Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2613

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
201608079/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2016 heeft het college zijn beslissing om op 30 juni 2016 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2017/752 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2017/1006

Uitspraak

201608079/1/A1.

Datum uitspraak: 27 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2016 heeft het college zijn beslissing om op 30 juni 2016 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 11 oktober 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2017, waar [appellante], en het college, vertegenwoordigd door mr. F.D.R. van Motman, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak die op donderdag 30 juni 2016 om 12.29 uur ter hoogte van de [locatie 1] is aangetroffen. Omdat de adresgegevens van [appellante] in de huisvuilzak zijn aangetroffen, is het college ervan uitgegaan dat de afvalstoffen van [appellante] afkomstig zijn.

De huisvuilzak bevond zich op een locatie waar op vrijdag het huisvuil wordt ingezameld. Nu de huisvuilzak op een andere tijdstip ter inzameling is aangeboden dan op het door het college vastgestelde tijdstip waarop huishoudelijke afvalstoffen kunnen worden aangeboden, heeft [appellante] volgens het college gehandeld in strijd met artikel 10, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening 2010.

2.    [appellante] woont in een huis op de [locatie 2].

Volgens haar loopt zij met krukken omdat zij polio heeft gehad.

Zij betoogt dat het college niet heeft onderkend dat het voor haar niet mogelijk is om naar de [locatie 1] te lopen met zoveel zakken afval als op de bewijslastfoto is te zien en dat zij geen auto bezit.

Verder betoogt [appellante] dat het college niet heeft onderkend dat de naam van de persoon op post die zich in de huisvuilzak bevond, [persoon], niet overeenkomt met haar naam. Volgens [appellante] kent zij geen [persoon].

Voorts voert [appellante] aan dat zij pas sinds 1 juni 2016 op de [locatie 2] woont, hetgeen haar [verhuurder] kan bevestigen. Volgens [appellante] is het aannemelijk dat het poststuk voordat zij op de [locatie 2] woonde is verstuurd en dat [persoon] is verhuisd naar de Groot Hertoginnelaan en het daar heeft weggegooid.

2.1.    Artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt:

"De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen."

    Artikel 5:1, tweede lid, luidt:

"Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt."

    Artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010 luidt:

"Het college stelt de dagen en tijden vast waarop categorieën huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden."

    Het tweede lid luidt:

"Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen en tijden ter inzameling aan te bieden dan krachtens het eerste lid is bepaald."

2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 1 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:523) zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie een aangetroffen afvalstof kan worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien deze aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

2.3.    Niet in geschil is dat [appellante] vanaf 1 juni 2016 in de woning op de [locatie 2] heeft gewoond. De locatie waar de huisvuilzak is aangetroffen, zijnde de [locatie 1], bevindt zich volgens Google Maps op een loopafstand van 4,1 km en rijafstand van 5,2 km van de woning van [appellante].

Blijkens de gedingstukken is in de aangetroffen huisvuilzak geen poststuk aangetroffen met de naam [appellante]. Wel is er in de huisvuilzak een ongedateerd poststuk aangetroffen met de naam [persoon] en het adres [locatie 2]. Het college heeft ter zitting te kennen gegeven dat deze persoon niet voorkomt in de Basisregistratie Personen.

    Gelet op voormelde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht de Afdeling het aannemelijk gemaakt dat [appellante] niet degene is geweest die heeft gehandeld in strijd met artikel 10, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening 2010. Daarbij is van belang dat naar het oordeel van de Afdeling het waarschijnlijker is dat een vorige bewoner van de woning op de [locatie 2] een poststuk heeft ontvangen, deze bewoner vervolgens is verhuisd naar een woning in de buurt van de [locatie 1] en daar een huisvuilzak aan de straat heeft gezet met voormeld poststuk erin, dan dat [appellante] dat heeft gedaan.

Het betoog slaagt.

3.    Het beroep van [appellante] is gegrond. Het besluit op bezwaar van 11 oktober 2016 dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7.12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

4.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellante] gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van den Haag van 11 oktober 2016, kenmerk B.4.16.1967.001;

III.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van den Haag aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 46,00 (zegge: zesenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Pans    w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2017

543.