Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2657

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
201607816/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 september 2016 heeft het college locatie R16.107 aangewezen als inzamellocatie voor huishoudelijk afval.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2017/755
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607816/1/A1.

Datum uitspraak: 4 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Krimpen aan den IJssel,

en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2016 heeft het college locatie R16.107 aangewezen als inzamellocatie voor huishoudelijk afval.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2017, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door P. van den Boogert, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij het besluit van 7 september 2016 is de locatie R16.107 aangewezen als inzamellocatie voor huishoudelijk afval (hierna: de locatie). Hiertoe zal op de locatie een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC) worden geplaatst. De locatie ligt aan de Belcantodreef te Krimpen aan den IJssel, tegenover de woning van [appellante] aan de overzijde van de weg. [appellante] heeft beroep ingesteld omdat zij vreest voor hinder en voor nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid en geparkeerde auto's.

Situering ten opzichte van de woning

2.    [appellante] betoogt dat het college de locatie niet in redelijkheid kon aanwijzen, nu de locatie zich in strijd met de door het college toegepaste criteria tegenover de deur en een raam van haar woning en op het zuidwesten bevindt.

2.1.    Bij de aanwijzing van inzamelplaatsen hanteert het college onder meer als criterium: "De aan te wijzen cluster en of container inzamelplaats(en) dienen zoveel mogelijk overlast te voorkomen voor aangrenzende percelen. De afstand tot de gevel van de woning bedraagt minimaal 3 meter. Bij een blinde muur kan hiervan worden afgeweken, in dit geval kan de afstand minimaal 2 meter zijn. Bij de keuze tussen een clusterplaats en of container inzamelplaats voor een perceel of een clusterplaats en of container inzamelplaats voor een blinde muur, dient voor het laatste te worden gekozen. Een cluster en of container inzamelplaats recht voor iemands deur of raam wordt als niet gewenst geacht. Bij voorkeur niet te situeren aan de zuid-westzijde van tuinen i.v.m. overheersende windrichting."

    Ter zitting heeft het college overtuigend toegelicht dat het criterium zo moet worden uitgelegd, dat slechts een ORAC aan dezelfde kant van de weg en onmiddellijk voor een deur of raam van een woning heeft te gelden als recht voor iemands deur of raam. Een dergelijke situatie doet zich in dit geval niet voor, nu de locatie zich ten opzichte van de woning van [appellante] aan de overzijde van de weg op een afstand van ongeveer 15 m bevindt. Het college heeft in de enkele omstandigheid dat vanuit de woning rechtstreeks zicht op de locatie bestaat, dan ook geen aanleiding hoeven te vinden om met inachtneming van dit criterium af te zien van aanwijzing van de locatie. Verder bevindt de locatie zich niet ten zuidwesten, maar ten zuidoosten van het perceel van [appellante], zodat ook in zoverre niet wordt afgeweken van het criterium.

    Het betoog faalt.

Verkeersveiligheid

3.    [appellante] betoogt dat het college de locatie niet in redelijkheid kon aanwijzen, nu de locatie in strijd met de door het college toegepaste criteria tot nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid leidt. Zij voert aan dat gebruikers van de ORAC de Belcantodreef zullen moeten oversteken om afval naar de ORAC te brengen. Ter plaatse pleegt het verkeer hard te rijden, terwijl het zicht voor voetgangers beperkt is vanwege een nabijgelegen bocht in de weg en geparkeerde auto's, aldus [appellante].

3.1.    Bij de aanwijzing van inzamelplaatsen hanteert het college onder meer het criterium dat de verkeersveiligheid niet in het geding mag komen.

    De enkele omstandigheid dat het, om gebruik te kunnen maken van een ORAC, noodzakelijk is om een weg over te steken, leidt er nog niet toe dat strijd met dit criterium moet worden aangenomen. De situatie ter plaatse van de locatie geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college in dit geval tot een andere conclusie had moeten komen. Daarvoor is van belang dat op de Belcantodreef, die zich in een woonwijk bevindt, een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt. Verder is gebleken dat de nabijgelegen bocht onverlet laat dat naderend verkeer op een afstand van enige tientallen meters zichtbaar is voor voetgangers die ter hoogte van de locatie willen oversteken. Die afstand is niet zodanig kort, dat de verkeersveiligheid daardoor in gevaar komt.

    Het betoog faalt.

Het bereiken en legen van de ORAC door het inzamelvoertuig

4.     [appellante] betoogt dat het college de locatie niet in redelijkheid kon aanwijzen, nu auto's voor de locatie kunnen worden geparkeerd. Deze kunnen volgens haar een belemmering vormen voor het bereiken van de ORAC door het inzamelvoertuig en het legen van de ORAC. De door het college toegepaste criteria staan in een dergelijk geval in de weg aan aanwijzing van de locatie, aldus [appellante].

4.1.    Bij de aanwijzing van inzamelplaatsen hanteert het college als criteria:

"Geparkeerde auto's of andere objecten in de openbare ruimte mogen geen belemmering vormen voor het inzamelvoertuig, zodanig dat er een aantoonbaar hoog risico op schade is […]", en:

"Geparkeerde auto's of andere objecten in de openbare ruimte vormen geen belemmering voor het transport van het inzamelmiddel naar het inzamelvoertuig toe, zodanig dat er een aantoonbaar hoog risico op schade is. Bijvoorbeeld minicontainers alsmede ondergrondse en bovengrondse inzamelcontainers die tussen dicht op elkaar geparkeerde auto's moeten worden gereden of gehesen om bij het inzamelvoertuig te komen".

    Ter zitting heeft het college onweersproken naar voren gebracht dat het niet verboden is om voor de locatie te parkeren, maar dat gebleken is dat geparkeerde auto's ter plaatse geen belemmering vormen voor het bereiken van de locatie door het inzamelvoertuig en het transport van de ORAC naar het inzamelvoertuig. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de locatie in strijd met dit criterium had moeten achten.

    Het betoog faalt.

Alternatieve locatie

5.    [appellante] betoogt dat het college de locatie niet in redelijkheid kon aanwijzen, nu zij heeft gewezen op een geschikte alternatieve locatie met minder nadelen, te weten een locatie enkele meters ten zuidwesten van de aangewezen locatie, tegenover de kruising met de Turandot.

5.1.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het college de aangewezen locatie geschikt kunnen achten voor het plaatsen van een ORAC. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar voorgestelde alternatieve locatie zodanig geschikter is, dat het college in redelijkheid voor die locatie had moeten kiezen. Daartoe overweegt de Afdeling dat, zoals het college ter zitting onweersproken heeft gesteld, de voorgestelde locatie ongeschikt is voor de plaatsing van een ORAC omdat hier met een mof verbonden kabels in de grond liggen.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

6.     Het beroep is ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2017

457-727.