Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2579

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
201702381/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit, verzonden op 25 september 2015, heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast de permanente bewoning van het gebouw op het perceel [locatie] te Schoorl te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201702381/1/A1.

Datum uitspraak: 27 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Schoorl, gemeente Bergen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 februari 2017 in zaak nr. 16/1122 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen, NH.

Procesverloop

Bij besluit, verzonden op 25 september 2015, heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast de permanente bewoning van het gebouw op het perceel [locatie] te Schoorl te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 29 januari 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 februari 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. E.M.M. Eyking, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.C.M. van Hoof, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op het perceel staat een woonhuis en verschillende andere gebouwen. [appellante] woont sinds 2002 in één van die gebouwen. Zij kan zich niet vinden in het besluit van het college dat zij het gebruik van het gebouw moet staken en gestaakt moet houden.

Beoordeling van het hoger beroep

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden. Zij voert daartoe aan dat geen sprake is van bewoning van een bijgebouw en dat het bijgebouw niet illegaal is gebouwd. Volgens [appellante] is het gebouw in het verleden toegestaan als noodwoning bij de bouw van de agrarische bedrijfswoning op het perceel.

2.1.    Ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk gebied Noord" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Wonen-2".

    Artikel 20, eerste lid luidt:

"De op de plankaart voor Wonen-2 (W-2) en Wonen-2* (W-2*) aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsactiviteiten;

[…]".

    Het twaalfde lid, onder c, luidt:

"Het is niet toegestaan om bijgebouwen, niet zijnde recreatiewoningen, te gebruiken voor bewoning."

    Artikel 1 luidt:

"[…]

24. bijgebouw

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand, gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en dat niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw en dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

[…]

48. hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken.

[…]."

2.2.    Uit de stukken blijkt dat in het verleden bouwvergunning is verleend voor een woonhuis met garage, een veldschuur en een paardenstal. Het woonhuis, dat thans nog op het perceel aanwezig is, moet door zijn aard, functie, constructie en afmetingen als belangrijkste gebouw en dus, ingevolge artikel 1, onder 48, van de planvoorschriften, als hoofdgebouw worden aangemerkt. Niet is gebleken dat het gebouw waarin [appellante] woont, is vergund als woning. Het gebouw kan worden aangemerkt als bijgebouw als bedoeld in artikel 1, onder 24, van de planvoorschriften. Het gebouw staat ten dienste van het hoofdgebouw, staat niet in directe verbinding met het hoofdgebouw, kan daarvan door de vorm onderscheiden worden en is in architectonisch opzicht ondergeschikt daaraan.

    Het betoog faalt.

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het gebruik van het gebouw onder het overgangsrecht valt en het college om die reden niet bevoegd was handhavend op te treden. Zij voert daartoe aan dat het gebouw in ieder geval sinds 1973 bewoond wordt.

3.1.    Artikel 39 van de planregels van het bestemmingsplan luidt, voor zover van belang:

"Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:

a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;

[…];

d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregeling van dat plan."

    Artikel 38 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1973" luidt:

"1. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestaat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan en dat daarmee in strijd is mag worden voortgezet.

[…]

3. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen tot dat tijdstip geldende plan - daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan - en waartegen wordt of alsnog kan worden opgetreden."

3.2.    Het college heeft zich in het in bezwaar gehandhaafde besluit, verzonden op 25 september 2015, op het standpunt gesteld dat om een geslaagd beroep op het overgangsrecht te kunnen doen, het gebouw al vóór 1952 moet zijn gebouwd. Volgens het college heeft [appellante] niet aangetoond dat het bijgebouw voor 1952 geschikt was voor bewoning en het permanent en onafgebroken bewoond is geweest.

3.3.    Uit artikel 39 van de planregels van het bestemmingsplan en artikel 38 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1973" volgt dat, om een geslaagd beroep te kunnen doen op het gebruiksovergangsrecht, het gebruik van het bijgebouw op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1973" dient te passen in het bestemmingsplan dat tot dat moment gold.

3.4.    [appellante] heeft ter onderbouwing van haar beroep op het overgangsrecht gewezen op een brief van het college van 1 juli 2010 over haar verzoek om een persoonsgebonden gedoogbeschikking. In die brief is vermeld dat indien de permanente bewoning van het bijgebouw later dan in 1973 is begonnen, dat gebruik niet onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1973" valt. Volgens [appellante] kan hieruit worden afgeleid dat, indien het gebruik van het bijgebouw als woning in 1973 is aangevangen, dit onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1973" valt. Zij heeft verder aangevoerd dat het bijgebouw onafgebroken en in ieder geval sinds 1973 bewoond is. Zij heeft daartoe een overzicht overgelegd van de personen die sinds 1973 in het bijgebouw hebben gewoond en voorts verwezen naar een opmerking van het college ter zitting van de rechtbank dat het bijgebouw in 1973 is gebouwd.

3.5.    De Afdeling is van oordeel dat het college zijn standpunt dat [appellante] geen geslaagd beroep kan doen op het overgangsrecht onvoldoende heeft gemotiveerd. De Afdeling betrekt daarbij de - door het college ter zitting van de Afdeling niet inhoudelijk bestreden - brief van 1 juli 2010, waaruit kan worden afgeleid dat het college zich op het standpunt stelt dat het gebruik van het bijgebouw als woning niet in strijd is met het bestemmingsplan dat gold voordat het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1973" in werking trad en het door [appellante] overgelegde overzicht met bewoners van het bijgebouw sinds 1973 .

    Het besluit is aldus onvoldoende zorgvuldig voorbereid en mist een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt. Gelet hierop kunnen de aangevallen uitspraak en het besluit van 29 januari 2016 niet in stand blijven.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is, gelet op hetgeen is overwogen onder 3.5, gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 29 januari 2016 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met de artikelen 7:12, eerste lid, en 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor vernietiging in aanmerking. Het is aan het college om in het nieuw te nemen besluit te onderzoeken of [appellante] een geslaagd beroep kan doen op het overgangsrecht. Indien zij dat kan, brengt dat met zich dat het college niet bevoegd is handhavend op te treden tegen de bewoning van het bijgebouw.

5.    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 februari 2017 in zaak nr. 16/1122;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bergen, NH van 29 januari 2016, kenmerk 16uit00558;

V.    bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergen, NH tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bergen, NH aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Pieters

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2017

473.