Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2653

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
201608078/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:4989, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2015 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de inrichting van Vion Boxtel B.V. gelegen aan het Boseind 10 te Boxtel (hierna: de inrichting). Voorts zijn de omgevingsvergunningen van 30 juli 2009, 18 augustus 2009 en 2 juli 2013 gedeeltelijk ingetrokken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5196
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7562
JOM 2017/1030
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608078/1/A1.

Datum uitspraak: 4 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Boxtel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 september 2016 in zaken nrs. 15/2420 en 15/2459 in het geding tussen:

1.    [appellant]

2.    [partij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2015 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de inrichting van Vion Boxtel B.V. gelegen aan het Boseind 10 te Boxtel (hierna: de inrichting). Voorts zijn de omgevingsvergunningen van 30 juli 2009, 18 augustus 2009 en 2 juli 2013 gedeeltelijk ingetrokken.

Bij tussenuitspraak van 11 februari 2016 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak de geconstateerde gebreken in het besluit van 8 juli 2015 te herstellen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen.

Bij besluit van 31 maart 2016 heeft het college een nieuw besluit genomen. Hierbij is het besluit van 8 juli 2015 ingetrokken en opnieuw omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de inrichting. Voorts zijn de omgevingsvergunningen van 30 juli 2009, 18 augustus 2009 en 2 juli 2013 gedeeltelijk ingetrokken.

Bij uitspraak van 14 september 2016 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] tegen het besluit van 8 juli 2015 ingestelde beroep niet-ontvankelijk en het door [appellant] tegen het besluit van 31 maart 2016 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 september 2017, waar het college, vertegenwoordigd door P. Wintjes, A. Janssen en mr. M. Compter, is verschenen. Tevens is ter zitting Vion Boxtel B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. P.A.J. Huibregts, advocaat te Den Bosch, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Vion Boxtel B.V. drijft aan het Boseind 10 te Boxtel een inrichting voor het slachten van varkens en het verwerken van varkensvlees. De inrichting bevat een slachthuis en heeft een koelinstallatie met ammoniak als koudemiddel. De inrichting is gelegen nabij het spoor tussen Den Bosch en Eindhoven en de Parallelweg Zuid. Aan de overzijde van het spoor en de weg ligt de woning van [appellant] aan de [locatie 1] te Boxtel.

Procedure bij de rechtbank

2.    De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het afwijken van de richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten slechts is geoorloofd als dit deugdelijk is gemotiveerd. Naar aanleiding van hetgeen door [partij] in beroep is aangevoerd, heeft de rechtbank voorts overwogen dat in het advies van de brandweer onvoldoende is onderzocht hoeveel mensen op het bedrijventerrein van [partij] aanwezig zijn, in het bijzonder in de school, hoe lang zij daar verblijven, of zij de veiligheidsrisico’s kunnen inschatten en of zij kunnen vluchten. Het advies is gebaseerd op aannames op basis van een website van de school. Niet is gebleken van een bezoek ter plaatse. Ook is niet gebleken dat het restaurant van buiten en binnen is bekeken. De rechtbank acht het besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd.

    De rechtbank heeft in de tussenuitspraak voorts overwogen dat het college ten onrechte in voorschrift 3.1.2. behorende bij de omgevingsvergunning heeft opgenomen dat de maximale werktemperatuur tussen de +6˚C en -10˚C mag liggen. Op deze wijze is mogelijk dat de installatie met een werktemperatuur van meer dan -5˚C in werking is. Dit zou resulteren in een type met een grotere risico-afstand dan de afstand waarvan wordt uitgegaan in de motivering van het besluit van 8 juli 2015.

     De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om beter onderzoek te doen naar de beperkt kwetsbare objecten binnen de 10-6 contour, teneinde vervolgens te motiveren waarom van de richtwaarde wordt afgeweken en in voorschrift 3.1.2. een passende maximale werktemperatuur te stellen.     

    Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak bij besluit van 31 maart 2016 het besluit van 8 juli 2015 ingetrokken, omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van een inrichting en de omgevingsvergunningen van 30 juli 2009, 18 augustus 2009 en 2 juli 2013 gedeeltelijk ingetrokken. Daarbij heeft het college in voorschrift 3.1.2. behorende bij het besluit opgenomen dat de maximale werktemperatuur van de ammoniakinstallatie tussen -5˚C en -25˚C moet liggen. Voorts is in het besluit uiteengezet dat het bedrijfsverzamelgebouw met fotovakschool en het buiten bedrijf zijnde restaurant aan de Parallelweg Zuid op 2 maart 2016 zijn bezocht. Naar aanleiding hiervan heeft de brandweer Brabant-Noord het advies van 29 augustus 2013 op 4 maart 2016 aangevuld. Er is geconcludeerd dat zich in het bedrijfsverzamelgebouw een relatief klein aantal mensen bevindt dat over een grote zelfredzaamheid beschikt. Voorts is vastgesteld dat er voldoende vluchtwegen beschikbaar zijn. Het bedrijfsbezoek van 2 maart 2016 heeft voor de brandweer geen aanleiding gevormd het advies inhoudelijk te wijzigen. Het bedrijfsverzamelgebouw is voldoende luchtdicht en biedt in geval van een ammoniakemissie van Vion Boxtel B.V. voldoende bescherming voor de aanwezige personen om te kunnen schuilen tot professionele hulp beschikbaar is. Het restaurant biedt eveneens in voldoende mate bescherming bij een ammoniakemissie totdat professionele hulp beschikbaar is. Voorts bestaat een vluchtmogelijkheid voor het restaurant. In de vergunningvoorschriften is vastgelegd dat Vion Boxtel B.V. de gebruikers van de beperkt kwetsbare objecten moet informeren over de wijze van handelen bij een lekkage van de ammoniakkoelinstallatie en dat Vion Boxtel B.V. een plan van aanpak moet opstellen voor de alarmering van de bezoekers van het bedrijfsverzamelgebouw en het restaurant in geval van een lekkage.

    De rechtbank heeft het besluit van 31 maart 2016 in stand gelaten.

Het hoger beroep

3.    Voor zover [appellant] beoogt te betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de gronden van zijn beroep moeten worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 31 maart 2016, wordt overwogen dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het beroep tegen het besluit van 8 juli 2015 gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege mede betrekking heeft op het herstelbesluit van 31 maart 2016.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de omgevingsvergunning niet had moeten worden verleend. De rechtbank is ten onrechte niet ingegaan op het in bezwaar overgelegde tegenrapport.

    Voorts voert [appellant] aan dat de rechtbank evenmin heeft onderkend dat het onderzoek van de brandweer Brabant-Noord onvolledig is geweest omdat de brandweer zijn perceel en woning niet heeft onderzocht. [appellant] wijst erop dat hij in geval van een calamiteit de grootste risico’s loopt aangezien hij met open ramen slaapt. De brandweer Brabant-Noord gaat er volgens [appellant] in het advies aan voorbij dat bij een calamiteit met westenwind nooit op tijd een waterscherm bij de woning van [appellant] kan worden opgeworpen als hij daar ligt te slapen.

4.1.    Reeds omdat [appellant] niet heeft aangegeven waarop de rechtbank onvoldoende is ingegaan, slaagt het betoog niet.

    Anders dan [appellant] betoogt, heeft de brandweer Brabant-Noord de omstandigheid dat de woning van [appellant] als beperkt kwetsbaar object binnen de 10-6 contour is gelegen, betrokken in het advies van 29 augustus 2013. Volgens dat advies is de zelfredzaamheid van de bewoners redelijk. De aanwezige personen zijn naar verwachting goed in staat om zelfstandig op de juiste manier te handelen ten tijde van een ammoniaklekkage bij Vion Boxtel B.V. Naar aanleiding van het advies van de brandweer Brabant-Noord van 4 maart 2016 zijn voorschriften aan het herstelbesluit verbonden op grond waarvan omwonenden worden geïnformeerd over hoe zij moeten handelen bij een lekkage van de koelinstallatie en moet Vion Boxtel B.V. op grond van een goedgekeurd plan van aanpak maatregelen treffen over het alarmeren van de omwonenden. Deze voorschriften zien op de omwonenden en gebruikers van de objecten binnen de groepsrisicocontour van Vion Boxtel B.V. en daarmee mede op [appellant]. De rechtbank heeft zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat in de omgevingsvergunning de risico’s voor de externe veiligheid in voldoende mate worden beperkt en dat ter zake geen nadere of andere voorschriften aan de omgevingsvergunning hoeven te worden verbonden. Ter zitting is van de zijde van het college toegelicht dat Vion Boxtel B.V. beschikt over een alarmeringssysteem dat binnen 60 seconden na het optreden van een calamiteit een akoestische signalering afgeeft aan omwonenden. Tevens vindt dan een melding plaats aan de brandweer. Overigens blijkt uit de in hoger beroep door het college overgelegde brief van 8 februari 2017 dat de brandweer Brabant-Noord de woning [appellant] op 7 februari 2017 heeft bezocht. Uit voormelde brief blijkt dat de woning van [appellant] permanent wordt bewoond door twee personen, dat zij voldoende zelfredzaam zijn en de risico’s van een eventuele ammoniakemissie voldoende kunnen inschatten, dat voor hen een vluchtmogelijkheid bestaat via de tuin en dat de woning in voldoende mate bescherming biedt bij een ammoniakemissie vanwege een lekkage van de ammoniakinstallatie. Het vorenstaande sluit aan bij de in het herstelbesluit opgenomen motivering op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat voor de woning Parallelweg 33b te Boxtel kan worden afgeweken van de richtwaarde voor het plaatsgebonden risico.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] voert voorts aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zijn woning ten onrechte heeft aangemerkt als "beperkt kwetsbaar object" in plaats van "kwetsbaar object". In de bestaande situatie is sprake van twee woningen. De woning van [appellant] aan de [locatie 1] en het restaurant met een bovenwoning aan de [locatie 2] liggen binnen de risicocontour van de koelinstallatie van Vion Boxtel B.V. Gelet hierop is geen sprake van "verspreid liggende woningen" en vallen de woningen onder de categorie "kwetsbaar object", aldus [appellant].

5.1.    Artikel 1, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Bevi) luidt: "1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

b. beperkt kwetsbaar object:

a. 1°. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare, en

(…)

l. kwetsbaar object:

a. woningen, woonschepen en woonwagens, niet zijnde woningen, woonschepen of woonwagens als bedoeld in onderdeel b, onder a;

b. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals:

(…)."

5.2.    In de nabijheid van de woning van [appellant] aan de [locatie 1] bevindt zich aan de [locatie 2] een bedrijfswoning. Tussen partijen is niet in geschil dat zich in de nabije omgeving verder geen woningen bevinden. De woningen zijn om die reden terecht als verspreid liggende woningen aangemerkt. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de woning van [appellant] aan de [locatie 1] een beperkt kwetsbaar object is. De omstandigheid dat [appellant] ’s nachts met zijn ramen open slaapt, maakt niet dat zijn woning als kwetsbaar object moet worden aangemerkt, nu die omstandigheid in het Bevi geen criterium is op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de woning een kwetsbaar object is als bedoeld in het Bevi.

    Het betoog faalt.

6.    [appellant] betoogt dat de vergunning uit 2009 is verleend zonder dat is getoetst aan het Bevi. Het herstelbesluit van 31 maart 2016 betreft volgens [appellant] een legalisatie van de in 2003 vergunde situatie, waarbij een ammoniakkoelinstallatie met leidingen op het dak is vergund.

6.1.    [appellant] heeft niet aangegeven waarom hij zich niet kan verenigen met de motivering in de uitspraak van de rechtbank op dit punt. Reeds om die reden faalt het betoog.

7.    [appellant] stelt ten slotte dat de rechtbank de beroepsgrond omtrent de milieuvergunning uit 2002 ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten nu het college de desbetreffende milieuvergunning volgens [appellant] niet tijdig heeft verstrekt.

    Uit de desbetreffende milieuvergunning blijkt volgens [appellant] dat de capaciteit van de ammoniakkoelinstallatie van Vion Boxtel B.V.

12.000 kilogram ammoniak bedraagt in plaats van de gestelde 9950 kilogram. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat zich in het verleden geen wijzigingen aan de opslag hebben voorgedaan, is het college uitgegaan van onjuiste gegevens, aldus [appellant].

7.1.    De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877) terecht afgezien van een inhoudelijke bespreking van de beroepsgrond van [appellant] die betrekking heeft op de milieuvergunning uit 2002. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. De rechtbank heeft hierbij terecht in aanmerking genomen dat het ervoor moet worden gehouden dat [appellant] reeds beschikte althans kon beschikken over de informatie waarop deze beroepsgrond is gebaseerd en dat niet valt in te zien waarom deze informatie niet eerder in het geding kon worden gebracht. Het college heeft in hoger beroep in dit verband nog toegelicht dat deze beschikking bij brief van 2 november 2002 door de gemeente Boxtel aan [appellant] is toegezonden.

    Het betoog faalt.

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Hoogvliet    w.g. Melenhorst

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2017

490.