Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2601

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
201607806/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:4889, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2015 heeft het college [partij A] en [partij B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [partij]) onder oplegging van een dwangsom gelast om vóór 1 juni 2016 op het perceel [locatie] te Soest (hierna: het perceel) het bewonen van een bouwwerk en het gebruik daarvan als kantoorruimte te staken en gestaakt te houden, de bouwkundige voorzieningen die dat bouwwerk geschikt maken voor bewoning dan wel als kantoorruimte, zoals keuken, badkamer en toiletten, te verwijderen en verwijderd te houden en de uitbouw, garage en overkapping te verwijderen en verwijderd te houden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/1005

Uitspraak

201607806/1/A2.

Datum uitspraak: 27 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Soest,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 september 2016 in zaak nr. 16/3223 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Soest.

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2015 heeft het college [partij A] en [partij B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [partij]) onder oplegging van een dwangsom gelast om vóór 1 juni 2016 op het perceel [locatie] te Soest (hierna: het perceel) het bewonen van een bouwwerk en het gebruik daarvan als kantoorruimte te staken en gestaakt te houden, de bouwkundige voorzieningen die dat bouwwerk geschikt maken voor bewoning dan wel als kantoorruimte, zoals keuken, badkamer en toiletten, te verwijderen en verwijderd te houden en de uitbouw, garage en overkapping te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 31 mei 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 5 september 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.S. Wijling, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.L. van der Heijden, zijn verschenen. Voorts is [partij A] daar verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant], destijds handelend onder de naam [makelaardij], heeft op 3 juni 2004 van [partij] opdracht gekregen om het perceel te taxeren. Naar aanleiding van deze opdracht heeft [appellant] op 15 juni 2004 een taxatierapport opgesteld. Volgens dat taxatierapport heeft het perceel een bestemming voor wonen en had het op de opnamedatum van 7 juni 2004 een onderhandse verkoopwaarde van € 650.000,00. Op 17 mei 2005 heeft [partij] het perceel voor € 315.000,00 gekocht. Bij brief van 25 oktober 2010 heeft het college [partij] medegedeeld dat het perceel geen bestemming voor wonen heeft. Bij brief van 21 mei 2013 heeft [partij] [appellant] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de (gestelde) onjuiste advisering over de gebruiksmogelijkheden van het perceel.

    Standpunt van het college

2.    Aan het besluit van 31 mei 2016 heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellant] geen belanghebbende bij het besluit van 24 november 2015 (hierna: het primaire besluit) is. Volgens het college heeft [appellant] slechts een van [partij] afgeleid belang, dat voortvloeit uit de privaatrechtelijke overeenkomst van opdracht, op basis waarvan de taxatie van het perceel heeft plaatsgevonden. Hoewel het financieel belang van [appellant] indirect door het primaire besluit kan worden geraakt, omdat [partij] de gestelde schade op [appellant] verhaalt, komen de gevolgen van dat besluit voor [appellant] eerst via deze contractuele relatie tot stand.

    Oordeel van de rechtbank

3.    Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellant], gelet op de volgende overwegingen, geen aantoonbaar eigen belang bij het primaire besluit, zodat het college zijn bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

    Niet in geschil is dat [appellant] in de handhavingsprocedure geen belang heeft dat tegengesteld is aan dat van [partij]. Het belang dat [appellant] bij het primaire besluit heeft ligt in het verlengde van het belang van [partij] bij dat besluit. Dat [appellant] in zijn bezwaren tegen dit besluit een ander accent had willen leggen, waarbij het meer te doen is om schadevergoeding dan de opgelegde last, maakt niet dat hij, onafhankelijk van het belang van [partij], aantoonbaar een eigen belang heeft bij dit besluit. Niet valt in te zien dat het college bij de heroverweging van het primaire besluit had moeten beschouwen of er aanleiding was om aan [appellant] een schadevergoeding toe te kennen. Omdat [appellant] niet de geadresseerde is van dit besluit, is de vraag of dit besluit ook jegens hem rechtmatig is in het kader van de heroverweging van dit besluit niet aan de orde. Ook de stelling van [appellant] dat hij [partij] heeft geadviseerd op basis van door het college verstrekte informatie, leidt niet tot het oordeel dat [appellant] een eigen belang heeft bij het primaire besluit. Voor de beoordeling van de door [appellant] gestelde schending van het vertrouwensbeginsel is van belang of het college toezeggingen heeft gedaan aan [partij], niet op welke wijze de gemeente [appellant] heeft geïnformeerd, aldus de rechtbank.

    Hoger beroep

4.    [appellant] betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij een eigen belang bij het primaire besluit heeft en dat zijn financiële belang niet uitsluitend voortvloeit uit de met [partij] bestaande contractuele relatie. Daartoe voert hij aan dat hij op basis van bij de gemeente ingewonnen informatie over de gebruiksmogelijkheden van het perceel een advies aan [partij] heeft gegeven en dat de besluitvorming van het college, waarbij het college uitdrukkelijk op die informatie is teruggekomen, los staat van de met [partij] bestaande contractuele relatie, maar hij door die besluitvorming wel in zijn belang wordt geraakt. Verder voert hij aan dat het college in het besluit op bezwaar heeft erkend dat hij als gevolg van het primaire besluit schade heeft geleden, dat daarmee is gegeven dat het college aandacht had behoren te besteden aan deze schade en de eventuele verplichting tot vergoeding van deze schade, dat het college dat ten onrechte heeft nagelaten en dat ook dit een eigen belang oplevert.

    Voor het geval zijn financiële belang uitsluitend voortvloeit uit de met [partij] bestaande contractuele relatie en sprake is van een afgeleid belang, betoogt [appellant] voorts dat zijn financiële belang niet oplost in het belang van [partij], omdat zijn belang zowel in de bestuursrechtelijke procedure als in de civielrechtelijke procedure tegengesteld is aan het belang van [partij]. Hij stelt de rechtmatigheid van het primaire besluit slechts gedeeltelijk ter discussie en heeft op zichzelf geen bezwaar tegen de last onder dwangsom. Wel stelt hij dat het college onrechtmatig heeft gehandeld door aan het beroep op het vertrouwensbeginsel voorbij te gaan en daardoor ook aan de gehoudenheid tot nadeelcompensatie. Die gehoudenheid staat los van de vraag of de last onder dwangsom wordt ingetrokken en [partij] het gebruik van het perceel kan voortzetten.

     Ten slotte acht [appellant] nog van belang dat [partij] in rechte niet is opgekomen tegen een specifiek onderdeel van de last onder dwangsom. Omdat hij zich niet met dat onderdeel kan verenigen, is geen sprake van een afgeleid belang, zodat hij in ieder geval zelfstandig kan opkomen tegen dit onderdeel van het primaire besluit.

    Beoordeling van het hoger beroep

4.1.    In artikel 7:1, gelezen in verbinding met artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht, is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit bezwaar kan maken. In artikel 1:2, eerste lid, van deze wet is bepaald dat onder een belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

4.2.    [partij] is de geadresseerde van het primaire besluit. Indien hij niet aan de bij dat besluit opgelegde last voldoet, verbeurt hij een dwangsom.

    Het door [appellant] gestelde financiële belang is niet rechtstreeks bij het primaire besluit betrokken. Dat belang wordt op zichzelf immers niet aangetast door de bij dat besluit opgelegde last. Dat belang is slechts terug te voeren op de civielrechtelijke verhouding met [partij] en staat in een te ver verwijderd verband met dat besluit. Ook hetgeen overigens door [appellant] is aangevoerd, zoals hiervoor onder 4 is weergegeven, leidt niet tot een rechtstreeks belang bij dat besluit.

4.3.    De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het belang van [appellant] rechtstreeks is betrokken bij het primaire besluit. [appellant] heeft slechts een afgeleid belang bij dat besluit. Dat betekent dat hij geen belanghebbende bij dat besluit is en dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

    Het betoog faalt.

    Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Hazen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2017

452.