Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2612

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
201605234/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:2855, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 augustus 2015 heeft het CBR aan [appellant] een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna: EMG) opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201605234/1/A2.

Datum uitspraak: 27 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 31 mei 2016 in zaak nr. 15/6694 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 4 augustus 2015 heeft het CBR aan [appellant] een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna: EMG) opgelegd.

Bij besluit van 26 oktober 2015 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 mei 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2017, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. drs. M.M. Kleijbeuker, is verschenen.

Omdat de advocaat van [appellant] door plotseling opkomende medische omstandigheden verhinderd was de behandeling op 24 april 2017 bij te wonen, heeft de Afdeling op zijn verzoek het onderzoek heropend. [appellant] heeft vervolgens een nader stuk ingediend en de Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 11 juli 2017. Daar zijn [appellant], bijgestaan door mr. P.H.W.M. Roelofs, advocaat te Nijmegen, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Ditvoorst-van der Ark, verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De wetsartikelen die in deze zaak van belang zijn, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2.    Bij besluit van 4 augustus 2015 heeft het CBR aan [appellant] een EMG - een cursus over verantwoord rijgedrag - opgelegd naar aanleiding van een schriftelijke mededeling van de korpschef van de politie, gedateerd 4 juni 2015, van het vermoeden dat [appellant] niet langer voldoet aan de eisen van rijvaardigheid. Dit vermoeden is onderbouwd met een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 10 juni 2015 en een proces-verbaal van verhoor van [appellant] van dezelfde datum. Volgens het CBR blijkt uit die stukken dat [appellant] in de nacht van 3 op 4 juni 2015 herhaaldelijk gedragingen heeft vertoond als genoemd in de bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag.

    [appellant] heeft in bezwaar betwist dat hij de verkeersgedragingen die door de politie zijn waargenomen heeft begaan. Het CBR heeft bij het besluit op bezwaar van 26 oktober 2015 de oplegging van de EMG evenwel gehandhaafd. Volgens het CBR leiden de door [appellant] overgelegde verklaringen van [persoon A] en [persoon B], waarin [persoon A] heeft verklaard dat hij in de bewuste nacht een rondje met het betrokken voertuig is gaan rijden en dat hij vervolgens aan de politie wilde ontsnappen maar werd achtervolgd en waarin [persoon B] heeft verklaard dat [appellant] op 3 juni 2015 omstreeks 23.45 uur samen met hem vanuit Den Bosch terugreed naar Nijmegen, niet tot twijfel aan de juistheid van de bevindingen in het proces-verbaal. Blijkens dat proces-verbaal heeft een van de verbalisanten tijdens de achtervolging die ontstond na het negeren van een stopteken de bestuurder herkend als [appellant].

3.    In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 10 juni 2015 is vermeld dat tijdens de achtervolging het voertuig om een verkeerslicht heen keerde en dat een van de verbalisanten bij het keren de bestuurder in het gelaat kon kijken en de bestuurder ambtshalve herkende als zijnde de hem bekende [appellant]. De verbalisant kent hem, omdat hij hem meerdere malen heeft gecontroleerd en bekeurd.

    De andere verbalisant heeft in een bericht van 22 december 2015 aan het CBR in beroep desgevraagd verklaard, na daarover met de verbalisant die [appellant] heeft herkend te hebben gesproken, dat het voertuig op de O.C. Huismanstraat een U-bocht maakte waardoor de koplampen van hun dienstvoertuig in het voertuig schenen en er een kleine afstand tussen het voertuig van de verdachte en hun dienstvoertuig was. De verbalisant die [appellant] heeft herkend was de bijrijder en heeft de verdachte in het gezicht gezien en hem met honderd procent zekerheid herkend.

De aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft vastgesteld dat uitsluitend in geschil is of [appellant] de bestuurder was van het voertuig waarmee in de nacht van 3 op 4 juni 2015 de verkeersovertredingen zijn gepleegd. Dat de overtredingen met het voertuig zijn begaan en dat deze een EMG rechtvaardigen, is op zichzelf niet in geschil. De rechtbank heeft de door [persoon A] ter zitting afgelegde verklaring niet geloofwaardig geacht en geoordeeld dat het CBR van de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen van 10 juni 2015 heeft mogen afgaan. De rechtbank is er, gelet op dit proces-verbaal en het door het CBR overgelegde bericht van 22 december 2015, van overtuigd dat [appellant] de bestuurder was van het voertuig waarmee de overtredingen zijn gepleegd. Daarbij heeft de rechtbank verder in aanmerking genomen dat [appellant] voorafgaand aan de bewuste nacht meerdere malen is gecontroleerd als gebruiker of bestuurder van het voertuig, dat er tenminste één poststuk in het voertuig lag dat was geadresseerd aan [appellant] en dat hij geen verklaring heeft willen afleggen bij de politie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het CBR daarom terecht de EMG aan [appellant] opgelegd.

Hoger beroep

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het CBR niet heeft mogen uitgaan van de juistheid van de waarneming van de betrokken verbalisant dat [appellant] in de bewuste nacht de bestuurder van het voertuig was. Hij voert daartoe aan dat de omstandigheid dat op de achterbank van het voertuig aan hem gerichte post is aangetroffen, niet wil zeggen dat hij de bestuurder was. Voorts is de verklaring van [persoon A] ter zitting wel degelijk geloofwaardig. Deze heeft niets te winnen bij het afleggen van een valse verklaring maar wel te verliezen. Dat zijn verklaring veel overeenkomsten vertoont met het proces-verbaal van bevindingen, zoals de rechtbank heeft tegengeworpen, ligt voor de hand omdat hij bij het voorval aanwezig was en is geen reden om aan te nemen dat de verklaring op het proces-verbaal is afgestemd. [appellant] voert voorts aan dat de rechtbank in het onder controle houden van de auto tijdens de achtervolging ten onrechte reden heeft gezien om aan te nemen dat [persoon A], gezien zijn verklaring dat hij geen rijbewijs heeft en geen goede chauffeur is, niet heeft gereden. In het proces-verbaal staat immers dat de bestuurder tijdens de achtervolging een aantal keren bijna een ongeluk veroorzaakte zodat op basis daarvan ook kan worden aangenomen dat de bestuurder geen goede chauffeur was. Volgens [appellant] is het bovendien aannemelijk dat [persoon A] wel heeft gereden, nu deze de kosten van de cursus aan [appellant] heeft betaald, waarmee hij, zoals hij heeft verklaard een paar duizend euro kwijt zal zijn gezien de hoogte van de door het CBR in rekening gebrachte kosten alsook de kosten van rechtsbijstand als geen toevoeging wordt verstrekt. Het is volgens [appellant] niet zo dat [persoon A], toen hij daar door de rechtbank naar werd gevraagd, niet wist welk bedrag hij had betaald aan [appellant]. [persoon A] wist niet de omvang van wat hij in totaal zou moeten betalen, zodat hij aangaf ‘dat zien we dan wel’. De rechtbank heeft ten onrechte de getuigenverklaringen van [persoon A] en [persoon B] als ongeloofwaardig aangemerkt en in die verklaringen ten onrechte geen grond gezien voor twijfel aan de waarneming van de desbetreffende verbalisant. Daarbij is niet duidelijk hoe vaak die verbalisant hem vóór de bewuste nacht heeft gecontroleerd en hem daarom direct heeft kunnen herkennen. De verbalisant zou zich ook kunnen hebben vergist, aldus [appellant], die ter onderbouwing van zijn standpunt bij brief van 28 juni 2017 nog een verklaring van de moeder van [persoon A] heeft overgelegd.

6.    Zoals de rechtbank terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1549, heeft overwogen, mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt.

6.1.    Het aan het opleggen van de EMG ten grondslag gelegde proces-verbaal van bevindingen is op ambtseed opgemaakt, zodat in beginsel van de juistheid daarvan mag worden uitgegaan. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om aan de juistheid van de waarnemingen van de verbalisanten in dat proces-verbaal te twijfelen. De schriftelijke verklaringen van [persoon A] en [persoon B], zoals hiervoor onder 2 weergegeven, leiden niet tot die twijfel. Zij zijn bekenden van [appellant] en hun verklaringen bieden, mede gezien de onder 3 beschreven waarnemingen van de verbalisanten, onvoldoende objectieve aanknopingspunten om [appellant] te volgen in zijn stelling dat hij in de bewuste nacht niet de bestuurder van het voertuig was. De door [persoon A] ter zitting bij de rechtbank afgelegde aanvullende verklaring als getuige leidt evenmin tot twijfel aan de juistheid van de bevindingen in het proces-verbaal. De rechtbank heeft deze verklaring daarvoor terecht onvoldoende geloofwaardig geacht. De bewoordingen van deze verklaring over de gereden route en de gedragingen komen dermate overeen met die van het proces-verbaal van bevindingen van de politie, dat het goed mogelijk is dat [persoon A] voorafgaand aan het getuigenverhoor kennis heeft genomen van het proces-verbaal en zijn verklaring daarop heeft afgestemd. Dit geldt ook voor de door [persoon A] gegeven beschrijving van de agenten, waarbij het enkele feit dat hij de agenten in algemene termen kon beschrijven bovendien nog niet kan leiden tot de conclusie dat hij de bestuurder was. Voorts is van belang dat [persoon A] heeft verklaard dat hij geen rijbewijs heeft, slechts auto rijdt als hij in Marokko is en geen goede chauffeur is in die zin dat hij wel kan rijden maar geen coureur is, alsmede dat hij tijdens de rit helemaal achterover geleund achter het stuur zat. De rechtbank heeft terecht niet aannemelijk geacht dat een persoon die geen rijbewijs heeft en niet regelmatig rijdt, in staat is een voertuig onder controle te houden bij het rijgedrag zoals dat door de verbalisanten in de nacht van 3 op 4 juni 2015 is waargenomen. Dat rijgedrag hield volgens het proces-verbaal onder meer in dat de bestuurder van het voertuig zonder snelheid te verminderen rechtsaf sloeg, zijn snelheid verhoogde en een voertuig op zeer korte afstand, minder dan een meter, naderde en deze ternauwernood kon ontwijken. Voorts verhoogde de bestuurder de snelheid richting de 80 km/u, maakte hij uitwijkmanoeuvres waarbij het erop leek dat hij de verbalisanten wilde doen geloven dat hij af wilde slaan en keerde hij om een verkeerslicht heen. Hiermee is, naar het CBR in hoger beroep terecht heeft gesteld, blijk gegeven van een controle over het voertuig die niet past bij de door [persoon A] gegeven beschrijving van zijn rijvaardigheid. Verder heeft de rechtbank bij de beoordeling van de verklaring van [persoon A] terecht van belang geacht dat hij geen rijbewijs heeft zodat de oplegging van een EMG voor hem geen of slechts geringe gevolgen heeft. Wat betreft de kosten van de EMG kan, daargelaten wat [persoon A] ter ziting bij de rechtbank precies daarover heeft gezegd en of daar tegenstrijdigheden in zitten, in de enkele stelling van [persoon A] dat hij die kosten voor [appellant] heeft betaald, in het licht van de overige feiten en omstandigheden geen grond worden gevonden voor het oordeel dat hij de bestuurder was. Tot slot biedt de verklaring van de moeder van [persoon A], nog daargelaten dat die pas zeer laat in hoger beroep is overgelegd, ook geen objectieve steun voor de juistheid van de verklaring van haar zoon dat hij de bewuste nacht heeft gereden.

6.2.    Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat de betrokken verbalisant als ervaringsdeskundige voldoende in staat moet worden geacht te observeren en te registreren en er geen belang bij heeft om in het proces-verbaal onjuistheden op te nemen, dan wel relevante omstandigheden weg te laten, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het CBR heeft mogen uitgaan van de juistheid van de in het proces-verbaal van bevindingen van 10 juni 2015 opgenomen waarneming van de verbalisant dat de bestuurder van het voertuig waarmee de overtredingen zijn begaan [appellant] is. Daarbij heeft de rechtbank mede kunnen betrekken dat [appellant] bij de verbalisant bekend kon zijn van eerdere controles, dat er tenminste één poststuk in het voertuig lag dat was geadresseerd aan hem en dat [appellant] geen verklaring heeft willen afleggen bij de politie. Ook in hoger beroep heeft hij over dat laatste geen deugdelijke uitleg kunnen geven. Dat hij, naar hij ter zitting heeft verklaard, boos was op de politie en dat hij pas iets wilde verklaren op het moment dat hij werd aangehouden, wat volgens hem nog niet zo was, is onvoldoende, nu [appellant] blijkens het proces-verbaal van verhoor uitdrukkelijk wel als verdachte op het politiebureau werd verhoord. Hij heeft toen niet gebruik gemaakt van de gelegenheid om de situatie uiteen te zetten. Pas na de oplegging van de EMG heeft hij in bezwaar gesteld dat hij niet de bestuurder was.

    Voorts is in dit geval niet van belang dat tegen [appellant], naar hij ter zitting heeft gesteld, nog een strafrechtelijke procedure loopt. Anders dan in het strafrecht behoeven de geconstateerde feiten in de onderhavige bestuursrechtelijke procedure niet wettig en overtuigend te worden bewezen. Voor het opleggen van de EMG, die de verkeersveiligheid dient, geldt voor het CBR het criterium dat met voldoende mate van zekerheid komt vast te staan dat [appellant] als bestuurder van het voertuig is opgetreden. Dat is hier met die mate van zekerheid op grond van het proces-verbaal van bevindingen komen vast te staan.

6.3.    Nu [appellant], gelet op het proces-verbaal van 10 juni 2015, moet worden geacht herhaaldelijk gedragingen te hebben verricht als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling, in samenhang gelezen met de bij deze regeling behorende bijlage I, onder A, onderdeel III, Rijgedrag, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het CBR terecht een EMG aan [appellant] heeft opgelegd.

6.4.    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2017

609/18.

BIJLAGE

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

(…)

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid,

(…).

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 14

1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:

a. betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag;

(…).

Bijlage 1 bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Feiten dan wel omstandigheden, die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorvoertuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven (…):

A. Rijvaardigheid en rijgedrag

(…)

III. Rijgedrag

(…)

2. Gebrek aan inzicht in risico’s in het verkeer, zoals:

(…)

e. met een te hoge snelheid naderen van of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen of in andere onoverzichtelijke situaties, zoals kruisingen en spoorwegovergangen;

(…).

3. Incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit:

a. rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid;

(…).

4. Duidelijk een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van:

a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden;

(…)

c. het verlenen van voorrang;

(…)

e. het gebruik van lichten en geven van signalen;

(…).