Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2580

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
201508549/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:11479, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 augustus 2014 heeft het college op de persoonslijst van [appellant] een aantekening van onjuistheid geplaatst bij de registratie van de familierechtelijke betrekking tussen hem en drie kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201508549/1/A3.

Datum uitspraak: 27 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 oktober 2015 in zaak nr. 15/2319 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2014 heeft het college op de persoonslijst van [appellant] een aantekening van onjuistheid geplaatst bij de registratie van de familierechtelijke betrekking tussen hem en drie kinderen.

Bij besluit van 18 februari 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door drs. H. Kokken, zijn verschenen.

De Afdeling heeft het onderzoek heropend.

[appellant] en het college hebben reacties ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door dr. H. Kokken, zijn verschenen.

Overwegingen

Wet- en regelgeving

1.    Voor de tekst van de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak.

Feiten

2.    [appellant] heeft de Egyptische nationaliteit en is sinds 2000 ook in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Op 10 februari 2002 is hij in Egypte getrouwd met [echtgenote 1]. Uit dit huwelijk is op 28 september 2003 [kind A] geboren. Voormeld huwelijk is op 17 juli 2013 naar Nederlands recht ontbonden. Op 16 januari 2005 is [appellant] in Egypte getrouwd met [echtgenote 2]. Uit dit huwelijk is op 13 augustus 2005 [kind B] geboren, op 15 januari 2007 [kind C], op 15 december 2008 [kind D] en op 24 januari 2011 [kind E] (hierna: de kinderen). Op basis van de destijds geldende Wet conflictenrecht afstamming is de familierechtelijke betrekking, naar Egyptisch recht gevestigd, tussen [appellant] en de kinderen ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna: brp).

Besluitvorming

3.    Bij het besluit van 18 februari 2015 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat in de brp van de gemeente Den Haag ten onrechte een familierechtelijke betrekking staat geregistreerd tussen [appellant] en de kinderen. Het heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [appellant] als Nederlander in 2005 een polygaam huwelijk heeft gesloten en dat een dergelijk huwelijk in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Het huwelijk mist derhalve rechtsgevolgen naar Nederlands recht, zodat daaruit naar Nederlands recht geen familierechtelijke betrekkingen tussen [appellant] en de kinderen kunnen volgen.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat de kinderen zijn geboren uit een polygaam huwelijk en dat uitgangspunt is dat erkenning van een polygaam huwelijk in Nederland in strijd is met de openbare orde. Het onthouden van erkenning aan een in het buitenland gesloten naar Nederlandse maatstaven onwettig (polygaam) huwelijk geschiedt evenwel alleen indien de Nederlandse rechtsorde er in voldoende mate bij is betrokken. Volgens de rechtbank is dat hier het geval, omdat [appellant] sinds 2000 in het bezit is van het Nederlanderschap en hij in Nederland woont. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] niet kan worden aangemerkt als de juridische vader van de kinderen, aangezien ten tijde van hun geboorte geen naar Nederlands recht rechtsgeldig huwelijk tot stand is gekomen tussen hem en de moeder van de kinderen, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij niet kan worden aangemerkt als de juridische vader van de kinderen. Hij voert hiertoe aan dat het polygame karakter van zijn huwelijk onvoldoende grond biedt voor het oordeel dat de afstamming in strijd is met de openbare orde. Een in Nederland gesloten polygaam huwelijk dat nietig wordt verklaard, heeft geen gevolgen voor de afstamming van de kinderen die uit dat nietige huwelijk zijn geboren. Hoewel het in zijn geval niet gaat om een huwelijk dat nietig is verklaard, is de situatie dusdanig vergelijkbaar dat ook in zijn geval geen gevolgen voor de afstamming van zijn kinderen hadden moeten ontstaan. Daarbij komt dat het polygame huwelijk thans is beëindigd, omdat het op 17 juli 2013 naar Nederlands recht is ontbonden. Voorts voert hij aan dat het besluit van 18 februari 2015 in strijd is met artikel 3 en 8 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK). Daaruit volgt immers dat bij maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. De rechtbank heeft dit miskend.

    Ten slotte voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. De kinderen zijn al geruime tijd ingeschreven in de brp als zijn kinderen, zodat hij erop mocht vertrouwen dat deze registratie correct was. Dit geldt nog meer voor zijn jongste kind dat een Nederlands paspoort heeft ontvangen van de Nederlandse ambassade in Caïro, aldus [appellant].

5.1.    De Afdeling heeft na de zitting op 18 oktober 2016 het onderzoek in deze zaak heropend wegens het door de rechtbank Den Haag bij uitspraak van 18 augustus 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:10145, uitgesproken voornemen prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. De rechtbank heeft vervolgens op 17 november 2016 prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad (ECLI:NL:RBDHA:2016:14425). Bij uitspraak van 19 mei 2017 heeft de Hoge Raad die vragen beantwoord. In 3.9.2 heeft de Hoge Raad overwogen:

    "Indien aan een buiten Nederland gesloten huwelijk het polygame karakter is ontvallen en aldus niet langer sprake is van een beletsel als bedoeld in art. 10:32, aanhef en onder a, BW dat in de weg staat aan de erkenning van dat huwelijk, is daardoor ook niet langer sprake van een beletsel als bedoeld in art. 10:101 leden 1 en 2 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, onderdeel c, BW dat in de weg staat aan de erkenning van uit zodanig huwelijk voortvloeiende rechtsfeiten en rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd."

5.2.    Zoals ter zitting op 29 augustus 2017 besproken, zijn partijen het erover eens dat uit de uitspraak van de Hoge Raad volgt dat de familierechtelijke betrekkingen tussen [appellant] en de kinderen thans in Nederland kunnen worden erkend, nu het bigame karakter aan het huwelijk waaruit de kinderen zijn geboren op 17 juli 2013 is komen te ontvallen. Partijen zijn het er voorts over eens dat het besluit van 18 februari 2015 reeds daarom voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Hetgeen [appellant] verder heeft betoogd, behoeft geen bespreking meer.

6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 18 februari 2015 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 22 augustus 2014 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 18 februari 2015.

7.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 oktober 2015 in zaak nr. 15/2319;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 18 februari 2015, kenmerk B.3.14.3276.001;

V.    herroept het besluit van 22 augustus 2014, kenmerk DPZ/2014.701;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.227,50 (zegge: tweeduizend tweehonderdzevenentwintig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 415,00 (zegge: vierhonderdvijftien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.

w.g. Borman    w.g. Veenboer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2017

730. BIJLAGE

Wet basisregistratie persoonsgegevens

Artikel 2.60

Een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om:

[…]

f. bij een opgenomen algemeen gegeven een aantekening over de onjuistheid van dat gegeven of over de strijdigheid daarvan met de Nederlandse openbare orde te plaatsen;

[…] wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Burgerlijk Wetboek Boek 10

Artikel 100

1. Een buitenslands tot stand gekomen onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd, wordt in Nederland van rechtswege erkend, tenzij:

[…]

b. aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of

c. de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

2. De erkenning van de beslissing kan, ook wanneer daarbij een Nederlander betrokken is, niet wegens onverenigbaarheid met de openbare orde worden geweigerd op de enkele grond dat daarop een ander recht is toegepast dan uit deze titel zou zijn gevolgd.

3. De beslissing is niet vatbaar voor erkenning indien zij onverenigbaar is met een onherroepelijk geworden beslissing van de Nederlandse rechter inzake de vaststelling of wijziging van dezelfde familierechtelijke betrekkingen.

[…].

Artikel 101

1. Artikel 100 leden 1, onder b en c, 2 en 3 van dit Boek is van overeenkomstige toepassing op buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte.

2. De weigeringsgrond, bedoeld in artikel 100 lid 1, onderdeel c, van dit Boek doet zich met betrekking tot de erkenning in elk geval voor

a. indien deze is verricht door een Nederlander die naar Nederlands recht niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen;

b. indien, wat de toestemming van de moeder of het kind betreft, niet is voldaan aan de vereisten van het recht dat ingevolge artikel 95 lid 3, van dit Boek toepasselijk is, of

c. indien de akte kennelijk op een schijnhandeling betrekking heeft.

3. De voorgaande leden laten de toepassing van de in artikel 98 lid 1, van dit Boek genoemde Overeenkomst onverlet.