vestiging van horeca in landelijk gebied slechts is toegestaan als dat past binnen de beoogde ontwikkeling van dat gebied en verzekerd is dat overtollige bebouwing wordt gesloopt.

Volgens BW Beheer en Princeville Exploitatie BV had de raad de horecabestemming onder overgangsrecht moeten brengen omdat hij die ter plaatse inmiddels kennelijk ongewenst acht.

Ter zitting hebben BW Beheer en Princeville Exploitatie BV nog naar voren gebracht dat de vaststelling niet is gebaseerd op ruimtelijke motieven, maar uitsluitend op de vrees van de raad voor financiële claims van Port of Breda BV bij het vervallen van de bestemming, dat Port of Breda BV inmiddels een aanvraag heeft ingediend voor het oprichten van een Burger King ter plaatse en dat de omgevingsvergunning voor het hotel/restaurant op verzoek van Port of Breda BV op 21 december 2015 is ingetrokken.

30.1.

Blijkens het bestreden besluit heeft de raad de horecabestemming in het plan opgenomen naar aanleiding van de zienswijze van Port of Breda BV tegen het ontwerpplan, waarin die bestemming niet was opgenomen.

De raad achtte in dat verband van belang dat overeenstemming was bereikt over de levering van de gronden aan Port of Breda BV, dat een aanvraag om een omgevingsvergunning was ingediend voor het oprichten van een hotel/restaurant op deze locatie op grond van het destijds vigerende plan en dat bij het vervallen van de bouwmogelijkheden een risico op een aanzienlijke planschadeclaim zou ontstaan.

In het verweerschrift heeft de raad onder meer naar voren gebracht dat op 16 december 2014 op basis van het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid" van 2009 een omgevingsvergunning voor een hotel/restaurant was verleend en dat het plan voor de gronden in kwestie in vergelijking daarmee geen ruimere gebruiks- en bouwmogelijkheden bevat, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro hier niet van toepassing is.

30.2.

Het terrein waarop de ontwikkeling is gepland, ligt ingesloten tussen de Ettense Baan en de verbindingswegen tussen de A16 aan de oostzijde en de A58 in westelijke richting. Op het oostelijk deel van het terrein ligt een parkeerterrein dat wordt ontsloten vanaf de Ettensebaan en de Liesboslaan. Het Van der Valk Hotel Princeville Breda ligt aan de oostzijde van de A16, op ongeveer 500 m afstand van de gronden waar de ontwikkeling is gepland.

30.3.

De Afdeling overweegt allereerst dat in hetgeen Port of Breda BV ter zitting heeft aangevoerd geen grond wordt gevonden om het beroep van BW Beheer niet-ontvankelijk te verklaren. Dat BW Beheer, zijnde de moedermaatschappij van Princeville Exploitatie BV, geen eigenaar van de gronden in kwestie is, is daartoe onvoldoende, nu BW Beheer de moedermaatschappij van Princeville Exploitatie BV is en als zodanig een belang heeft bij het bestreden besluit.

30.4.

In het plan is aan de gronden in kwestie in het plan de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, onder a en f, van de planregels zijn de hiertoe aangewezen gronden onder meer bestemd voor bedrijven en inrichtingen welke voorkomen in de categorieën 1 t/m 3 van de als bijlage 1 bij deze regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten, respectievelijk horeca in de vorm van één restaurant, één hotel of een combinatie daarvan.

Ingevolge lid 7.2, onder a tot en met c, mogen op deze gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de bebouwing wordt gesitueerd ter plaatse van de aanduiding bouwvlak, het bebouwingspercentage van het bestemmingsvlak maximaal 30% mag bedragen en de hoogte van de gebouwen maximaal 8 meter mag bedragen, met dien verstande dat over een bebouwd oppervlak van 2000 m² de hoogte maximaal 70 meter mag bedragen.

30.5.

In het voorheen ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Zuid" van 2009 was aan de desbetreffende gronden eveneens de bestemming "Bedrijventerrein" met een bouwvlak toegekend. De gronden waren met name bestemd voor bedrijven en inrichtingen in de milieucategorieën 1 tot en met 3 van de als bijlage A bij de planregels opgenomen lijst van Bedrijven en inrichtingen, en bedrijven van een hogere categorie maar wat betreft milieubelasting gelijk te stellen aan een categorie 3-bedrijf, en tevens voor horeca in de vorm van één restaurant, één hotel of een combinatie daarvan. Op de gronden met deze bestemming mocht uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de bebouwing moest worden gesitueerd binnen het bouwvlak, met een bebouwingspercentage van ten hoogste 30% en een maximale bouwhoogte van 8 m, met dien verstande dat over een bebouwd oppervlak van 2000 m² de hoogte maximaal 70 m mocht bedragen.

30.6.

Bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van 16 december 2014 is op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid" van 2009 een omgevingsvergunning verleend voor horeca met een hotel ter plaatse.

30.7.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

30.8.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

30.9.

Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro (nota van toelichting, blz. 34 en 49; Stb. 2012, 388) is met dit artikellid beoogd dat het mogelijk maken van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt afgewogen aan de hand van de in het artikellid opgenomen stappen en dat hierover een motivering wordt opgenomen in de plantoelichting.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet volgens de Afdeling in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologisch beslag op de ruimte het voorliggende plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan.

De Afdeling overweegt dat het plan voorziet in dezelfde mogelijkheden voor het realiseren van een horeca- en hotelfunctie als het voorheen geldende plan. De Afdeling is van oordeel dat het plan onder deze omstandigheden geen nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro mogelijk maakt.

De door BW Beheer en Princeville Exploitatie BV gemaakte vergelijking met de op 16 december 2014 verleende omgevingsvergunning is in dit verband niet van belang, nu die verlening niet in de weg staat aan de realisering ter plaatse van een hotel en/of restaurant op basis van het voorheen geldende plan.

Voorts wordt, onder verwijzing naar overweging 30.5 overwogen dat het plan ten opzichte van het voorheen geldende plan evenmin tot extra ruimtebeslag binnen bestaand stedelijk gebied leidt.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de plantoelichting derhalve niet behoefde te voldoen aan de voorwaarden in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Het betoog faalt".

30.10.

Anders dan BW Beheer en Princeville Exploitatie BV menen staan de bepalingen van de Verordening 2014 evenmin aan het mogelijk maken van een hotel/restaurant in de weg.

De door hen ingeroepen artikelen 7.10 en 7.14 van de Verordening 2014, die zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak, bevatten beschermingsbepalingen met betrekking tot bestemmingsplannen die zien op gronden in gemengd landelijk gebied.

Artikel 4.2 van de Verordening 2014 luidt als volgt:

Een bestemmingsplan dat voorziet in een stedelijke ontwikkeling is uitsluitend gelegen in bestaand stedelijk gebied.

In artikel 8.1 van de Verordening 2014 is bepaald dat, in afwijking van artikel 4.2 van de Verordening 2014, een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling' kan voorzien in een stedelijke ontwikkeling.

De Afdeling overweegt dat de desbetreffende locatie deel uitmaakt van een groter gebied dat in de Verordening 2014 is aangeduid als "gemengd landelijk gebied". Het gebied is in de Verordening 2014 tevens aangeduid als "zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, stedelijk concentratiegebied". Van strijd met de door BW Beheer en Princeville Exploitatie BV ingeroepen bepalingen van de Verordening 2014 is naar het oordeel van de Afdeling derhalve geen sprake. Ook dit betoog faalt.

30.11.

Met betrekking tot het beroep van BW Beheer en Princeville Exploitatie BV op het zorgvuldigheidsbeginsel overweegt de Afdeling als volgt.

Ter zitting heeft Port of Breda BV ter zake naar voren gebracht dat het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a van de Awb aan honorering van die beroepsgrond en de vernietiging van het besluit in de weg staat, omdat de daarbij ingeroepen rechtsregels niet strekken tot bescherming van een belang waarin BW Beheer en Princeville Exploitatie BV feitelijk dreigen te worden geschaad.

30.12.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

30.13.

Naar het oordeel van de Afdeling strekken de door BW Beheer en Princeville Exploitatie BV genoemde rechtsregels met betrekking tot externe veiligheid, verkeersveiligheid, de parkeersituatie, archeologische waarden, de milieuhygiënische aspecten en de invloed van de horecabestemming op de omgeving niet tot bescherming van hun belangen. Daartoe neemt de Afdeling in aanmerking dat het perceel van BW Beheer en Princeville Exploitatie BV op een dusdanige afstand van het perceel in kwestie is gelegen en daarvan wordt gescheiden door verschillende verkeerswegen, waaronder de snelweg de A16, dat niet valt in te zien dat zij hinder van de milieu- of andere effecten, waaronder parkeeroverlast, van de ter plaatse vergunde ontwikkeling zullen ondervinden. De desbetreffende rechtsregels strekken voorts evenmin tot bescherming van het belang van BW Beheer en Princeville Exploitatie BV als concurrent, te weten gevrijwaard te blijven van de realisering van een nieuw hotel en/of restaurant in haar verzorgingsgebied.

30.14.

Uit het voorgaande volgt dat hetgeen BW Beheer en Princeville Exploitatie BV in het kader van strijd met de zorgvuldigheid hebben aangevoerd geen bespreking behoeft.

30.15.

De Afdeling overweegt voorts dat het feit dat bij het besluit van de raad om de ontwikkeling van horeca- en hotelfaciliteiten ter plaatse in het plan op te nemen financiële redenen een rol hebben gespeeld niet maakt dat dat besluit inhoudelijk de toets der kritiek niet kan doorstaan.

Voor zover BW Beheer en Princeville Exploitatie BV betogen dat uit de indiening op 30 juli 2015 door Port of Breda BV van een aanvraag voor het oprichten van een Burger King ter plaatse en de intrekking op 21 december 2015 van de omgevingsvergunning voor het hotel/restaurant moet worden afgeleid dat Port of Breda BV geen belang meer heeft bij beoordeling van het plan op dit punt, overweegt de Afdeling dat voor het vervallen van procesbelang aanleiding bestaat indien betrokkene daarbij niet langer een actueel en reëel belang heeft. Voor dat oordeel wordt hier geen aanleiding gezien, waarbij tevens belang toekomt aan het feit dat Port of Breda BV ter zitting naar voren heeft gebracht nog steeds belang te hechten aan het handhaven van de bestreden bestemming, ten behoeve van het al dan niet in combinatie met andere ontwikkelingen ter plaatse realiseren van een hotel/restaurant.

30.16.

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

30.17.

Ten aanzien van BW Beheer en Princeville Exploitatie BV bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Het beroep van [appellant sub 9] en anderen

31. [appellant sub 9] en anderen kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Sport", de aanduiding "manege" en het toegekende bouwvlak voor het bedrijf [bedrijf D] aan de [locatie 12] - voorheen Sintelweg 5-7 - omdat daarmee wordt toegestaan om manegeactiviteiten in de gebouwen op het terrein uit te voeren en nieuwe gebouwen op te richten. Zij beroepen zich in dit verband met name op strijd met artikel 6.1 en 6.10 van de Verordening 2014.

Formeel

Ontvankelijkheid en relativiteitsvereiste

31.1.

Met betrekking tot de door [bedrijf D] ingeroepen niet-ontvankelijkheid van [appellant sub 9] en anderen overweegt de Afdeling als volgt.

31.2.

Het beroep van [appellant sub 9] en anderen is ingesteld door [appellant sub 9], wonende [locatie 13], en door [appellanten sub 18], beiden wonende [locatie 14].

Vast staat dat het perceel van [appellant sub 9] grenst aan het perceel van de manege. De woning van [appellant sub 9] en het op zijn terrein gelegen gastenverblijf bevinden zich op een afstand van onderscheidenlijk 72 en 50 meter van de manege van [bedrijf D], zodat zijn belang rechtstreeks bij het besluit tot vaststelling van het plan is betrokken.

31.3.

In de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3150, zijn [appellanten sub 18] als belanghebbenden aangemerkt met betrekking tot het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid" van 2009, onder meer op basis van het feit dat zij vanuit hun op ongeveer 200 m van het perceel van [bedrijf D] gelegen woning en tuin zicht hebben op het perceel van [bedrijf D]. Anders dan [bedrijf D] ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de zichtsituatie vanaf het perceel van [appellanten sub 18] sindsdien zodanig is gewijzigd, dat zij thans niet meer kunnen worden geacht te worden geraakt in een belang dat rechtstreeks bij dit onderdeel van het plan is betrokken. Hetgeen [bedrijf D] met betrekking tot de ontvankelijkheid van [appellant sub 9] naar voren heeft gebracht omtrent de achterliggende motieven van [appellant sub 9] voor het instellen van beroep - wat daarvan ook zij - doet niet ter zake en leidt dan ook niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van de Afdeling zijn [appellant sub 9], [appellanten sub 18] dan ook belanghebbend bij de bestreden besluiten als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zodat hun beroepen ontvankelijk zijn.

31.4.

Met betrekking tot de door [bedrijf D] opgeworpen vraag of artikel 8:69a van de Awb, gelet op de door [appellanten sub 18] ingeroepen normen aan vernietiging van het bestreden plandeel in de weg staat, overweegt de Afdeling als volgt.

31.5.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

31.6.

De artikelen 6.1 en 6.10 van de VR 2014 strekken mede tot behoud en bescherming van de landschappelijke waarden en kenmerken van de omgeving waarin [appellant sub 9] en anderen wonen. Het belang van [appellant sub 9] en anderen bij het behoud van een goed woon- en leefklimaat is daarmee zodanig verweven, dat niet kan worden geoordeeld dat de artikelen 6.1 en 6.10 van de VR 2014 kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belang. Anders dan [bedrijf D] stelt, staat artikel 8:69a van de Awb dan ook niet aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg. Haar stelling dat het achterliggende motief van [appellanten sub 18] voor het instellen van het beroep niet de bescherming van de leefbaarheid is, maar uitsluitend in de persoonlijke sfeer ligt, leidt, wat daarvan zij, niet tot een ander oordeel. Bij de toepassing van artikel 8:69a is niet het achterliggende motief voor de indiening van het beroep van belang, maar of de betrokken rechtsregel of het betrokken rechtsbeginsel strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Inhoudelijk

31.7. [

appellant sub 9] en anderen betogen dat het plan, in strijd met artikel 6.10, eerste lid, onder a en b, van de Verordening 2014, voorziet in de vestiging van een niet-agrarische functie in de groenblauwe mantel, zonder dat wordt voldaan aan de daarin opgenomen voorwaarden omtrent de maximale perceelsgrootte en het leveren van een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van het gebied. Zij zijn van mening dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een bestaand bedrijf dat volgens de Verordening 2014 mag worden uitgebreid en dat het plan niet meer mogelijk maakt dan de verleende omgevingsvergunning.

Verder voeren zij aan dat het plan in zoverre tevens strijdt met de eis in artikel 6.1, eerste lid, onder a en b, van de Verordening 2014, dat het plan strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van en regels stelt ter bescherming van genoemde waarden. Zij hebben op dit punt onder meer betoogd dat uit het in hun opdracht opgestelde rapport van het ecologisch adviesbureau Cools van 10 september 2014 "Analyse van de natuurwaarden in het gebied tussen de Vloeiweide en Krabbeboschen" volgt dat het gebied belangrijke bestaande en potentiële natuurwaarden heeft, onder meer als verbindingszone tussen die natuurgebieden. Zij hebben in dit verband voorts aangevoerd dat de aanwezigheid van de beplantingsstroken ten noorden en ten noordwesten van het perceel niet via de planregels of anderszins op bestuursrechtelijke wijze verplicht is gesteld.

[appellant sub 9] en anderen hebben voorts betoogd dat de ruimtelijke uitstraling van een manege voor het woon- en leefklimaat van de omgeving, ten gevolge van verkeersbewegingen van paardentrailers en vrachtwagens en parkeerhinder, groter is dan van de ponyfokkerij en -pensionstalling, die hier voorheen gevestigd was.

31.8.

De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plandeel niet in strijd is met de artikelen 6.1 en 6.10 van de Verordening 2014, omdat het hier om een bestaand niet-agrarisch bedrijf gaat, waaraan op basis van de Verordening uitbreidingsruimte kan worden geboden. Daartoe wijst de raad onder meer op enkele uitspraken van de Afdeling met betrekking tot het perceel, waaronder de uitspraak van 2 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3150. Uit deze uitspraken moet volgens de raad worden geconcludeerd dat de manegeactiviteiten buiten rechtstreeks in het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1992 passen en dat de manegeactiviteiten in de gebouwen op het perceel van [bedrijf D] mochten worden voortgezet op grond van het overgangsrecht van dat bestemmingsplan. Dit betekent volgens de raad dat zowel binnen als buiten manegeactiviteiten ter plaatse rechtens zijn toegestaan.

Ook is in bedoelde uitspraken komen vast te staan dat onder het bestemmingsplan uit 1992 niet gebouwd mocht worden ten behoeve van manegeactiviteiten, omdat die mogelijkheid alleen gekoppeld was aan de ter plaatse toegestane ponyfokkerij en een ponypension. Mitsdien is voor het bouwen van een nieuwe overdekte ruimte voor het geven van paardrijlessen een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1992 verleend, aldus de raad.

31.9.

In het plan is aan de gronden aan de [locatie 12] de bestemming "Sport" toegekend met de gebiedsaanduiding "manege". Voorts is op de verbeelding een bouwvlak aangegeven, met een maximum bebouwingspercentage van 50.

Ingevolge artikel 15, lid 15.1, onder c, van de planregels is ter plaatse uitsluitend een manege toegestaan, met onder meer de daarbij behorende parkeervoorzieningen.

Gebouwen mogen slechts worden gebouwd binnen het bouwvlak, waarbij het bebouwingspercentage van 50% geldt en een maximale bouwhoogte van 10 m.

Tussen het perceel [locatie 13] en het perceel [locatie 12] ligt een strook van ongeveer 5 m met de bestemming "Natuur", evenals op een afstand van 60 m ten noordwesten van het perceel van [locatie 12] over een breedte van ongeveer 10 m.

Gronden met de bestemming "Natuur" zijn in gevolge artikel 13, lid 13.1, onder meer bestemd voor de duurzame instandhouding van natuurgebieden, behoud, herstel en/of ontwikkeling van de aan de natuurgebieden eigen zijnde natuur- en hydrologische waarden.

31.10.

Op de gronden in kwestie is een paardenbedrijf en manege gevestigd, Manege Stal Sintels, die wordt geëxploiteerd door de familie [appellant sub 10]. [bedrijf D] en [appellant sub 10] bezitten in de omgeving van het perceel meerdere agrarische gronden die worden gebruikt als hooiland en voor het weiden van paarden.

Het perceel van [appellant sub 9] grenst aan de noordkant aan het perceel van de manege. Ten westen van het perceel van [appellant sub 9] liggen weilanden die door de manege gebruikt worden. Ten noordwesten van de woning van [appellant sub 9], nabij de grens met de manege, staat een bijgebouw dat is ingericht als gastenverblijf en wordt gebruikt als werkplek en logeergelegenheid.

De woning van [appellanten sub 18] aan de [locatie 14] ligt op een afstand van ongeveer 235 m van de manege en op ongeveer 50 m afstand van de weilanden die door de manege gebruikt worden.

31.11.

Artikel 6 van de Verordening 2014 bevat regels die van toepassing zijn op de groenblauwe mantel, waarvan de gronden in kwestie deel uitmaken.

Niet in geschil is dat het plan voorziet in een niet-agrarische functie als bedoeld in artikel 6.10 van de Verordening.

Blijkens het verhandelde ter zitting worden partijen onder meer verdeeld gehouden door de vraag of in het voorliggende geval sprake is van vestiging, als bedoeld in het eerste lid, dan wel van uitbreiding, als bedoeld in het derde lid van artikel 6.10 van de Verordening 2014.

31.12.

Artikel 6.10 van de Verordening luidt als volgt.

1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel kan voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, anders dan bepaald in de artikelen 6.7 tot en met artikel 6.9 mits:

a. de totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 5.000 m² bedraagt;

b. de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken.

(-)

2. Een bestemmingsplan kan voorzien in een uitbreiding of wijziging van een bestaande niet-agrarische functie onder overeenkomstige toepassing van de bepalingen in het eerste lid.

3. In afwijking van het eerste lid, onder a, d en i, kan een bestemmingsplan voorzien in een uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie, mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat:

(-)

c. de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken;

d. de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de op grond van artikel 3.1 vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit.

Artikel 6.1, onder 1, van de Verordening 2014, luidt als volgt.

Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel:

a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;

b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, bevat een verantwoording over de wijze waarop de nodige kennis over de aanwezige ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken is vergaard.

Ingevolge artikel 1, lid 1.17, van de Verordening 2014, wordt onder bestemmingsvlak verstaan: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

Ingevolge lid 1.20 wordt onder bouwperceel verstaan: een aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan.

Ingevolge lid 1.21 wordt onder bouwvlak verstaan: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge het planologisch regiem gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

Ingevolge lid 1.85 wordt onder vestiging verstaan: het mogelijk maken van een ruimtelijke ontwikkeling binnen het bouwvlak van een bestaand bouwperceel die op grond van het geldende planologische regime niet is toegelaten.

Ingevolge lid 1.79 wordt onder uitbreiding verstaan: vergroting van een bestaand bouwperceel of bestaand bestemmingsvlak.

31.13.

Uit de stukken blijkt het volgende. Het plan laat het gebruik van de gronden en bebouwing ten behoeve van een manege toe en maakt uitbreiding van de bebouwing op het perceel mogelijk ten behoeve van verdere ontwikkeling van de manegeactiviteiten van het bedrijf.

Het bestemmingsvlak is ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1992 met ongeveer 0,8 ha verkleind. De verkleining betreft de gronden ten noorden en ten zuiden van de entree van de manege aan de Rijsbergseweg, die de bestemming "Agrarisch" hebben gekregen.

De oppervlakte aan bebouwing die [bedrijf D] blijkens de vergunningaanvraag wil realiseren, bedraagt ongeveer 3.700 m². De totale oppervlakte van de nieuwe bebouwing in combinatie met de oppervlakte van de woning en schuur bedraagt ongeveer 3.900 m², dat wil zeggen ongeveer gelijk aan de 4.000 m² aan gebouwen die in het plan wordt toegelaten (50% van het bouwvlak van 8.000 m²). De nieuwe bebouwing is voorzien binnen het bestaande bouwvlak.

31.14.

Vast staat dat het vigerende bestemmingsplan voor de betreffende gronden het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1992 is, aangezien het daaropvolgende bestemmingsplan "Buitengebied Zuid" uit 2009 bij uitspraak van 2 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3150 door de Afdeling is vernietigd, onder meer voor zover het betrof het plandeel met de bestemming "Sport" en de aanduiding "manege". In het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1992 had het perceel de bestemming "Primair agrarisch gebied" met de aanduiding "manege" en was voorzien in een bouwvlak met een bebouwingspercentage van 45. Op de gronden was het onderbrengen van, de handel in en het fokken van en de sportbeoefening met paarden toegestaan. Binnen het bouwvlak waren bouwwerken toegestaan ten behoeve van de in de relevante voorschriften genoemde bedrijven. Op het perceel [locatie 12] betrof dit een ponyfokkerij en -pension.

31.15.

Nu het perceel [locatie 12] in het voormalige plan was voorzien van een bouwvlak op een bestaand bouwperceel en de nieuwe bebouwing mogelijk wordt gemaakt binnen dat bouwperceel, is uitbreiding van een niet-agrarische functie als bedoeld in artikel 6.10, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.79, van de Verordening 2014 hier niet aan de orde. Voor uitbreiding moet immers sprake zijn van vergroting van een bestaand bouwperceel of bestaand bestemmingsvlak, terwijl het hier gaat om een ruimtelijke ontwikkeling binnen het bouwvlak van een bestaand bouwperceel en derhalve van vestiging van een niet-agrarische functie op het perceel als bedoeld in artikel 1, lid 1.85, van de Verordening 2014.

Artikel 6.10, derde lid, van de Verordening 2014 is derhalve niet van toepassing.

31.16.

De vestiging van een niet-agrarische functie moet ingevolge artikel 6.10, eerste lid, onder a, voldoen aan de eis dat de totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 5.000 m² bedraagt.

Naar door de raad ter zitting niet is weersproken, wordt aan deze eis niet voldaan. Volgens het deskundigenbericht bedraagt de oppervlakte van het bouwvlak ongeveer 8000 m². Bouwperceel wordt in de Verordening 2014 gedefinieerd als: een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan. Het feit dat in het plan het bouwvlak ten opzichte van dat uit het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1992 is verkleind, de bebouwingsmogelijkheden daarmee zijn beperkt en dat de maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte in het plan minder bedraagt dan 5000 m², leidt niet tot een ander oordeel. Ook de verklaring van de raad dat bij de vaststelling van het plan op dit punt in de geest van de Verordening 2014 is gehandeld kan niet tot een ander oordeel leiden, nu artikel 6.1, eerste lid, onder a, dwingend is geformuleerd en aan de raad geen beslissingsruimte geeft bij de vertaling hiervan in een bestemmingsplan.

Het betoog slaagt.

31.17.

Ten behoeve van toetsing aan artikel 6.10, eerste lid, onder b, in onderlinge samenhang met artikel 6.1, eerste lid, van de Verordening 2014, wordt overwogen dat in dit verband in opdracht van [appellant sub 9] en anderen onderzoek ter zake van de ecologische en natuurwaarden ter plaatse is verricht. In het op basis daarvan opgestelde rapport "Analyse van de natuurwaarden in het gebied tussen de Vloeiweide en de Krabbebosschen" van 10 september 2014 van Ecologisch Adviesbureau Cools van de natuurwaarden in het gebied tussen de Vloeiweide en Krabbeboschen is niet ingegaan op de invloed van het plan op die waarden. Uit het rapport kunnen op dit punt op basis van dit rapport dan ook geen conclusies worden getrokken.

De Afdeling overweegt voorts dat op 15 juli 2015, in opdracht van de ZLTO, de Ecologische quickscan van 15 juli 2015 van Buro Maerlant is opgesteld. Anders dan [appellant sub 9] en anderen stellen, zijn hierbij de ecologische waarden van de omgeving, waaronder de ecologische verbindingszone tussen de natuurgebieden Vloeiweide en de Krabbebosschen, mede in de beoordeling betrokken. In het rapport is onder meer met betrekking tot de verbindingszone geconcludeerd dat, door het ontbreken van faunapassages onder of over de weg, de Rijsbergseweg voor de meeste soorten al een grote fysieke barrière vormt. Vleermuizen hebben daarvan volgens het rapport geen hinder vanwege de vele bomen in het gebied. Effecten van de ontwikkeling op beschermde gebieden zijn volgens het rapport voorts uitgesloten.

Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 9] en anderen dat de landschappelijke inpassing van de voorgenomen ontwikkeling in strijd met artikel 6.10, eerste lid, onder b, in onderlinge samenhang met artikel 6.1, eerste lid, van de Verordening 2014 niet in het plan is verzekerd, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft in de plantoelichting op dit punt verwezen naar de Lir.

Zoals ook in 22.9 is weergegeven, staat in de plantoelichting dat op regionaal niveau in overleg met de provincie afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de in de Verordening 2014 vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap. Om met name de landschappelijke inpassing verder handen en voeten te geven, zo staat in de plantoelichting, is de Lir opgesteld en deze is als bijlage bij de planregels gevoegd. Hiermee bevat de plantoelichting een verantwoording over de wijze waarop de afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg, worden nagekomen.

De kwaliteitsverbetering dient ingevolge artikel 6.10, eerste lid, onder b, in onderlinge samenhang met artikel 6.1, eerste lid, onder b, van de Verordening 2014, echter wel in het plan te zijn gewaarborgd. In de Lir wordt uitgegaan van een indeling in drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen waarbij per categorie is beschreven hoe de kwaliteit van het landschap moet worden verbeterd. Voor de ruimtelijke ontwikkeling aan de [locatie 12], waarin het plan bij recht voorziet, is in het plan echter niet gewaarborgd dat de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld met een verwijzing in de planregels naar de Lir. Dat met [bedrijf D], eigenaar van het perceel [locatie 12], een anterieure overeenkomst is gesloten is daarvoor onvoldoende. Voor zover de raad stelt dat in de planregels wordt verwezen naar de Lir overweegt de Afdeling dat deze verwijzing alleen is opgenomen in enkele afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden.

Uit een en ander volgt dat het plan in zoverre tevens is vastgesteld in strijd met artikel 6.10, eerste lid, onder b, in onderlinge samenhang met artikel 6.1, eerste lid, onder b, van de Verordening 2014.

31.18.

Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen [appellant sub 9] en anderen overigens hebben aangevoerd geen bespreking.

31.19.

Het beroep van [appellant sub 9] en anderen is gegrond, zodat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met betrekking tot het perceel [locatie 12] dient te worden vernietigd. Nu dezelfde gebreken kleven aan het besluit van 18 december 2014, dient ook dat besluit in zoverre te worden vernietigd.

31.20.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

31.21.

De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 9] en anderen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De kosten van het opstellen van een deskundigenrapport komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu hen daarvoor reeds een vergoeding is toegekend in het kader van de uitspraak van 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3161.

[locatie 15]

32. [ appellant sub 10] en anderen en [appellante sub 12] kunnen zich niet verenigen met de mogelijkheden die het plan biedt voor de vestiging van een paardenhouderij aan de [locatie 15]. [appellanten sub 18] wensen ter plaatse een paardenhouderij te vestigen met 14 fokmerries en 16 opfokpaarden. Daarvoor willen zij een africhtstal met stallen met een totale omvang van ongeveer 3.200 m² bouwen. [appellant sub 10] en anderen wonen aan de [locatie 16], [locatie 17] en [locatie 18], op een afstand van onderscheidenlijk 320 m, 380 m en 450 m tot de [locatie 15]. Het ponyfok- en opfokbedrijf van [appellant sub 10] en anderen ligt aan de [locatie 12], op een afstand van ongeveer 450 m tot de [locatie 15]. [appellante sub 12] exploiteert een intensieve veehouderij aan de [locatie 19], op een afstand van ongeveer 90 m van de [locatie 15].

Formeel

Ontvankelijkheid

33. [ appellanten sub 18] betogen dat [appellant sub 10] en anderen niet ontvankelijk zijn in hun beroep, omdat zij op een te grote afstand wonen van het plandeel aan de [locatie 15].

33.1. [

appellant sub 10] en anderen wonen op afstanden van tussen de 320 m en 450 m tot het plandeel aan de [locatie 15]. Zij vrezen onder meer dat de ontwikkeling ter plaatse leidt tot meer en zwaarder verkeer langs hun woningen, mede omdat de Sintelweg hierop volgens hen niet is berekend. Anders dan [appellanten sub 18] stellen en anders dan staat in het deskundigenverslag, is naar het oordeel van de Afdeling niet uitgesloten dat de ontwikkeling leidt tot meer verkeersbewegingen over de Sintelweg. Niet staat vast dat het verkeer van de [locatie 15] naar de Bredaseweg zal worden ontsloten via de IJzermolenweg en de Kleuterhuislaan, reeds omdat deze route langer is en deze wegen vergelijkbaar zijn met de Sintelweg. Voorts is gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling die binnen dit gedeelte van het plangebied mogelijk wordt gemaakt niet uitgesloten dat [appellant sub 10] en anderen vanaf hun percelen zicht hebben op de ontwikkeling. De conclusie is dat [appellant sub 10] en anderen belanghebbenden zijn bij het besluit van 5 november 2015. Ook overigens ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 10] en anderen niet ontvankelijk zijn in hun beroep. Het beroep is ontvankelijk.

Behandeling zienswijzen

34. [ appellant sub 10] en anderen betogen dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Relativiteitsvereiste

35. [ appellanten sub 18] stellen zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste zich er in dit geval tegen verzet dat [appellant sub 10] en anderen bezwaren aanvoeren in verband met de effecten die de ontwikkeling aan de [locatie 15] kan hebben voor het Natura 2000-gebied het Ulvenhoutse bos.

35.1.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

35.2.

De bepalingen van de Nbw 1998 hebben met name ten doel het algemene belang van bescherming van natuur en landschap te beschermen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011 in zaak nr. 201008514/1/M3; www.raadvanstate.nl) volgt dat de individuele belangen van burgers die in of in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied wonen bij behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Nbw 1998 beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Nbw 1998 kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

De woningen van [appellant sub 10] en anderen staan op een afstand van ongeveer zes kilometer van het Natura 2000-gebied het Ulvenhoutse bos. Zij wonen daarmee niet in de onmiddellijke nabijheid van dat gebied. Er bestaat dan ook geen duidelijke verwevenheid van hun individuele belangen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving met de algemene belangen die de Nbw 1998 beoogt te beschermen, zodat de betrokken normen in zoverre kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen als omwonenden van de ontwikkeling. Het voorgaande leidt ertoe dat de Afdeling de beroepsgronden voor zover aangedragen ten aanzien van het Natura 2000-gebied Ulvenhoutse bos buiten beschouwing zal laten, nu artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg staat dat het besluit van 5 november 2015 om die reden wordt vernietigd.

Inhoudelijk

Het beroep van [appellant sub 10] en anderen

36. [appellant sub 10] en anderen betogen dat het plandeel aan de [locatie 15] is vastgesteld in strijd met artikel 6.10 van de Verordening 2014. Zij voeren hiertoe aan dat in de plantoelichting niet is verantwoord dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Volgens [appellant sub 10] en anderen is ten onrechte niet onderzocht wat de aanwezige ecologische en landschappelijke waarden zijn. Het realiseren van een bomenrij is volgens hen onvoldoende voor de landschappelijke inpassing. Voorts is niet duidelijk op welke wijze de gronden op het perceel [locatie 15] waaraan de bestemming "Natuur" is toegekend, moeten worden ingericht. Zij wijzen erop dat op korte afstand van de [locatie 15] het natuurgebied De Vloeiweide ligt. Volgens [appellant sub 10] en anderen valt de ontwikkeling niet onder categorie 2 van de Lir. Omdat thans geen agrarisch bedrijf in werking is, kan de voorziene ontwikkeling volgens hen niet leiden tot een verbetering van de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van het gebied. Voorts valt de beoogde inrichting volgens [appellant sub 10] en anderen onder milieucategorie 3 en is deze daarom niet toegestaan in de groenblauwe mantel.

36.1.

De raad stelt dat de voorziene ontwikkeling aan de [locatie 15] voldoet aan de voorwaarden in artikel 6.10 van de Verordening 2014.

36.2.

Ingevolge artikel 1, lid 1.55, van de Verordening 2014 wordt onder milieucategorie verstaan: milieucategorie zoals omschreven in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (2009).

Ingevolge lid 1.59 wordt onder nieuwvestiging verstaan: vestiging op een locatie die volgens het geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een (bouwvlak op een) bestaand bouwperceel of de (af)splitsing van een (bouwvlak op een) bestaand bouwperceel.

Ingevolge lid 1.79 wordt onder uitbreiding verstaan: vergroting van een bestaand bouwperceel of bestaand bestemmingsvlak.

Ingevolge lid 1.85 wordt onder vestiging verstaan: mogelijk maken van een ruimtelijke ontwikkeling binnen het bouwvlak van een bestaand bouwperceel die op grond van het geldende planologische regime niet is toegelaten.

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

Ingevolge het bepaalde onder b stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

Ingevolge het tweede lid bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, een verantwoording over de wijze waarop de nodige kennis over de aanwezige ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken is vergaard.

Ingevolge artikel 6.10, eerste lid, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, anders dan bepaald in de artikelen 6.7 tot en met 6.9 mits:

(…)

b. de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken;

(…)

d. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger.

Ingevolge het tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in een uitbreiding of wijziging van een bestaande niet-agrarische functie onder overeenkomstige toepassing van de bepalingen in het eerste lid.

36.3.

Aan het perceel aan de [locatie 15] is deels de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "paardenhouderij" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.67, van de planregels wordt onder paardenhouderij verstaan: allerlei vormen van bedrijvigheid, niet zijnde maneges, waar hoofdzakelijk met paarden wordt gewerkt zoals paardenfokkerijen, africhtingsstallen, handelsstallen en paardenpensions.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijfsdoeleinden, anders dan agrarische activiteiten, in de milieucategorieën 1 en 2 zoals deze zijn aangegeven in de als bijlage 3 bij deze regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten;

b. ter plaatse van de aanduidingen "paardenhouderij", "agrarisch loonbedrijf", "specifieke vorm van bedrijf - schoonheidssalon" en "specifieke vorm van bedrijf - bed en breakfast" tevens daarvoor.

Ingevolge lid 6.2, aanhef en b, mag per aanduiding "bouwvlak" maximaal één bedrijf aanwezig zijn en mag de bedrijfsbebouwing maximaal 400 m² bedragen behoudens ter plaatse van de aanduiding "agrarisch loonbedrijf", en "paardenhouderij" in welk geval het bouwvlak voor maximaal 75% mag worden bebouwd met dien verstande dat voor een paardenhouderij maximaal 1200 m² van de bebouwing uit rijhal mag bestaan.

Ingevolge het bepaalde onder c mogen op of in de tot "Bedrijf" bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat er niet gebouwd mag worden ten behoeve van de uitbreiding van het aantal dieren.

Ingevolge lid 6.3 kan het college van burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2 mits wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd:

(…)

d. van het bepaalde in lid 6.2 onder c voor het bouwen ten behoeve van het uitbreiden van het aantal dieren mits aangetoond wordt dat er stikstofneutraal wordt gebouwd en gebruikt.

36.4.

Nu thans geen dieren worden gehouden op het perceel maakt het plan de door [appellanten sub 18] gewenste africhtstal met stallen voor de paardenhouderij alleen mogelijk via de afwijkingsbevoegdheid in artikel 6, lid 6.3, aanhef en onder d, van de planregels.

36.5.

De Afdeling stelt vast dat het plandeel aan de [locatie 15] ligt in de groenblauwe mantel. Nu het vorige plan "Buitengebied" geen paardenhouderij toestond ter plaatse en gelet op de begripsbepaling voor paardenhouderij in artikel 1, lid 1.67, van de planregels voorziet het plan door middel van een afwijkingsbevoegdheid in een niet-agrarische ontwikkeling als bedoeld in de Verordening 2014. Artikel 6 van Hoofdstuk 3 van de Verordening 2014 bevat regels die van toepassing zijn op de groenblauwe mantel. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit het systeem van de Verordening 2014 dat niet-agrarische ontwikkelingen als bedoeld in dit artikel alleen zijn toegestaan als dit uitdrukkelijk is bepaald. Ingevolge artikel 6.10 van de Verordening 2014 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel onder een aantal voorwaarden voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie. Ingevolge het tweede en derde lid van dat artikel wordt de mogelijkheid geboden voor een uitbreiding van bestaande niet-agrarische functies. Nieuwvestiging van een niet-agrarische functie in de groenblauwe mantel is gelet op de systematiek van de Verordening 2014 niet toegestaan. Nu [appellant sub 10] en anderen aanvoeren dat de ontwikkeling aan de [locatie 15] is vastgesteld in strijd met artikel 6.10 ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld of het plan in zoverre voorziet in de vestiging, uitbreiding of nieuwvestiging van een niet-agrarische functie in de groenblauwe mantel.

36.6.

In het vorige bestemmingsplan was voor het perceel [locatie 15] een bouwvlak toegekend van 1400 m². In het thans voorliggende plan is een bouwvlak van 5.000 m² toegekend, waarbij artikel 6, lid 6.2, aanhef en onder b, van de planregels bepaalt dat 75% van dit bouwvlak mag worden bebouwd. Dit betekent in dit geval dat een oppervlakte van 3750 m² mag worden bebouwd. Gelet op de omschrijving van het begrip "vestiging" in artikel 1.85, van de Verordening 2014 als een ruimtelijke ontwikkeling binnen het bouwvlak van een bestaand bouwperceel, is de toekenning van de aanduiding "paardenhouderij" aan de gronden buiten het bouwvlak van het vorige plan bezien in samenhang met artikel 6, lid 6.3, aanhef en onder d, van de planregels nieuwvestiging als bedoeld in artikel 1.59 van de Verordening 2014. Dit is gelet op het bepaalde in de aanhef van het eerste lid van artikel 6.10 van de Verordening 2014 niet toegestaan.

36.7.

Wat betreft de aanduiding "paardenhouderij" binnen het bouwvlak uit het bestemmingsplan "Buitengebied", overweegt de Afdeling als volgt. Het plan voorziet in zoverre na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 6, lid 6.3, onder d, van de planregels in de vestiging van een niet-agrarische functie als bedoeld in artikel 6.10 van de Verordening 2014. Dit is ingevolge artikel 6.10, eerste lid, van de Verordening 2014 onder voorwaarden toegestaan. Eén van deze voorwaarden is dat dat de ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf behorend tot de milieucategorie 3. Ingevolge artikel 1, lid 1.55, van de Verordening 2014 wordt onder milieucategorie verstaan de milieucategorie zoals omschreven in de VNG-brochure. In de VNG-brochure worden paardenhouderijen aangemerkt als milieucategorie 3.1. Voor zover de raad en [appellanten sub 18] betogen dat de beoogde paardenhouderij vergelijkbaar is met een bedrijf behorend tot milieucategorie 2 overweegt de Afdeling als volgt. In de toelichting bij artikel 6.10, eerste lid, van de Verordening 2014 staat dat ook bedrijven mogelijk zijn die op grond van de VNG-brochure behoren tot milieucategorie 3 maar die gelet op de concrete ontwikkeling vergelijkbaar zijn met een bedrijf dat behoort tot milieucategorie 1 of 2. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de beoogde paardenhouderij een activiteit is die vergelijkbaar is met activiteiten uit categorie 1 of 2 van de VNG-brochure. Daarbij is van belang dat een deugdelijke onderbouwing hiervan in de plantoelichting en de overige aan het besluit ten grondslag gelegde stukken ontbreekt. In de nota van zienswijzen staat dat voor het soort bedrijf dat [appellanten sub 18] wensen te exploiteren op grond van het Activiteitenbesluit een minimale afstand van 25 m geldt. Deze afstand geldt in de VNG-brochure voor bedrijven in milieucategorie 2. Gelet hierop wordt, zo staat in de nota van zienswijzen, voldaan aan de Verordening 2014. Reeds omdat de VNG-brochure in zijn algemeenheid voor milieucategorie 2 voor het omgevingstype rustig buitengebied een richtafstand van 30 m voorschrijft en de afstand tussen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 15] en het bouwvlak van de dichtstbijzijnde woning ongeveer 23 m bedraagt, volgt de Afdeling deze uitleg van de raad niet. Daar komt bij dat met het beschrijven van een afstand geen inzicht in de aard van het bedrijf wordt gegeven. Voorts overweegt de Afdeling dat in het plan niet is gewaarborgd dat de beoogde ontwikkeling ook in de toekomst niet leidt tot een bedrijf in milieucategorie 3. Gelet hierop is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 6.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2014.

Het betoog slaagt.

36.8.

Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen [appellant sub 10] en anderen overigens hebben aangevoerd geen bespreking.

Het beroep van [appellante sub 12]

37. [ appellante sub 12] heeft ter zitting haar betoog over de situering van de bedrijfswoning aan de [locatie 15] ingetrokken.

38. [ appellante sub 12] exploiteert een veehouderij direct naast de [locatie 15], aan de [locatie 19]. Zij voert aan dat nieuwvestiging van de paardenhouderij aan de [locatie 15] niet mogelijk is, omdat de ontwikkeling stikstofneutraal moet plaatsvinden. Ter zitting heeft zij toegelicht dat indien de ontwikkeling leidt tot een toename van de stikstofdepositie op het Ulvenhoutse bos dit mogelijk nadelige gevolgen heeft voor haar veehouderij aan de [locatie 19].

38.1.

Uit een berekening die als bijlage bij het deskundigenverslag is gevoegd, volgt dat de ontwikkeling aan de [locatie 15] leidt tot een toename van de stikstofdepositie op het Ulvenhoutse bos van 0,03 mol/ha per jaar. In het deskundigenverslag staat dat bij deze berekening is uitgegaan van het aantal paarden dat is opgenomen in het bedrijfsplan, maar dat het plan er niet aan in de weg staat dat bebouwing wordt opgericht ten behoeve van het houden van meer paarden. Bovendien dient, gelet op hetgeen hiervoor, onder 15.5, is overwogen ten aanzien van het beroep van de vereniging en anderen, de beoordeling of een plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden kan aantasten, plaats te vinden voorafgaand aan de vaststelling ervan. De voorwaarde dat stikstofneutraal wordt gebruikt en gebouwd in artikel 6, lid 6.3, onder d, van de planregels ontslaat de raad niet van de verplichting om voorafgaand aan de vaststelling van het plan te beoordelen of de ontwikkeling aan de [locatie 15] de natuurlijke kenmerken van de nabij gelegen Natura 2000-gebieden kan aantasten. Nu deze beoordeling niet heeft plaatsgevonden, is het plandeel aan de [locatie 15] vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998. Voor zover [appellanten sub 18] erop hebben gewezen dat zij externe saldering zullen toepassen, overweegt de Afdeling dat deze in de bedoelde beoordeling als maatregel kan worden meegenomen. Nu deze beoordeling niet heeft plaatsgevonden, komt aan de externe saldering geen betekenis toe. Anders dan zij kennelijk veronderstellen kunnen de stukken die als bijlage bij het deskundigenverslag zijn gevoegd niet als passende beoordeling worden aangemerkt als bedoeld in artikel 19f van de Nbw 1998. De overeenkomst over het ten gunste van het initiatief van [appellanten sub 18] gedeeltelijk laten intrekken van de milieuvergunning van het bedrijf aan de Fort Oranjestraat 2a in Rijsbergen, het besluit tot intrekking van deze milieuvergunning en de berekening van de stikstofdepositie van het bedrijf aan de Fort Oranjestraat 2a en de ontwikkeling aan de [locatie 15] zijn daarvoor naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende.

Gelet op het voorgaande slaagt het betoog van [appellante sub 12].

Het beroep van [appellanten sub 18]

39. [appellanten sub 18] hebben een van rechtswege ontstaan beroep tegen het besluit van 5 november 2011. Zij voeren aan dat in artikel 6, lid 6.2, onder c, ten onrechte is bepaald dat niet gebouwd mag worden ten behoeve van de uitbreiding van het aantal dieren. Voorts is in artikel 6, lid 6.3, onder d, ten onrechte bepaald dat stikstofneutraal moet worden gebouwd en gebruikt. [appellanten sub 18] wijzen erop dat met gebruikmaking van externe saldering sprake zal zijn van een afname van de stikstofdepositie op het Ulvenhoutse bos.

Zij wijzen er voorts op dat in artikel 6, lid 6.3, van de planregels ten onrechte de zinsnede "onder f (nieuw) wordt na de woorden ‘en gehandhaafd’ toegevoegd ‘ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ deze uitsluitend binnen deze aanduiding aanwezig mag zijn c.q. gebouwd mag worden" is opgenomen. Verder is in de aanhef van artikel 6, lid 6.3, volgens [appellanten sub 18] ten onrechte bepaald dat moet worden voldaan aan de Lir. Dit is volgens hen niet nodig, omdat bij de vaststelling van het plan al is beoordeeld of de ontwikkeling voldoet aan de Lir.

39.1.

Wat betreft het betoog over de afwijkingsvoorwaarde dat stikstofneutraal moet worden gebouwd en gebruikt overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling hiervoor, onder 38.1, ten aanzien van het beroep van [appellante sub 12] heeft overwogen, heeft de raad niet voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan passend beoordeeld of de gewenste paardenhouderij aan de [locatie 15] de natuurlijke kenmerken van de nabij gelegen Natura 2000-gebieden kan aantasten. Gelet hierop is in artikel 6, lid 6.2, onder c, van de planregels terecht bepaald dat niet gebouwd mag worden ten behoeve van de uitbreiding van het aantal dieren.

Wat betreft de voorwaarde dat stikstofneutraal moet worden gebouwd en gebruikt in artikel 6, lid 6.3, onder d, van de planregels overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op hetgeen hiervoor, onder 38.1, ten aanzien van het beroep van [appelante sub 12] is overwogen, dient de raad ten tijde van de vaststelling van het plan te beoordelen of de ontwikkeling aan de [locatie 15] de natuurlijke kenmerken van de nabij gelegen Natura 2000-gebieden kan aantasten. Nu deze beoordeling echter niet heeft plaatsgevonden, komt niet de voorwaarde in artikel 6, lid 6.3, onder d, van de planregels voor vernietiging in aanmerking maar het plan voor zover dat voorziet in de ontwikkeling van de paardenhouderij. Voorts komt aan de door [appellanten sub 18] genoemde externe saldering gelet op hetgeen hiervoor, onder 38.1, is overwogen geen betekenis toe.

De zinsnede "onder f (nieuw) wordt na de woorden ‘en gehandhaafd’ toegevoegd ‘ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ deze uitsluitend binnen deze aanduiding aanwezig mag zijn c.q. gebouwd mag worden" in artikel 6, lid 6.3, onder d, van de planregels betreft een kennelijke verschrijving. Gelet hierop leidt deze in de planregel niet tot onduidelijkheid.

Zoals hiervoor, onder 22.9, ten aanzien van de vereniging en anderen is overwogen, dient de kwaliteitsverbetering ingevolge artikel 3.2, eerste lid, in het plan te zijn gewaarborgd. Dat voorafgaand aan het plan is beoordeeld of kan worden voldaan aan de Lir, doet hier niet aan af omdat dit geen planologische waarborg is. Gelet hierop is in artikel 6, lid 6.3, van de planregels terecht als voorwaarde opgenomen dat moet worden voldaan aan de Lir.

Het betoog faalt.

Conclusie

40. In hetgeen [appellant sub 10] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover het betreft de aanduiding "paardenhouderij" voor de [locatie 15], is genomen in strijd met artikel 6.10 van de Verordening 2014.

In hetgeen [appellante sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover het betreft de aanduiding "paardenhouderij" voor de [locatie 15] is genomen in strijd met artikel 19j van de Nbw 1998.

De beroepen van [appellant sub 10] en anderen en [appellante sub 12] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Nu in zoverre niet wordt teruggevallen op het besluit van 18 december 2014, behoeft dat besluit geen bespreking.

40.1.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

40.2.

De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 10] en anderen en [appellante sub 12] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

41. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellanten sub 18] tegen het besluit van 5 november 2015 is ongegrond.

[locatie 19]

42. IVN Mark en Donge en anderen en [appellante sub 12] kunnen zich niet verenigen met bouwvlak op het perceel [locatie 19], dat een omvang heeft van 1,8 ha. IVN Mark en Donge en anderen vrezen voor extra bebouwing binnen het bouwvlak. [appellante sub 12] exploiteert een varkenshouderij ter plaatse en wenst een vergroting van zijn bouwvlak tot 2,5 ha. Secundair wenst hij een andere vorm van het bouwvlak, om een nieuwe stal te kunnen bouwen. Het beroep van IVN Mark en Donge is mede ingediend door enkele omwonenden van het perceel [locatie 19].

42.1.

In het wijzigingsplan "Buitengebied, wijzigingsplan [locatie 19]" heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda voorzien in een vormverandering van het bouwvlak op het perceel [locatie 19]. Met dit wijzigingsplan werd beoogd de bestaande luchtwasser als zodanig te bestemmen. In haar uitspraak van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3388, heeft de Afdeling dit wijzigingsplan vernietigd, omdat - kort gezegd - het college van burgemeester en wethouders van Breda de wijzigingsbevoegdheid zoals neergelegd in de voorschriften van het destijds geldende bestemmingsplan had overschreden. Met het thans voorliggende plan heeft de raad de luchtwasser weer als zodanig bestemd.

42.2.

IVN Mark en Donge en andere stellen dat ten onrechte niet alle bestaande en vergunde bouwwerken binnen het bouwvlak staan. Volgens hen is op www.ruimtelijkeplannen.nl te zien dat de noordelijk gelegen varkensstal de noordelijke grens van het bouwvlak deels overschrijdt. Zij vrezen dat ten gevolge van deze overschrijding nieuwe bebouwing kan worden opgericht binnen het bouwvlak, hetgeen leidt tot meer hinder. Voorts wordt de stal volgens IVN Mark en Donge en andere gelet op het voorgaande ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht. Hetzelfde geldt voor de vier silo’s die buiten het bouwvlak staan en daarmee onder het overgangsrecht worden gebracht. Hiermee wordt volgens hen het maximale oppervlak waarop ingevolge de Verordening 2014 bebouwing is toegestaan overschreden.

[appellante sub 12] wenst een vergroting van het bouwvlak tot 2,5 ha. In dit verband wijst Maatschap van Gurp op de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3150. Voorts stelt zij dat de raad de vorm van het bouwvlak niet heeft veranderd in overeenstemming met haar wensen om een nieuwe stal te bouwen.

42.3.

De raad stelt dat alle bebouwing binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak is gesitueerd.

42.4.

Aan het plandeel aan de [locatie 19] zijn de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder a, van de planregels mogen op of in de tot "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de genoemde bestemming, met dien verstande dat alle bebouwing uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" is toegestaan, met uitzondering van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, terreinafscheidingen en voorzieningen ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik.

42.5.

In de door [appelante sub 12] genoemde uitspraak van 2 november 2011 heeft de Afdeling overwogen dat de raad ten tijde van de vaststelling van het daar voorliggende plan in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat het bouwvlak aan de [locatie 19] 2,5 ha groot was. De raad had zich ter zitting op het standpunt gesteld dat als hij destijds had geweten dat het bouwvlak een kleinere omvang had, hij een bouwvlak van 2,5 ha had toegekend. De Afdeling oordeelde dat het besluit daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid was voorbereid. De raad was gelet op de uitspraak van 2 november 2011 niet zonder meer gehouden alsnog een bouwvlak van 2,5 ha vast te stellen. Bij een nieuw vast te stellen plan dient de raad opnieuw te bezien of de gewenste vergroting noodzakelijk is en in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. [appellante sub 12] heeft in haar zienswijze gesteld dat het bouwvlak ten onrechte niet is vergroot naar 2,5 ha, maar zij heeft in deze zienswijze niet onderbouwd waarvoor zij deze vergroting wenst. In de nota van zienswijze heeft de raad gesteld dat de Verordening 2014 inmiddels in de weg staat aan een vergroting van het bouwvlak op het perceel [locatie 19]. Weliswaar bevat de Verordening 2014, zoals [appellante sub 12] aanvoert, regels waarmee een bestemmingsplan een uitbreiding van een zorgvuldige veehouderij boven de 1,5 ha kan mogelijk maken, maar de raad hoefde in de op dit punt niet onderbouwde zienswijze van [appellante sub 12] geen aanleiding te zien deze uitbreiding bij recht mogelijk te maken.

42.6.

De Afdeling overweegt voorts dat in het stelsel van de Wro een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument is waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

Voor zover [appellante sub 12] het niet eens is met de vorm van haar bouwvlak overweegt de Afdeling als volgt. [appellante sub 12] heeft in haar zienswijze alleen gesteld dat het bouwvlak ten onrechte niet is vergroot tot 2,5 ha. Zij heeft niet verzocht om de vormverandering van het bouwvlak ten behoeve van de bouw van een nieuwe stal. In de zienswijze hoefde de raad dan ook geen aanleiding te zien de vorm van het bouwvlak anders vast te stellen dan hij heeft gedaan. Voor zover [appellante sub 12] in haar beroepschrift heeft verwezen naar een verzoek van 31 mei 2013 aan het college van burgemeester en wethouders van Breda tot wijziging van het bouwvlak ten behoeve van het deels aanpassen van de bestaande stallen en de oprichting van een nieuwe stal, overweegt de Afdeling dat dit stuk geen concreet bouwplan bevat. Voorts staat in dit stuk dat [appellante sub 12] gezien de verschillende procedures die op dat moment aanhangig waren voor de [locatie 19] in overleg wilde treden. De raad heeft toegelicht dat nog steeds overleg plaatsvindt en dat het initiatief van [appellante sub 12] nog niet aan alle voorwaarden voldoet die voortvloeien uit de Verordening 2014, de Wet milieubeheer en de Nbw 1998. Wanneer hieraan wordt voldaan kan in een wijzigingsplan de vormverandering van het bouwvlak worden voorzien. Gelet op het voorgaande hoefde de raad ten tijde van het voorbereiden en het nemen van het besluit geen rekening houden met het initiatief van [appelante sub 12].

42.7.

Over het betoog van IVM Mark en Donge en andere dat ten onrechte niet alle bebouwing binnen het bouwvlak staat overweegt de Afdeling als volgt. Vier silo’s staan buiten het bouwvlak. Naar aanleiding van het deskundigenverslag heeft de raad dit erkend. Met het bestemmingsplan is volgens de raad alleen beoogd om de luchtwasser als zodanig te bestemmen. De raad stelt dat in het nog vast te stellen wijzigingsplan ook de silo’s als zodanig worden bestemd. De raad heeft echter niet gemotiveerd waarom deze silo’s, die voor de vaststelling van het plan aanwezig waren op het perceel [locatie 19], niet in het thans voorliggende plan als zodanig konden worden bestemd. Niet is uitgesloten dat de omstandigheid dat vier silo’s buiten het bouwvlak staan ertoe kan leiden dat meer bebouwing kan worden opgericht binnen het toegekende bouwvlak. Bij een andere vorm van het bouwvlak waarmee de silo’s binnen het bouwvlak komen te staan, kan deze mogelijkheid worden beperkt. Het besluit van 5 november 2015 is in zoverre dan ook ondeugdelijk gemotiveerd. Wat betreft de noordelijk gelegen stal stelt de Afdeling op basis van het fotomateriaal in het deskundigenverslag vast dat deze op of in zeer geringe mate over de grens van het bouwvlak staat. De eventuele overschrijding is van dien aard dat voor oprichting van nieuwe bebouwing niet hoeft te worden gevreesd.

42.8.

Gelet op het voorgaande faalt het betoog van [appellante sub 12]. Gelet op het voorgaande slaagt het betoog van IVN Mark en Donge.

43. IVN Mark en Donge en anderen voeren voorts aan dat met de vormverandering van het bouwvlak aan de [locatie 19] meer bebouwing wordt mogelijk gemaakt dan onder het vorige plan mogelijk was en dat dit bouwvlak daarom is vastgesteld in strijd met artikel 6.3, tweede lid, van de Verordening 2014. Volgens hen is de luchtwasser geen bestaande bebouwing in de zin van artikel 2, derde lid, van de Verordening 2014. Daarbij is volgens hen van belang dat nog niet vaststaat dat handhavend optreden tegen de luchtwasser niet mogelijk is. Voorts is binnen het bouwvlak ruimte voor meer bebouwing dan alleen de luchtwasser.

43.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat het plandeel niet in strijd is met artikel 6.3, tweede lid, van de Verordening 2014. Ten opzichte van het voorheen geldende planologische regime is het bouwvlak slechts van vorm veranderd. De omvang van het bouwvlak is 1,82 ha en is gelijk gebleven, zodat geen sprake is van een toename van de bestaande bebouwingsoppervlakte. Volgens de raad dient het begrip "toename van de oppervlakte van de bestaande bebouwen" planologisch te worden uitgelegd en niet feitelijk.

43.2.

Ingevolge artikel 2.3, derde lid, van de Verordening 2014, wordt waar in deze verordening gesproken wordt over een bestaand bouwperceel, bestaande bebouwing, een bestaande planologische gebruiksactiviteit of een bestaande omvang, daaronder verstaan:

a. datgene wat het geldende bestemmingsplan zonder toepassing van wijzigingsbevoegdheden toestaat, met inbegrip van datgene wat nadien wordt toegestaan op grond van:

I. een uitwerking van het geldend bestemmingsplan, mits dat niet ouder is dan tien jaar, als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de wet; of

II. een besluit van het gemeentebestuur als direct gevolg van een onherroepelijke uitspraak van een bestuursrechter.

b. datgene waarvan vaststaat dat handhaving wegens strijdigheid met het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is.

Ingevolge artikel 6.3, tweede lid, bepaalt een bestemmingplan gelegen in groenblauwe mantel voor een bestaande veehouderij dat:

a. een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen alleen is toegestaan indien:

I. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, gelden tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 6.3, tweede lid, en artikel 7.3, tweede lid, de volgende voorwaardelijke bepalingen:

a. een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen voor de uitoefening van een veehouderij is alleen toegestaan indien:

I. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij.

Ingevolge het derde lid wordt in afwijking van artikel 2, derde lid, onder oppervlakte van bestaande gebouwen in het eerste lid, verstaan de oppervlakte van de gebouwen die:

a. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; of

b. mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning; of

c. is gebaseerd op een vóór 21 september 2013 ingediende volledige en ontvankelijke aanvraag voor omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan.

43.3.

De intensieve veehouderij aan de [locatie 19] ligt in het bij de Verordening 2014 behorende kaartmateriaal in de groenblauwe mantel. Het bouwvlak op dit perceel is ten opzichte van het vorige geldende plan niet vergroot, maar van vorm veranderd.

Anders dan de raad veronderstelt, dient de in artikel 6.3, tweede lid, van de Verordening 2014 bedoelde oppervlakte van de bestaande bebouwing naar het oordeel van de Afdeling niet planologisch te worden uitgelegd, maar feitelijk (legaal). De Afdeling vindt hiervoor steun in de systematiek van de Verordening 2014. In artikel 34 van de Verordening 2014 zijn rechtstreeks werkende bepalingen opgenomen totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met de regeling van artikel 6.3, tweede lid. In artikel 34 wordt een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen gelet op het bepaalde in artikel 34, derde lid, niet planologisch uitgelegd. Indien de toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen in artikel 6.3, tweede lid, onder a, planologisch moet worden opgevat, zou dit niet stroken met de rechtstreeks werkende bepaling in artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a. Voorgaande uitleg van artikel 6.3, tweede lid, is ook in overeenstemming met hetgeen met de de Verordening 2014 blijkens de toelichting is beoogd. Hierin staat dat alleen nog ontwikkelruimte wordt geboden aan veehouderijen als daarmee de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij in gang wordt gezet. De basis voor die systematiek wordt in artikel 6.3 gelegd door de huidige omvang van alle veehouderijen vast te leggen, zowel qua omvang van het bouwperceel als omvang van de oppervlakte van gebouwen, zo staat in de toelichting.

Nu met de vormverandering van het bouwvlak ter plaatse is voorzien in een toename van de feitelijk bestaande bebouwingsoppervlakte is het plandeel aan de [locatie 19] in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 6.3, tweede lid, van de Verordening 2014.

Het betoog slaagt.

44. IVN Mark en Donge en andere hebben in beroep voorts enkele planregels bestreden voor zover deze van toepassing zijn op het perceel aan de [locatie 19]. Volgens hen is artikel 4, lid 4.3, onder f, sub 4, en lid 4.6, onder a, van de planregels onduidelijk geformuleerd en in strijd met de rechtszekerheid. Voorts had in deze laatste bepaling volgens hen moeten worden opgenomen dat voor de veebezetting van 2 GVE/ha is vereist dat de ha grond in de directe omgeving van de veehouderij liggen. Voorts is volgens hen in artikel 4, lid 4.3, onder f, sub 1, en lid 4.6, onder a, sub 5, van de planregels ten onrechte als voorwaarde gesteld dat stikstofneutraal moet worden gebouwd en/of gebruikt. De beoordeling of een plan de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied kan aantasten dient volgens hen voorafgaand aan de vaststelling van het plan plaats te vinden. Ten slotte hebben IVN Mark en Donge artikel 4, lid 4.1, onder e, lid 4.2, onder j en k, en lid 4.6, onder a, sub 8, van de planregels bestreden.

44.1.

Voor de door IVN Mark en Donge en anderen bestreden planregels verwijst de Afdeling naar het bij deze uitspraak als bijlage gevoegde wettelijke kader.

44.2.

De Afdeling stelt vast dat artikel 4, lid 4.3, onder f, sub 4, en lid 4.6, onder a, van de planregels weliswaar niet makkelijk leesbaar zijn, maar overweegt dat deze niet zo onduidelijk zijn geformuleerd dat dit leidt tot rechtsonzekere situaties. Voorts hebben IVN Mark en Donge niet onderbouwd op grond waarvan in de planregels moet worden opgenomen dat voor de veebezetting van 2 GVE/ha is vereist dat de ha grond in de directe omgeving van de veehouderij liggen.

Over het betoog over artikel 4, lid 4.1, onder e, lid 4.2, onder j en k, en lid 4.6, onder a, sub 8, van de planregels overweegt de Afdeling deze niet van toepassing zijn op het perceel [locatie 19].

Wat betreft het betoog over de voorwaarde dat stikstofneutraal in artikel 4, lid 4.3, onder f, sub 1, en lid 4.6, onder a, sub 5, van de planregels moet worden gebouwd en/of gebruikt, verwijst de Afdeling kortheidshalve naar hetgeen hiervoor, onder 15.9, ten aanzien van het beroep van de vereniging en andere is overwogen. Dit betoog slaagt.

45. Onder verwijzing naar 42.7 ziet de Afdeling in hetgeen IVN Mark en Donge en andere hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover de silo’s op het perceel [locatie 19] niet als zodanig zijn bestemd, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Onder verwijzing naar 43.3 ziet de Afdeling in hetgeen IVN Mark en Donge en andere hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aan de [locatie 19] is genomen in strijd met artikel 6.3, tweede lid, van de Verordening 2014.

Onder verwijzing naar 44.2 ziet de Afdeling in hetgeen IVN Mark en Donge hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover het betreft artikel 4, lid 4.3, onder f, en lid 4.6, onder a, sub 5, van de planregels is genomen in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998.

Het beroep van IVN Mark en Donge en andere is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Daarbij overweegt de Afdeling dat het in artikel 4, lid 4.3, onder f, en lid 4.6, onder a, sub 5, van de planregels gelegen gebrek zoals door IVN Mark en Donge is aangevoerd reeds zal worden hersteld door de gedeeltelijke vernietiging van artikel 1, lid 1.80, van de planregels, naar aanleiding van het beroep van de vereniging en andere. De Afdeling zal de vernietiging daartoe dan ook beperken.

45.1.

Nu de dezelfde gebreken kleven aan het besluit van 18 december 2014 dient ook dat besluit in zoverre te worden vernietigd.

45.2.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

45.3.

De raad dient ten aanzien van het beroep van IVN Mark en Donge op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

[locatie 20]

46. [ appellante sub 12] heeft ter zitting haar beroepsgrond over de woning aan de [locatie 20] ingetrokken.

[locatie 21]

47. [ appellante sub 12] betoogt dat in het plan ten onrechte is voorzien in een uitbreiding van het bouwvlak voor de paardenhouderij aan het [locatie 21] in Breda. Zij vreest in haar bedrijfsvoering te worden beperkt en stelt dat de raad hiernaar onvoldoende onderzoek heeft verricht.

47.1.

In het vorige geldende plan had de paardenhouderij aan het [locatie 21] een bouwvlak van 1,5 ha. De Afdeling stelt vast dat in het thans voorliggende plan een bouwvlak voor dit perceel is opgenomen van 8400 m². Gelet hierop mist het betoog van [appellante sub 12] feitelijke grondslag.

Het beroep van [appellant sub 13]

48. [appellant sub 13] exploiteert [camping] aan de [locatie 22] in Ulvenhout en komt op tegen de maximale inhoudsmaat van 150 m³ voor recreatiewoningen in het plan. Hij wenst een maximale inhoudsmaat van 250 m³ en stelt dat deze in gemeenten in de omgeving gebruikelijk is.

48.1.

De raad stelt dat de in het plan opgenomen maximale inhoudsmaat voor recreatiewoningen passend is voor dit soort voorzieningen.

48.2.

Aan het plandeel aan de [locatie 22] zijn de bestemming "Recreatie" en de aanduidingen "bouwvlak", "kampeerterrein" en "maximum aantal woonheden = 15" toegekend. Dit plandeel loopt door tot aan de J.F. Kellyweg. Aan de gronden van [appellant sub 13] aan de overzijde van de J.F. Kellyweg zijn de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "kampeerterrein" toegekend.

Ingevolge artikel 14, lid 14.2, aanhef en onder a, van de planregels mogen op of in de tot "Recreatie" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming en de aanduiding, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "kampeerterrein" geldt dat:

1. de situering van de bedrijfsgebouwen dient plaats te vinden binnen de bouwvlakken;

(…)

4. voor zover het een kampeerterrein betreft binnen het bestemmingsvlak kampeermiddelen mogen worden geplaatst en ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" maximaal 15 recreatiewoningen mogen worden gebouwd met een maximale inhoud van 150 m³.

48.3.

De Afdeling stelt voorop dat de raad beslissingsruimte heeft bij de vaststelling van planregels. Het algemene beleid in de gemeente Breda is dat recreatiewoningen een maximale inhoud van 150 m³ mogen hebben. Het standpunt van de raad dat deze inhoudsmaat passend is voor recreatiewoningen acht de Afdeling op zichzelf niet onredelijk. Verder heeft de raad toegelicht een grotere inhoudsmaat voor recreatiewoningen vanwege de ruimtelijke uitstraling daarvan niet wenselijk te vinden. Ook dit acht de Afdeling niet onredelijk. Voorts heeft [appellant sub 13] geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de raad in dit geval van het gemeentelijke beleid had moeten afwijken. Daarvoor is onvoldoende dat in verschillende gemeenten in de omgeving van Breda recreatiewoningen een maximale inhoud van 250 m³ mogen hebben. Het staat het gemeentebestuur immers vrij zijn eigen beleid vast te stellen met betrekking tot de maximale inhoudsmaat van recreatiewoningen. Het betoog faalt.

49. [appellant sub 13] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om twee sanitaire units buiten het bouwvlak te realiseren. Een van de sanitaire units is volgens hem noodzakelijk in verband met de uitbreiding van de camping met extra kampeerplaatsen aan de overzijde van de J.F. Kellyweg. Voorts wenst [appellant sub 13] ter plaatse van de huidige portakabin een vaste sanitaire unit te realiseren. Omdat aan de gronden waar [appellant sub 13] de sanitaire units wenst te realiseren geen bouwvlakken zijn toegekend, is het ingevolge artikel 14, lid 14.2, aanhef en onder a, sub 1, van de planregels niet toegestaan deze ter plaatse te realiseren.

49.1.

De raad stelt uit een oogpunt van zuinig ruimtegebruik alleen binnen het bouwvlak bebouwing te hebben toegestaan. De raad stelt dat met [appellant sub 13] overleg is gevoerd over de uitbreiding van de camping waarin het plan voorziet, maar dat niet eerder is gesproken over nieuwe sanitaire units. Indien noodzaak bestaat voor deze sanitaire units kan een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan worden aangevraagd. Deze noodzaak is volgens de raad nu niet aangetoond. Daarbij heeft de raad van belang geacht dat in de stacaravans waarbij [appellant sub 13] een van de sanitaire units wil plaatsen over het algemeen sanitaire voorzieningen aanwezig zijn.

49.2.

De Afdeling stelt vast dat de gronden aan de overzijde van de J.F. Kellyweg waar de uitbreiding van de camping is voorzien liggen op een afstand van maximaal 210 m tot de bestaande sanitaire voorzieningen. De raad heeft niet gemotiveerd dat ondanks deze afstand en de omstandigheid dat er een weg tussen deze gronden en de bestaande sanitairunits ligt onvoldoende noodzaak bestaat voor een sanitaire unit ter plaatse van de voorziene uitbreiding.

Voorts heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat het vervangen van de bestaande portakabin door een sanitaire unit wellicht mogelijk kan worden gemaakt. Voor zover de raad stelt dat [appellant sub 13] niet eerder te kennen heeft gegeven de sanitaire units te willen realiseren, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 13] in zijn zienswijze heeft verzocht om het mogelijk maken van sanitaire units. Op een kaart die als bijlage bij deze zienswijze is gevoegd is weergegeven wat de gewenste locaties en de gewenste oppervlakten van deze sanitaire units zijn. Gelet op de aard en omvang van de door [appellant sub 13] gewenste sanitaire units valt niet in te zien waarom de raad niet bij de vaststelling van het bestemmingsplan heeft bezien of deze in het bestemmingsplan mogelijk konden worden gemaakt.

Gelet op het voorgaande is het besluit van 5 november 2015 in zoverre niet zorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt.

49.3.

In hetgeen [appellant sub 13] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover niet twee sanitaire units zijn toegestaan buiten het bouwvlak van het plandeel met de bestemming "Recreatie" aan de [locatie 22], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het besluit van 5 november 2015 in zoverre dient te worden vernietigd. Nu hetzelfde gebrek kleeft aan het besluit van het besluit van 18 december 2014, dient ook dat besluit in zoverre te worden vernietigd.

49.4.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

49.5.

Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 13] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

Het beroep van [appellant sub 14]

50. Het beroep van [appellant sub 14], die woont aan de [locatie 23], heeft betrekking op de naastgelegen percelen [locatie 24] en [locatie 25]. Hij betoogt dat de aan het perceel [locatie 24] toegekende aanduiding "wonen uitgesloten" niet in de planregels is vertaald.

Zijn beroep richt zich voorts tegen de bestemming van het perceel [locatie 24]. [appellant sub 14] voert daartoe aan dat een deel van dat perceel in het plan niet vanwege een goede ruimtelijke ordening maar uitsluitend wegens eigendomsmotieven aan het perceel [locatie 25] is toegevoegd.

50.1.

In het besluit van 5 november 2015 is aan de percelen [locatie 24] en [locatie 25] de bestemming "Wonen" toegekend. Tussen deze percelen is op de verbeelding een verbindingslijn aangebracht.

Op de verbeelding is bij het perceel [locatie 24] de functieaanduiding "wonen uitgesloten" opgenomen. In het besluit van 5 november 2015 is in artikel 18, lid 18.2, onder a, van de planregels bepaald dat op of in de tot "Wonen" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming mogen worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "wonen uitgesloten" geen woning gebouwd mag worden c.q. aanwezig mag zijn.

50.2.

De raad is met het besluit van 5 november 2015 wat betreft de verbindingslijn tegemoetgekomen aan het beroep van [appellant sub 14]. Het beroep van rechtswege van [appellant sub 14] heeft derhalve in zoverre geen betrekking op het besluit van 5 november 2015.

50.3.

Volgens het deskundigenbericht maakten de percelen [locatie 24] en [locatie 25] vroeger deel uit van een groter perceel dat behoorde bij de [locatie 26]. Door verkoop van de gronden zijn deze in handen van verschillende eigenaren gekomen. Het perceel met no. [locatie 23] behoort nu tot de eigendom van [appellant sub 14]. Eigenaar van no. [locatie 24] is de eigenaar tevens bewoner van het perceel [locatie 25]. Op het perceel met no. [locatie 24], tegen de erfgrens van [appellant sub 14], bevindt zich bebouwing die oorspronkelijk is gerealiseerd als een complex van paardenstallen en thans wordt gebruikt voor het stallen van auto’s. Het perceel is door middel van een oprijlaan langs de noordoostelijke erfgrens met het perceel van [appellant sub 14] bereikbaar vanaf de Overaseweg. Het perceel is voorts door middel van een pad bereikbaar vanaf de woning op no. [locatie 25].

In het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid" van 2009 hadden het perceel [locatie 23] en een deel van het perceel [locatie 24] gezamenlijk de bestemming "Wonen" door middel van één bestemmingsvlak.

50.4.

Ter zitting heeft de raad naar voren gebracht dat met de koppeling van het perceel [locatie 24] aan [locatie 25] is beoogd om enerzijds de bestaande bebouwing op het perceel [locatie 24] planologisch in te passen, en tevens zeker te stellen dat - conform de doelstellingen in de plantoelichting - ter bescherming van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied in totaal niet meer dan 100 m² aan bijgebouwen mag worden opgericht, zoals in artikel 18, lid 18.2, onder d, van de planregels is bepaald. De Afdeling acht deze uitgangspunten niet onredelijk. Voorts kan niet worden ingezien dat het plan ter zake van bedoelde regeling niet berust op ruimtelijk relevante motieven. Het betoog faalt.

50.5.

Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 14] tegen het besluit van 5 november 2015 ongegrond.

Gelet op overweging 50.2 is niet gebleken dat [appellant sub 14] nog belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 18 december 2014, zodat zijn beroep in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

50.6.

Nu het plan naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 14] is aangepast, ziet de Afdeling aanleiding de raad op navolgende wijze in diens proceskosten te veroordelen. Tevens ziet de Afdeling aanleiding de raad te gelasten het betaalde griffierecht aan [appellant sub 14] te vergoeden.

Het beroep van [appellant sub 15]

51. De raad betoogt in zijn verweerschrift dat het beroep van [appellant sub 15] niet-ontvankelijk is, omdat hij vanwege de afstand van zijn perceel tot het plandeel in kwestie geen belanghebbende is en het relativiteitsvereiste in de weg staat aan honorering van zijn beroep.

51.1.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 en artikel 2 van bijlage 2, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

51.2.

Het plan voorziet in uitbreiding van de bebouwing van het terrein van de woon-werkboerderij van de Stichting ’t Berkske aan de J.F. Kellystraat 14-38 binnen het bestaande bouwvlak, waarbij geen beperkingen zijn gesteld aan de locatie van de nieuw op te richten bebouwing.

[appellant sub 15] woont aan het [locatie 27] te Ulvenhout, op een afstand van minimaal 250 meter tot de perceelsgrens van het terrein. Niet is gebleken dat [appellant sub 15] vanaf zijn perceel zicht van meer dan zeer geringe betekenis heeft op het terrein. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan ter plaatse mogelijk maakt is de afstand tussen de percelen naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

Voorts heeft [appellant sub 15] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit wordt geraakt. Dat [appellant sub 15] als stedebouwkundige betrokken is geweest bij de planologische ontwikkelingen in het plangebied is daarvoor niet voldoende.

51.3.

De conclusie is dat [appellant sub 15] geen belanghebbende is bij het besluit van 18 december 2014 als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. Het beroep van [appellant sub 15] tegen het besluit van 18 december 2014 is niet-ontvankelijk.

51.4.

De ratio van de regeling inzake het bezwaar of beroep van rechtswege brengt met zich dat niet-ontvankelijkheid van het oorspronkelijke rechtsmiddel niet de niet-ontvankelijkheid impliceert van het bezwaar of beroep van rechtswege. De ontvankelijkheid daarvan moet afzonderlijk worden beoordeeld. Een ontvankelijkheidsgebrek aan het beroep werkt slechts door voor zover het gebrek zich naar zijn aard ook tot het bezwaar of beroep van rechtswege uitstrekt. Daarvan is in dit geval sprake, nu het ontvankelijkheidsgebrek uitsluitend is gerelateerd aan een gebrek aan belanghebbendheid. Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 5 november 2015 is derhalve eveneens niet-ontvankelijk.

51.5.

Ten aanzien van [appellant sub 15] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Het beroep van [appellante sub 16]

52. [appellante sub 16], die woont aan de [locatie 28], kan zich niet verenigen met de planregeling met betrekking tot het perceel [locatie 29]. Zij voert allereerst aan dat de raad bij zijn besluit van 5 november 2015 een nieuw plan heeft vastgesteld, maar dit ten onrechte niet in de ontwerpfase ter inzage heeft gelegd. Hierdoor zijn omwonenden volgens haar ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen.

Zij heeft voorts aangevoerd dat in het plan ten onrechte niet het beeldkwaliteitsbeleid uit het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Zuid, Buitenwonen aan de Linten" en de daarop gebaseerde exploitatieovereenkomsten en kettingbedingen zijn opgenomen. Dit is volgens haar noodzakelijk om strikte eisen te kunnen stellen aan de landschappelijke inbedding en erfinrichting van woningbouw aan de landschappelijk waardevolle linten.

[appellante sub 16] heeft verder aangevoerd dat de verkeersfunctie die is toegekend aan een deel van het perceel [locatie 29] niet past in een natuurzone, temeer als daarvoor geen maatschappelijke noodzaak bestaat. Zij vreest bovendien dat het pad zal worden gebruikt als toegangsweg voor het op het achterterrein houden van activiteiten als hondentrainingen.

52.1. [

appellante sub 16] richt zich tegen het besluit van 5 november 2015 waarbij het plan "Buitengebied Zuid 2013" opnieuw, deels gewijzigd, is vastgesteld.

De Afdeling stelt vast dat [appellante sub 16] niet in een nadeliger positie is komen te verkeren als gevolg van het besluit van 5 november 2015 ten opzichte van de positie waarin zij zich bevond na het besluit van 18 december 2014, nu aan het perceel [locatie 29] zowel bij het eerstgenoemde besluit als het laatstgenoemde besluit de bestemmingen "Wonen", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Natuur" en deels de functieaanduiding "specifieke vorm van verkeer - onverharde weg" zijn toegekend.

Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen en nu niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden, kan onder de hiervoor geschetste omstandigheden niet worden aanvaard dat tegen het besluit van 5 november 2015 dat is genomen zonder opnieuw toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb, alsnog beroep wordt ingesteld. Het beroep van [appellante sub 16] tegen dat besluit dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voor zover [appellante sub 16] heeft betoogd dat het besluit van 5 november 2015 is genomen zonder dat dit met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw in de ontwerpfase ter inzage is gelegd, overweegt de Afdeling dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de raad dit ten onrechte achterwege heeft gelaten, nu met de aanpassingen van het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013" geen wezenlijk ander plan is ontstaan en niet aannemelijk is dat door deze aanpassingen derde-belanghebbenden zijn benadeeld.

52.2.

Ten aanzien van [appellante sub 16] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de Natuur- en Milieuvereniging Markkant en andere tegen het besluit van de raad van de gemeente Breda van 3 maart 2016, kenmerk 44402, ongegrond;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 15] en [appellante sub 16] tegen het besluit van de raad van de gemeente Breda van 5 november 2015, kenmerk 43831, niet-ontvankelijk;

III. verklaart de beroepen van Natuur- en Milieuvereniging Markkant en andere, het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, de heer en mevrouw [appellant sub 3], [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], [appellant sub 6A] en [appellante sub 6B] en [appellante sub 6C], [appellant sub 7], [appellant sub 9] en anderen, [appellant sub 10] en anderen, IVN Mark en Donge, [appellante sub 12], van wie de maten zijn [maat A] en [maat B], en [appellant sub 13] tegen het besluit van de raad van de gemeente Breda van 5 november 2015, kenmerk 43831, gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Breda van 5 november 2015, kenmerk 43831, voor zover:

a. het betreft de zinsnede "of via externe saldering dan wel er daardoor geen significante negatieve effecten op het betreffende gebied ontstaan" in artikel 1, lid 1.80, van de planregels (de vereniging en andere);

b. in artikel 3, lid 3.3, onder f, sub 1, en lid 3.5, onder d, sub 6, artikel 4, lid 4.3, onder f, sub 1, en lid 4.6, onder d, sub 6, artikel 5, lid 5.3, onder g, sub 1, en lid 5.7, onder a, sub 3 en artikel 15, lid 15.3, van de planregels niet is bepaald dat stikstofneutraal moet worden gebouwd en gebruikt (de vereniging en andere);

c. het betreft de zinsnede "tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen" in artikel 3, lid 3.2, onder a, en in artikel 4, lid 4.2, onder a, en artikel 5, lid 5.3, onder d, van de planregels (de vereniging en andere en [appellant sub 4] e.a.);

d. de bestemmingen "Agrarisch met waarden Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" zich niet verzetten tegen de activiteiten diepploegen, dempen van sloten, aanleggen van drainage, het beplanten van gronden met opgaand houtgewas ten behoeve van sierteelt of boomteelt en het omzetten van grasland in bouwland (de vereniging en andere);

e. in artikel 3, lid 3.3, onder f, en lid 3.5, onder a, artikel 4, lid 4.3, onder f, en lid 4.6, onder a, en artikel 5, lid 5.3, onder g, en lid 5.7, onder a, van de planregels niet als voorwaarde is opgenomen dat is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 20% tenzij er - indien de achtergrondbelasting hoger is - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding hiervan compenseert en niet is bepaald dat het bouwperceel zoals bedoeld in de Verordening 2014 ten hoogste 1,5 ha bedraagt (de vereniging en andere);

f. het betreft de zinsnede "of de bouw of uitbreiding van kassen" in de aanhef van artikel 4, lid 4.3, onder f, van de planregels voor zover deze bepaling ziet op gronden binnen de groenblauwe mantel;

g. het betreft artikel 4, lid 4.6, onder a, sub 1, van de planregels voor zover deze bepaling ziet op bouwvlakken met de aanduiding "glastuinbouw" en voor zover het betreft de zinsnede "ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw" waar de oppervlakte van het bouwvlak nooit meer dan 3,5 ha mag gaan bedragen waarbinnen maximaal 3 ha netto glasoppervlak is toegestaan" in deze bepaling, voor zover deze ziet op gronden binnen de groenblauwe mantel (de vereniging en andere);

h. het betreft het plandeel met de bestemming "Sport" aan de [locatie 2] (de vereniging en andere);

i. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aan de [locatie 3] (de vereniging en andere);

j. het betreft artikel 3, lid 3.3, onder a, artikel 4, lid 4.3, onder a, en artikel 5, lid 5.3, onder a, van de planregels (de vereniging en andere en [appellant sub 4] e.a).;

k. het betreft artikel 3, lid 3.5, onder g, artikel 4, lid 4.6, onder g, en artikel 5, lid 5.7, onder d, van de planregels (de vereniging en andere en [appellant sub 4] e.a.);

l. het betreft de aanduiding "paardenhouderij" voor het plandeel aan de [locatie 15] ([appellant sub 10] en anderen en [appellante sub 12]);

m. het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aan de [locatie 19] (IVN Mark en Donge);

n. het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer" met betrekking tot de tot de EHS behorende gedeelten van verkeersknooppunt Galder (het college van gedeputeerde staten);

o. het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - koel- en/of vrieshuis" met betrekking tot het perceel [locatie 5] ([appellant sub 3] en de vereniging en andere);

p. het betreft het plandeel met de bestemming "Sport" met de gebiedsaanduiding "manege" met betrekking tot het perceel [locatie 12] ([appellant sub 9] e.a.);

q. het betreft het plandeel met de bestemming "Natuur" met betrekking tot de gronden die in gebruik zijn als tuin op het perceel [locatie 10] en het plandeel met de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding "agrarisch loonbedrijf" met betrekking tot het perceel [locatie 11] ([appellant sub 7]);

r. niet twee sanitaire units zijn toegestaan buiten het bouwvlak van het plandeel met de bestemming "Recreatie" aan de [locatie 22] in Ulvenhout ([appellant sub 13]);

V. verklaart de beroepen van [appellante sub 17], BW Beheer en Princeville Exploitatie B.V., [appellant sub 14] en [appellant sub 18A] en [appellant sub 18B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Breda van 5 november 2015, kenmerk 43831, ongegrond;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 14] en van [appellant sub 15] tegen het besluit van de raad van de gemeente Breda van 18 december 2014, kenmerk 42424, niet-ontvankelijk;

VII. verklaart de beroepen van de Natuur- en milieuvereniging Markkant en andere, het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, de heer en mevrouw [appellant sub 3], [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], [appellant sub 6A] en [appellante sub 6B] en [appellante sub 6C], [appellant sub 7], [appellant sub 9] en anderen, [appellant sub 10] en anderen, IVN Mark en Donge en [appellant sub 13] tegen het besluit van de raad van de gemeente Breda van 18 december 2014, kenmerk 42424, gegrond;

VIII. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Breda van 18 december 2014, kenmerk 42424, voor zover:

a. het betreft het plandeel met de bestemming "Sport" aan de [locatie 2] (de vereniging en andere);

b. het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aan de [locatie 3] (de vereniging en andere);

c. het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer" met betrekking tot de tot de EHS behorende gedeelten van verkeersknooppunt Galder (het college van gedeputeerde staten);

d. het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - koel- en/of vrieshuis" met betrekking tot het perceel [locatie 5] ([appellant sub 3] en de vereniging en andere);

e. het betreft het plandeel met de bestemming "Natuur" met betrekking tot de gronden die in gebruik zijn als tuin op het perceel [locatie 10] en het plandeel met de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding "agrarisch loonbedrijf" met betrekking tot het perceel [locatie 11] ([appellant sub 7]);

f. het betreft het plandeel met de bestemming "Sport" met de gebiedsaanduiding "manege" met betrekking tot het perceel [locatie 12] ([appellant sub 9] e.a.);

g. het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aan de [locatie 19] (IVN Mark en Donge);

h. niet twee sanitaire units zijn toegestaan buiten het bouwvlak van het plandeel met de bestemming "Recreatie" aan de [locatie 22] in Ulvenhout ([appellant sub 13]);

IX. draagt de raad van de gemeente Breda op om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor de onderdelen genoemd in IV en in VIII en dit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

X. treft de voorlopige voorziening dat tot aan de inwerkingtreding van het nieuwe besluit als bedoeld in IX:

a. voor de voorziene ontwikkelingen in artikel 3, lid 3.3, onder f, sub 1, en lid 3.5, onder d, sub 6, artikel 4, lid 4.3, onder f, sub 1, en lid 4.6, onder d, sub 6, artikel 5, lid 5.3, onder g, sub 1, en lid 5.7, onder a, sub 3, en artikel 15, lid 15.3, van de planregels geldt dat stikstofneutraal moet worden gebouwd en gebruikt (de vereniging en andere);

b. ter plaatse van de gronden met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" de activiteiten diepploegen, dempen van sloten, aanleggen van drainage, het beplanten van gronden met opgaand houtgewas ten behoeve van sierteelt of boomteelt en het omzetten van grasland in bouwland niet zijn toegestaan (de vereniging en andere);

XI. veroordeelt de raad van de gemeente Breda tot vergoeding van bij de volgende appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten:

a. voor de Natuur- en Milieuvereniging Markkant en andere tot een bedrag van € 1519,30 (zegge: vijftienhonderdnegentien euro en dertig cent), waarvan € 1488,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

b. voor de heer en mevrouw [appellant sub 3] tot een bedrag van € 1240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. voor [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] tot een bedrag van € 1271,30 (zegge: twaalfhonderdeenenzeventig euro en dertig cent), waarvan € 1240,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. voor [appellant sub 9] en anderen tot een bedrag van € 1271,30 (zegge: twaalfhonderdeenenzeventig euro en dertig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

e. voor [appellant sub 10] en anderen tot een bedrag van € 1240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

f. voor IVN Mark en Donge tot een bedrag van € 1488,00 (zegge: veertienhonderdachtentachtig euro)geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

g. voor [appellante sub 12], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], tot een bedrag van € 1240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro)geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

h. voor [appellant sub 14] tot een bedrag van € 1240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XII. gelast dat de raad van de gemeente Breda aan de volgende appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

a. € 331, 00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) voor de Natuur- en Milieuvereniging Markkant en andere, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

b. € 331, 00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) voor het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant;

c. € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 3];

d. € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B];

e. € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B];

f. € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 6A] en [appellante sub 6B] en [appellante sub 6C];

g. € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 7];

h. € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 9] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

i. € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 10] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

j. € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) voor IVN Mark en Donge;

k. € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) voor [appellante sub 12], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B];

l. € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 13];

m. € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 14].

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vletter, griffier.

w.g. Koeman w.g. Vletter

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2017

653-240.

BIJLAGE

Wet milieubeheer

Artikel 7.7, eerste lid.

Het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan, wordt opgesteld door het bevoegd gezag en bevat ten minste:

a. een beschrijving van hetgeen met de voorgenomen activiteit wordt beoogd;

b. een beschrijving van de voorgenomen activiteit, alsmede van de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven;

c. een overzicht van eerder vastgestelde plannen die betrekking hebben op de voorgenomen activiteit en de beschreven alternatieven;

d. een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu, voor zover de voorgenomen activiteit of de beschreven alternatieven daarvoor gevolgen kunnen hebben, alsmede van de te verwachten ontwikkeling van dat milieu, indien die activiteit noch de alternatieven worden ondernomen;

e. een beschrijving van de gevolgen voor het milieu, die de voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben, alsmede een motivering van de wijze waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven;

f. een vergelijking van de ingevolge onderdeel d beschreven te verwachten ontwikkeling van het milieu met de beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit, alsmede met de beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van elk der in beschouwing genomen alternatieven;

g. een beschrijving van de maatregelen om belangrijke nadelige gevolgen op het milieu van de activiteit te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet te doen;

h. een overzicht van de leemten in de beschrijvingen, bedoeld in de onderdelen d en e, ten gevolge van het ontbreken van de benodigde gegevens;

i. een samenvatting die aan een algemeen publiek voldoende inzicht geeft voor de beoordeling van het milieueffectrapport en van de daarin beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit en van de beschreven alternatieven.

Ingevolge artikel 7.14, eerste lid, aanhef en onder d, wordt in of bij het plan in ieder geval vermeld hetgeen is overwogen omtrent het door de Commissie m.e.r. overeenkomstig artikel 7.12 uitgebrachte advies.

Verordening ruimte 2014

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.17

bestemmingsvlak

geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.20

bouwperceel

aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen

zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan.

1.21

bouwvlak

geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge het planologisch regiem gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.59

nieuwvestiging

vestiging op een locatie die volgens het geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een (bouwvlak op een) bestaand bouwperceel of de (af)splitsing van een (bouwvlak op een) bestaand bouwperceel.

1.72

ruimtelijke ontwikkeling

bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor een wijziging van het planologisch regime nodig is.

1.79

uitbreiding

vergroting van een bestaand bouwperceel of bestaand bestemmingsvlak.

1.85

vestiging

mogelijk maken van een ruimtelijke ontwikkeling binnen het bouwvlak van een bestaand bouwperceel die op grond van het geldende planologische regime niet is toegelaten.

Artikel 3 Bevordering ruimtelijke kwaliteit

3.1

Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit

1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat:

a. het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid;

b. toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

2. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat:

a. een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied gebruik maakt van een bestaand bouwperceel, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald;

b. uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden;

c. ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);

(…)

3. Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat de

toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid een verantwoording waaruit blijkt dat:

(…)

c. een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer is verzekerd, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor, inclusief openbaar vervoer, een en ander onder onverminderd hetgeen in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en elders in deze verordening is bepaald.

3.2

Kwaliteitsverbetering van het landschap

1. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving.

2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording:

a. van de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd;

b. dat de in het eerste lid bedoelde verbetering past binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid voor dat gebied.

(…)

4. Indien een kwaliteitsverbetering als bedoeld in het eerste lid niet is verzekerd, wordt het bestemmingsplan slechts vastgesteld indien een passende financiële bijdrage in een

landschapsfonds is verzekerd en wordt over de werking van dat fonds regelmatig verslag gedaan in het regionaal ruimtelijk overleg.

5. In afwijking van het bepaalde in dit artikel kan de toelichting van een bestemmingsplan een verantwoording bevatten over de wijze waarop de afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap, die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg, bedoeld in artikel 37.4, onder b, worden nagekomen.

Artikel 4 Bestaand stedelijk gebied

4.2

Stedelijke ontwikkeling

Een bestemmingsplan dat voorziet in een stedelijke ontwikkeling is uitsluitend gelegen in bestaand stedelijk gebied.

5.1

Bescherming ecologische hoofdstructuur

1. Een bestemmingsplan gelegen in de ecologische hoofdstructuur:

a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;

b. stelt regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken;

c. bepaalt dat zolang de ecologische hoofdstructuur niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten.

2. Als ecologische waarden en kenmerken als bedoeld in het eerste lid gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan.

3. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid onder a (verbod nieuwvestiging), kan een bestemmingsplan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurbestemming als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, of het recreatieve medegebruik daarvan, zijn toegestaan, mits dit geen aantasting geeft van de

ecologische waarden en kenmerken van de ecologische hoofdstructuur.

4. Artikel 3.3, tweede lid (nieuwvestiging), is niet van toepassing.

5. In afwijking van het eerste lid, onder c, stelt de gemeenteraad binnen negen maanden een bestemmingsplan vast waarbij een natuurbestemming wordt aangewezen als de inrichting en het beheer voor natuurdoeleinden zijn verzekerd op grond van een verplichting van Gedeputeerde Staten of van een waterschapsbestuur.

6. Een bestemmingsplan dat is gelegen buiten de ecologische hoofdstructuur en dat leidt tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de ecologische hoofdstructuur, strekt ertoe dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd overeenkomstig artikel 5.6 (compensatieregels).

Artikel 6 Groenblauwe mantel

6.1

Bescherming van de groenblauwe mantel

1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel:

a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;

b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, bevat een verantwoording over de wijze waarop de nodige kennis over de aanwezige ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken is vergaard.

6.2 (

Vollegronds)teeltbedrijven

1. Een bestemmingsplan gelegen in de groenblauwe mantel:

a. kan voorzien in uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een

(vollegronds)teeltbedrijf, mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat:

I. de omvang noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering;

II. er een positieve bijdrage wordt geleverd aan de bescherming en ontwikkeling van de

onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken.

b. bepaalt dat de bouw of uitbreiding van kassen niet is toegestaan.

2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid kan binnen het bouwperceel voorzien in:

a. de bouw of de uitvoering van permanente teeltondersteunende voorzieningen tot ten hoogste 3 hectare;

b. een niet-agrarische functie overeenkomstig artikel 6.10 tot en met artikel 6.13.

6.3

Veehouderijen

1. Een bestemmingsplan gelegen in de groenblauwe mantel kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, mits:

a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan;

b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;

c. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving;

d. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

e. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

f. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;

g. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.

2. Een bestemmingplan gelegen in groenblauwe mantel bepaalt voor een bestaande veehouderij dat:

a. een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen alleen is toegestaan indien:

I. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;

II. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, onder b en c, inpasbaar is in de omgeving;

III. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

IV. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

V. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.

b. binnen gebouwen ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;

c. bij een gebruikswijziging van bestaande gebouwen, gericht op het in gebruik nemen van deze gebouwen voor de uitoefening van de veehouderij, wordt voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen onder a.

3. Gedeputeerde Staten stellen nadere regels over de inzet van maatregelen die bijdragen aan de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij als bedoeld in het tweede lid, sub a, onder I;

4. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid kan binnen het bouwperceel voorzien in een niet-agrarische functie overeenkomstig artikel 6.10 tot en met artikel 6.13.

6.5

Glastuinbouwbedrijven

1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel bepaalt dat uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf niet zijn toegestaan.

6.7

Wonen

1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel bepaalt dat:

a. nieuwbouw van een bedrijfs- of burgerwoning dan wel solitaire recreatiewoningen is uitgesloten;

b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten.

6.10

Niet-agrarische functies

1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel kan voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, anders dan bepaald in de artikelen 6.7 tot en met artikel 6.9 mits:

a. de totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 5.000 m² bedraagt;

b. de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken;

c. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt;

d. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger;

e. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven;

f. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie;

g. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m²;

h. is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van deze verordening toegestane omvang;

i. de beoogde activiteit niet leidt tot een grootschalige ontwikkeling.

2. Een bestemmingsplan kan voorzien in een uitbreiding of wijziging van een bestaande niet-agrarische functie onder overeenkomstige toepassing van de bepalingen in het eerste lid.

3. In afwijking van het eerste lid, onder a, d en i, kan een bestemmingsplan voorzien in een uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie, mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat:

a. de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang en/of bestaande aantallen bezoekers/overnachtingen;

b. overeenkomstige toepassing is gegeven aan artikel 4.6, tweede lid (uitbreiding bedrijven in kern landelijk gebied) indien vestiging van het bedrijf vanwege de aard van de activiteiten op een bedrijventerrein in de rede ligt;

c. de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken;

d. de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de op grond van artikel 3.1 vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit.

7.3

Veehouderijen

1. Een bestemmingsplan gelegen in gemengd landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, mits:

a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan;

b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;

c. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving;

d. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

e. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

f. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;

g. de toelichting een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.

2. Een bestemmingplan gelegen in gemengd landelijk gebied bepaalt voor een bestaande veehouderij dat:

a. een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen alleen is toegestaan indien:

I. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;

II. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, onder b en c, inpasbaar is in de omgeving;

III. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

IV. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

V. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.

b. binnen gebouwen ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;

c. bij een gebruikswijziging van bestaande gebouwen, gericht op het in gebruik nemen van deze gebouwen voor de uitoefening van de veehouderij, wordt voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen onder a.

3. Gedeputeerde Staten stellen nadere regels over de inzet van maatregelen die bijdragen aan de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij als bedoeld in het tweede lid, sub a, onder I;

4. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid kan binnen het bouwperceel voorzien in een niet-agrarische functie overeenkomstig artikel 7.10 tot en met artikel 7.15.

7.10

Niet-agrarische functies

1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied kan voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, anders dan bepaald in de artikelen 7.7 tot en met artikel 7.9 mits:

a. de totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 5.000 m² bedraagt;

b. dit bijdraagt en past binnen de beoogde ontwikkeling van gemengd landelijk gebied als bedoeld in artikel 7.1;

c. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt;

d. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger;

e. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven;

f. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie;

g. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m²;

h. is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van deze verordening toegestane omvang;

i. de beoogde activiteit niet leidt tot een grootschalige ontwikkeling.

2. Een bestemmingsplan kan voorzien in een uitbreiding of wijziging van een bestaande niet-agrarische functie onder overeenkomstige toepassing van de bepalingen in het eerste lid.

3. In afwijking van het eerste lid, onder a, d en i, kan een bestemmingsplan voorzien in een uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie, mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat:

a. de beoogde uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang en/of bestaande aantallen bezoekers/overnachtingen;

b. overeenkomstige toepassing is gegeven aan artikel 4.6 tweede lid (uitbreiding bedrijven in kern landelijk gebied) indien vestiging van het bedrijf vanwege de aard van de activiteiten op een bedrijventerrein in de rede ligt;

c. de beoogde uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de op grond van artikel 3.1 vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit.

7.14

Afwijkende regels voor horeca en maatschappelijke voorzieningen

1. In afwijking van artikel 7.10, eerste lid onder a en d (niet-agrarische functies), kan een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied voorzien in een vestiging van een horecabedrijf of van een maatschappelijke voorziening, mits:

a. de omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 1,5 hectare bedraagt, en

b. de ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf behorende tot milieucategorie 4 of hoger.

2. Voor een bestaand bedrijf of voorziening als bedoeld in het eerste lid is artikel 7.10, derde lid (redelijke uitbreiding), overeenkomstig van toepassing.

8.1

Zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling

1. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, onder a (verbod op nieuwvestiging) en artikel 4.2 (stedelijke ontwikkeling) kan een bestemmingsplan, ter plaatse van de aanduiding 'Zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling' voorzien in een stedelijke ontwikkeling.

2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid strekt ertoe dat:

a. de stedelijke ontwikkeling aansluit bij bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing;

b. bij de stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting rekening wordt gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren in het gebied zelf en in de naaste omgeving, waaronder mede begrepen de ontwikkeling van een groene geleding ten behoeve van ecologische en landschappelijke verbindingen, door deze in de planontwikkeling te betrekken;

3. Voor zover een bestemmingsplan voorziet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, is artikel 2, vierde lid (zwaarste regiem geldt) niet van toepassing en heeft het tweede lid, onder b, voorrang op de beschermingsregels die elders in deze verordening zijn opgenomen, behoudens in geval dat artikel 5 (EHS) van toepassing is.

4. Op een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid zijn de bepalingen uit artikel 4.3 tot en met artikel 4.11 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 34 Veehouderijen (rechtstreekse werking)

1. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 6.3, tweede lid, en artikel 7.3, tweede lid, gelden de volgende voorwaardelijke bepalingen:

a. een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen voor de uitoefening van een veehouderij is alleen toegestaan indien:

I. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;

II. de maatregelen als bedoeld onder I., in ieder geval voldoen aan de nader door Gedeputeerde Staten gestelde regels als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, en artikel 7.3, derde lid;

III. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving;

IV. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

V. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

VI. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief.

b. een toename van de oppervlakte van bestaande gebouwen binnen het bouwperceel is toegestaan indien het vigerende bestemmingsplan borgt dat de gebouwen alleen gebruikt mogen worden voor een ter plaatse toegelaten nevenfunctie, niet zijnde veehouderij.

2. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 4.11 en artikel 25.1 geldt voor veehouderijen de regel dat geen toename is toegestaan van de oppervlakte van bestaande gebouwen en de oppervlakte van bestaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde, behoudens indien er sprake is van een grondgebonden veehouderij als bedoeld in artikel 25.1, tweede lid.

3. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt onder oppervlakte van bestaande gebouwen in het eerste en tweede lid, verstaan de oppervlakte van de gebouwen die:

a. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; of

b. mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning; of

c. is gebaseerd op een vóór 21 september 2013 ingediende volledige en ontvankelijke aanvraag voor omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan.

4. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt onder de oppervlakte van bestaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde in het tweede lid, verstaan de oppervlakte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde die:

a. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; of

b. mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning; of

c. is gebaseerd op een vóór 21 september 2013 ingediende volledige en ontvankelijke aanvraag voor omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan.

5. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 4.11, artikel 6.3, tweede lid, onder b, en artikel 7.3, tweede lid, onder b, geldt voor veehouderijen de regel dat binnen gebouwen ten hoogste één bouwlaag in gebruik genomen mag worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden.

6. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 6.3, tweede lid onder c, en artikel 7.3, tweede lid, onder c, geldt voor veehouderijen de regel dat een gebruikswijziging van bestaande gebouwen, gericht op het in gebruik nemen van de gebouwen voor de uitoefening van een veehouderij, alleen is toegestaan indien overeenkomstige toepassing is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid, onder a.

Planregels bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013"

(NB: de planregels zoals hieronder weergegeven zijn de planregels zoals deze luiden na de vaststelling van het 6:19-besluit. Soms betreft het alleen een vernummering ten opzichte van het vorige besluit.)

Artikel 1 Begrippen

1.60

manege:

een paardenhouderij waarbij de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit het geven van instructie aan derden met gebruik van paarden in eigendom van het bedrijf of aan derden met eigen paarden en het bieden van huisvesting aan die paarden (pensionactiviteiten);

1.66

overige teeltondersteunende voorzieningen

teeltondersteunende voorzieningen niet zijnde permanente en / of tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, bedoeld ter ondersteuning of bescherming van teelten die rechtstreeks in de open grond plaatsvinden, zoals een hekwerk ten behoeve van boomteelt, teeltgeleidende en / of ondersteunende palen en dergelijke.

1.69

permanente teeltondersteunende voorziening:

voorzieningen ter ondersteuning van de diverse teelten op de bedrijven die voor onbepaalde tijd worden gebruikt.

1.80

stikstofneutraal;

een uitbreiding van een bedrijfsgebouw zonder extra depositie van stikstof op een nabijgelegen Natura 2000-gebied middels maatregelen op de locatie zelf of via externe saldering dan wel er daardoor geen significante negatieve effecten op het betreffende gebied ontstaan.

1.81

teeltondersteunende voorzieningen

voorzieningen, zoals kassen, tunnels, afdekfolies, containervelden en dergelijke die dienen ter ondersteuning van een agrarisch bedrijf.

1.82

tijdelijke ondersteunende voorzieningen

voorzieningen die dienen ter ondersteuning van de diverse teelten in de grond en gedurende maximaal 6 maanden van het jaar noodzakelijk zijn en worden opgericht, zoals folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen en hagelnetten.

Artikel 3 Agrarisch

3.2.

Bouwregels

Op of in de tot Agrarisch bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de genoemde bestemming met dien verstande dat:

a. alle bebouwing uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' is toegestaan met uitzondering van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, terreinafscheidingen en voorzieningen ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik.

b. er niet gebouwd mag worden ten behoeve van een veehouderij of de uitbreiding van glasopstanden.

3.3

Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 of 3.2 mits wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda, zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd:

a. van het bepaalde in lid 3.1 onder a voor het plaatsen en gebruiken van stacaravans en/of woonunits of de verbouwing en gebruik van een bedrijfsgebouw voor de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders met dien verstande dat:

1. het gebruik als tijdelijke huisvesting slechts is toegestaan gedurende maximaal 6 maanden per jaar hetgeen dient te worden aangetoond aan de hand van een bewoningsregistratie;

2. de woonunits of stacaravans dienen te worden geplaatst ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' van het betreffende bedrijf;

3. per bedrijf maximaal 40 seizoensarbeiders mogen worden gehuisvest;

4. deze huisvesting uitsluitend mag worden opgericht of ingericht voor werknemers die uitsluitend werkzaam zijn bij het bedrijf waar zij worden gehuisvest;

5. de noodzaak tot het hebben en huisvesten van seizoensarbeiders op het bedrijf afdoende is aangetoond waartoe een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen is vereist;

6. er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen voor de omliggende bedrijven;

(…)

f. van het bepaalde in lid 3.2 onder b voor het bouwen of verbouwen of de omschakeling naar een veehouderij, niet zijnde een intensieve veehouderij, of uitbreiding van het aantal dieren of de bouw of uitbreiding van kassen met dien verstande dat:

1. aangetoond wordt dat er stikstofneutraal wordt gebouwd;

2. Indien het permanent teeltondersteunende kassen betreft deze niet groter mogen zijn dan 5000 m²;

(…)

4. de bouw, verbouw of uitbreiding van gebouwen, niet zijnde de bedrijfswoning, voor de uitbreiding van of omschakeling naar een veehouderij, alleen is toegestaan als:

de omschakeling niet betreft het omschakelen naar een intensieve veehouderij;

het bedrijf is gelegen binnen de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ en dit alleen mogelijk is voor grondgebonden veehouderijen;

(…);

de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving inpasbaar is in de omgeving;

is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder op geurgevoelige objecten niet hoger is dan 20% tenzij er - indien de achtergrondbelasting hoger is - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding hiervan compenseert;

(…).

3.5

Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening en met inachtneming van het bepaalde in artikel 26 lid 26.7 van dit plan en wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd:

a. voor het vergroten en/of veranderen van de vorm van de aanduiding ‘bouwvlak’, met uitzondering van de bouwvlakken ter plaatse van de aanduiding ‘wonen uitgesloten’, met dien verstande dat:

1. de oppervlakte van het bouwvlak niet groter wordt dan 1,5 ha met uitzondering van:

1. ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw', waarvan de oppervlakte maximaal 3,5 ha mag gaan bedragen waarbinnen maximaal 3 ha netto glasoppervlak is toegestaan;

2. ten behoeve van het oprichten van permanente teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde kassen of tunnels waar de oppervlakte van het bouwvlak maximaal 3 ha mag gaan bedragen;

(…)

5. indien de vergroting of vormverandering van het bouwvlak is bedoeld voor de bouw van bouwwerken voor de uitbreiding van het aantal dieren ter plaatse of de uitbreiding van kassen dient aangetoond te worden dat stikstofneutraal gebouwd en gebruikt wordt.

6. uitbreiding van het bouwvlak verantwoord is vanuit natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige en milieuhygiënische oogpunt.

(…)

8. deze mogelijkheid voor vergroting of vormverandering van het bouwvlak voor veehouderijen, niet zijnde intensieve veehouderijen alleen is toegestaan als:

(…);

is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder op geurgevoelige objecten niet hoger is dan 20% tenzij er - indien de achtergrondbelasting hoger is - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding hiervan compenseert (…);

d. voor het wijzigen van deze bestemming ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ naar de bestemming ‘Bedrijf’ ten behoeve van de vestiging van een agrarisch technisch hulpbedrijf of een aan de agrarische sector verwant bedrijf met dien verstande dat:

(…)

6. wordt aangetoond dat binnen het bedrijf, voor zover dieren gehouden gaan worden, stikstofneutraal wordt gewerkt;

(…)

g. voor het huisvesten van meer seizoensarbeiders dan is aangegeven in lid 3.3 onder a punt 3 met een maximum van 120 met dien verstande dat aannemelijk gemaakt wordt dat dit groter aantal werknemers nodig is in verband met de grootte of de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf en verder voldaan wordt aan het bepaalde in lid 3.3 onder a met dien verstande dat de Landschapsinvesteringsregeling hierop niet van toepassing is tenzij het bouwvlak hiervoor moet worden vergroot.

Artikel 4 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden

4.1

Bestemmingsomschrijving

De voor Agrarisch met waarden- landschapswaarden aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. duurzaam agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening met dien verstande dat intensieve veehouderijen, overige veehouderijen, glastuinbouwbedrijven en kamperen bij de boer respectievelijk uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij', 'glastuinbouw', en 'specifieke vorm van agrarisch - minicamping' zijn toegestaan.

b. huisverkoop streekeigen producten;

c. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en abiotische waarden;

d. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch - koel- vrieshuis', 'terras' en 'dierenpension' tevens daarvoor;

e. verspreid liggende legale bebouwing, zoals die aanwezig is ten tijde van het als ontwerp ter inzage leggen van dit plan, voor zover die niet is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';

f. water;

g. extensief recreatief medegebruik.

4.2

Bouwregles

Op of in de tot Agrarisch met waarden- landschapswaarden bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de genoemde bestemming, met dien verstande dat:

a. alle bebouwing uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' is toegestaan, met uitzondering van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, terreinafscheidingen en voorzieningen ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik;

b. niet gebouwd mag worden ten behoeve van een veehouderij of de uitbreiding van glasopstanden;

(…)

g. ter plaatse van de aanduiding 'dierenpension' mag een dierenpension aanwezig zijn met een maximale milieucategorie 2;

h. de goothoogte van gebouwen maximaal 7 meter mag bedragen;

i. de bouwhoogte van gebouwen maximaal 10 meter mag bedragen met uitzondering van kassen, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter mag bedragen, en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen waarvan de bouwhoogte maximaal 3 meter mag bedragen;

j. de bebouwing als bedoeld in lid 4.1 onder e mag worden gehandhaafd in zijn huidige omvang en als zodanig ook geheel mag worden vervangen;

k. per bouwvlak maximaal één bedrijfswoning aanwezig mag zijn c.q. gebouwd en/of verbouwd mag worden met dien verstande dat de inhoud, bebouwing onder peil niet meegerekend, maximaal 750 m³ mag bedragen; ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten' is geen bedrijfswoning toegestaan en het bepaalde onder punt b van dit lid hierop niet van toepassing is;

(…)

n. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - koel- en vrieshuis' voor de koeling door derden maximaal 2500 m2 bebouwing aanwezig mag zijn c.q. gebouwd en gebruikt mag worden;

o. ter plaatse van de aanduiding 'dierenpension' voor deze functie maximaal 400 m2 bebouwing aanwezig mag zijn c.q. gebouwd mag worden.

4.3

Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1 en 4.2 mits wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd:

a. van het bepaalde in 4.1 onder a voor het plaatsen en gebruiken van stacaravans en/of woonunits of de verbouwing van een bedrijfsgebouw voor de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders met dien verstande dat:

1. het gebruik als tijdelijke huisvesting slechts is toegestaan gedurende maximaal 6 maanden per jaar hetgeen dient te worden aangetoond aan de hand van een bewonersregistratie;

2. de woonunits of stacaravans dienen te worden geplaatst ter plaatse van de aanduiding bouwvlak van het betreffende bedrijf;

3. per bedrijf maximaal 40 seizoensarbeiders mogen worden gehuisvest;

4. deze huisvesting mag worden opgericht of ingericht voor werknemers die uitsluitend werkzaam zijn bij het bedrijf waar zij worden gehuisvest;

5. de noodzaak tot het hebben en huisvesten van seizoensarbeiders op het bedrijf afdoende is aangetoond waartoe een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen vereist is;

6. er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen voor de omliggende bedrijven.

(…)

f. van het bepaalde in 4.2 onder b voor het bouwen of verbouwen of de omschakeling naar veehouderij, niet zijnde een intensieve veehouderij, of uitbreiding van het aantal dieren of de bouw of uitbreiding van kassen met dien verstande dat:

1. aangetoond wordt dat er stikstofneutraal wordt gebouwd;

2. indien het permanent teeltondersteunende kassen betreft deze niet groter mogen zijn dan 5000 m2.

(…)

3. de bouw of uitbreiding van kassen groter dan 5000 m2 uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' en tot een netto glasoppervlak van maximaal 3 ha.

4. de bouw, verbouw of uitbreiding van gebouwen, niet zijnde de bedrijfswoning, voor de uitbreiding van of omschakeling naar een veehouderij alleen is toegestaan als:

de omschakeling niet betreft het omschakelen naar een intensieve veehouderij;

het bedrijf is gelegen binnen de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ en dit alleen van toepassing is op grondgebonden veehouderijen;

(…);

de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving inpasbaar is in de omgeving;

is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder op geurgevoelige objecten niet hoger is dan 20% tenzij er - indien de achtergrondbelasting hoger is - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding hiervan compenseert:

(…).

4.6

Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening en met inachtneming van het bepaalde in artikel 26 lid 26.7 van dit plan en wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd:

a. voor het vergroten en/of veranderen van de vorm van de aanduiding bouwvlak, met uitzondering van de bouwvlakken ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten', met dien verstande dat:

1. de oppervlakte van een bouwvlak niet groter wordt dan 1,5 ha met uitzondering van;

ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' waar de oppervlakte van het bouwvlak nooit meer dan 3,5 ha mag gaan bedragen waarbinnen maximaal 3 ha netto glasoppervlak is toegestaan;

het vergroten van bouwvlakken ten behoeve van het oprichten van permanente teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde kassen of tunnels, waar de oppervlakte van het bouwvlak maximaal 3 ha mag gaan bedragen;

de uitbreiding ter plaatse van de aanduiding veehouderij waar de oppervlakte van het bouwvlak maximaal 2,5 ha mag gaan bedragen mits:

1. de veebezetting 2 GVE/ha of minder bedraagt;

2. er sprake is van een sanering van een overbelaste situatie elders;

3. uitbreiding noodzakelijk is voor de ontwikkeling van een zorgvuldige veehouderij vanwege een vernieuwend bedrijfsconcept en na advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;

(…)

5. indien de vergroting of vormverandering van het bouwvlak is bedoeld voor de bouw van bouwwerken voor de uitbreiding van het aantal dieren ter plaatse of de uitbreiding van kassen dient aangetoond te worden dat stikstofneutraal gebouwd en gebruikt wordt;

6. uitbreiding van het bouwvlak verantwoord is vanuit natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische oogpunt.

(…)

8. deze mogelijkheid voor vergroting of vormverandering van het bouwvlak voor veehouderijen, niet zijnde intensieve veehouderijen alleen is toegestaan als:

(…)

de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving inpasbaar is in de omgeving;

is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder op geurgevoelige objecten niet hoger is dan 20% tenzij er - indien de achtergrondbelasting hoger is- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding hiervan compenseert;

(…)

d. voor het wijzigen van deze bestemming ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" naar de bestemming "Bedrijf" ten behoeve van de vestiging van een agrarisch technisch hulpbedrijf of een aan de agrarische sector verwant bedrijf met dien verstande dat:

(…)

6. wordt aangetoond dat binnen het bedrijf, voor zover dieren gehouden gaan worden, stikstofneutraal wordt gewerkt;

(…)

g. voor het huisvesten van meer seizoensarbeiders dan is aangegeven in lid 4.3 onder a punt 3 met een maximum van 120 met dien verstande dat aannemelijk gemaakt wordt dat dit groter aantal werknemers nodig is in verband met de grootte of de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf en verder voldaan wordt aan het bepaalde in lid 4.3 onder a met dien verstande dat de Landschapsinvesteringsregeling Breda niet van toepassing is als hieraan al is voldaan is ten behoeve van de vergroting van het bouwvlak hiervoor.

Artikel 5 Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden

5.2

Bouwregels

Op of in de tot Agrarisch met waarden- natuur- en landschapswaarden bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de genoemde bestemming met dien verstande dat:

(…)

a. alle bebouwing ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ dient te worden gebouwd met uitzondering van terreinafscheidingen en voorzieningen ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik.

5.3

Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2 mits wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd:

a. van het bepaalde in 5.1 onder a voor het plaatsen en gebruiken van stacaravans en/of woonunits of de verbouwing van een bedrijfsgebouw voor de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders met dien verstande dat:

1. het gebruik als tijdelijke huisvesting slechts is toegestaan gedurende maximaal 6 maanden per jaar hetgeen dient te worden aangetoond aan de hand van een bewonersregistratie;

2. de woonunits of stacaravans dienen te worden geplaatst ter plaatse van de aanduiding bouwvlak van het betreffende bedrijf;

3. per bedrijf maximaal 40 seizoensarbeiders mogen worden gehuisvest tenzij aannemelijk gemaakt wordt dat een groter aantal werknemers nodig is in verband met de grootte en/of specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf;

4. deze huisvesting mag worden opgericht of ingericht voor werknemers die uitsluitend werkzaam zijn bij het bedrijf waar zij worden gehuisvest;

5. de noodzaak tot het hebben en huisvesten van seizoensarbeiders op het bedrijf afdoende is aangetoond waartoe een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen vereist is;

6. er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen voor de omliggende bedrijven.

(…)

d. van het bepaalde in 5.2. onder a voor het bouwen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten de aanduiding 'bouwvlak' voor zover kan worden aangetoond dat het oprichten hiervan geen onevenredige effecten heeft of kan hebben op de aanwezige natuur- en landschapswaarden en de bouwhoogte van de voorzieningen niet meer bedraagt dan 3 meter met dien verstande dat vanwege de tijdelijkheid niet hoeft te worden voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda.

(…)

g. van het bepaalde in 5.2 onder b voor het bouwen of verbouwen of de omschakeling naar een veehouderij, niet zijnde een intensieve veehouderij, of uitbreiding van het aantal dieren of de bouw of uitbreiding van kassen met dien verstande dat:

1. aangetoond wordt dat er stikstofneutraal wordt gebouwd.

(…)

4. de bouw, verbouw of uitbreiding van gebouwen, niet zijnde de bedrijfswoning, voor de uitbreiding van of omschakeling naar een veehouderij voor zover gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' alleen is toegestaan als:

gelegen binnen de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ dit alleen van toepassing is op grondgebonden veehouderijen;

aangetoond is dat maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij welke zijn opgenomen in de nadere regels ter uitvoering van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore, die zijn vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant op grond van de Verordening ruimte 2014;

de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving inpasbaar is in de omgeving;

is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder op geurgevoelige objecten niet hoger is dan 20% tenzij er - indien de achtergrondbelasting hoger is - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding hiervan compenseert;

(…).

5.7

Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening en met inachtneming van het bepaalde in artikel 26 lid 26.7 van dit plan en wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd,

a. voor het vergroten en/of veranderen van de vorm van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat:

(…)

3. indien de vergroting of vormverandering van het bouwvlak is bedoeld voor de bouw van bouwwerken voor de uitbreiding van het aantal dieren ter plaatse of de uitbreiding van kassen dient aangetoond te worden dat stikstofneutraal gebouwd wordt;

4. deze mogelijkheid voor vergroting of vormverandering van het bouwvlak voor veehouderijen, niet zijnde intensieve veehouderijen, alleen is toegestaan als:

(…)

aangetoond is dat de kans op cumulatieve geurhinder op geurgevoelige objecten niet hoger is dan 20% tenzij er - indien de achtergrondbelasting hoger is - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding hiervan compenseert(…);

(…)

d. voor het huisvesten van meer seizoensarbeiders dan is aangegeven in lid 5.3 onder a punt 3 met een maximum van 120 met dien verstande dat aannemelijk gemaakt wordt dat dit groter aantal werknemers nodig is in verband met de grootte of de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf en verder voldaan wordt aan het bepaalde in lid 5.3 onder a).

Artikel 7 Bedrijventerrein

7.1

Bestemmingsomschrijving

De voor Bedrijventerrein aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijven en inrichtingen welke voorkomen in de categorieën 1 t/m 3 van de als bijlage 1 bij deze regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten;

b. nutsvoorzieningen;

c. verkeer, zoals ontsluitings- en toegangswegen en parkeervoorzieningen, waaronder een carpoolplaats;

d. groenvoorzieningen inclusief water;

e. geluidwerende voorzieningen

f. horeca in de vorm van één restaurant, één hotel of een combinatie daarvan.

7.2

Bouwregels

Op of in de tot Bedrijventerrein bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming met dien verstande dat:

a. de bebouwing wordt gesitueerd ter plaatse van de aanduiding bouwvlak;

b. het bebouwingspercentage van het bestemmingsvlak maximaal 30% mag bedragen;

c. de hoogte van de gebouwen maximaal 8 meter mag bedragen met dien verstande dat over een bebouwd oppervlak van 2000 m² de hoogte maximaal 70 meter mag bedragen;

d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor zover het betreft terreinafscheidingen maximaal 2 meter en overige maximaal 12 meter.

Artikel 13 Natuur

13.1

Bestemmingsomschrijving

De voor "Natuur" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

-de duurzame instandhouding van natuurgebieden;

-behoud, herstel en/of ontwikkeling van de aan de natuurgebieden eigen zijnde natuur- en hydrologische waarden;

-behoud of versterking van de landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden;

-ter plaatse van de aanduidingen 'wro-zone - zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen' , 'wro-zone - zoekgebied voor ecologische verbindingszone' tevens daarvoor;

-verspreid liggende legale bebouwing zoals die aanwezig is ten tijde van het als ontwerp ter inzage leggen van dit plan;

-ter plaatse van de aanduiding 'ijsbaan' tevens als ijsbaan;

-extensief recreatief medegebruik.

13.2

Bouwregels

Op of in de tot "Natuur" bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarbij de hoogte niet meer dan 1.50 meter mag bedragen en in de vorm van voorzieningen voor het extensief recreatief medegebruik zoals zitgelegenheden met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'ijsbaan' alleen gebouwd mag worden binnen de daarvoor opgenomen bouwvlakken.

Artikel 15 Sport

15.2

Bouwregels

Op of in de tot Sport bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat:

a. gebouwen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding bouwvlak mogen worden gebouwd;

b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' uitsluitend dat percentage van het bouwvlak bebouwd mag worden met gebouwen en ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte' uitsluitend de genoemde oppervlakte bebouwd mag worden;

(…)

e. Op of in de tot Sport bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'manege' mag niet gebouwd worden ten behoeve van de uitbreiding van de aantallen dieren

15.3

Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van de aanduiding ‘manege’ met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 15.2 onder e voor het bouwen ten behoeve van de uitbreiding van het aantal dieren mits aangetoond wordt dat er stikstofneutraal wordt gebouwd.

Artikel 18 Wonen

18.1

Bestemmingsomschrijving

De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen met de daarbij behorende tuinen en erven;

b. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' tevens daarvoor;

c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - bed en breakfast' tevens daarvoor;

d. behoud en/of herstel van cultuurhistorische, landschappelijke en/of architectonische waarden van gebouwen die zijn aangewezen als rijksmonument, gemeentelijk monument of cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als is opgenomen in de bij deze regels als bijlage 1 gevoegde lijst.

18.2

Bouwregels

Op of in de tot Wonen bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd met dien verstande dat:

a. ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' per vlak maximaal één woning aanwezig mag zijn c.q. mag worden gebouwd met uitzondering van de locatie ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' waar meerdere woningen in de vorm van een appartementengebouw zijn toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten' waar geen woning gebouwd mag worden c.q. aanwezig mag zijn;

b. de woning mag worden gebouwd, verbouwd, uitgebreid en vervangen met dien verstande dat de inhoud van de woning, de bebouwing onder peil niet meegerekend, nooit meer zal mogen bedragen dan 750 m³ met uitzondering van boerderijen met geïntegreerde bedrijfsruimte waarvan de inhoud gelijk mag zijn aan het bestaande bouwvolume onder de voorwaarde dat de boerderij in zijn oorspronkelijke karakter wordt gehandhaafd en met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'maximum volume (m3)' waar de inhoud van de woning maximaal de inhoud mag bedragen als aangegeven;

c. de goothoogte niet meer dan 6 meter en de bouwhoogte niet meer dan 9 meter mag bedragen met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte (m)' waar de betreffende hoogtematen maximaal mogen bedragen als aangegeven;

d. bijgebouwen zowel vrijstaand als aangebouwd, mogen worden opgericht met dien verstande dat het gezamenlijke grondoppervlak maximaal 100 m² bedraagt en de goothoogte maximaal 3 meter en bouwhoogte maximaal 5 meter mag bedragen, tenzij reeds een gebouw met minimaal deze maatvoering aanwezig is;

e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 6 meter mogen bedragen met uitzondering van erfafscheidingen waarvan de hoogte maximaal 2 meter mag bedragen.

Artikel 22 Waarde - Attentiegebied ecologische hoofstructuur

22.1

Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde - attentiegebied ecologische hoofdstructuur’ aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemming), mede bestemd voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische waarden.

Artikel 26 Overige bepalingen

26.8

Overige regels

26.8.1

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

a.

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders binnen de bestemde of nader aangeduide gebieden, onder verwijzing naar de tabel van omgevingsvergunningen en gebruiksverboden, de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren:

(…)

c. Het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, allen dieper dan 0,30 meter.

h. Het beplanten van gronden met opgaand houtgewas ten behoeve van sierteelt of boomteelt.

i. Het permanent omzetten van grasland in bouwland.

j. Het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van vaarten, waterlopen, sloten en greppels.

b.

Een omgevingsvergunning als bedoeld onder 26.8.1 onder a is slechts toelaatbaar, indien door die werken en/of werkzaamheden de natuur- en landschappelijke waarden en de cultuurhistorische en archeologische waarden op deze gronden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate worden verkleind en indien een afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen het verkeersbelang, tot uitkomst heeft, dat een omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd dan wel de in geval van de aanwezigheid van boven- of ondergrondse leidingen de betreffende leidingbeheerder een positief advies heeft afgegeven.