Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:256

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
01-02-2017
Zaaknummer
201508382/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2423, heeft de Afdeling de raad opgedragen binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van de raad van 24 september 2015, waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [locatie]" is vastgesteld, te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/166

Uitspraak

201508382/3/R2.

Datum uitspraak: 1 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Didam, gemeente Montferland,

en

de raad van de gemeente Montferland,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2423, heeft de Afdeling de raad opgedragen binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van de raad van 24 september 2015, waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [locatie]" is vastgesteld, te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 29 november 2016 heeft de raad medegedeeld dat hij op 24 november 2016 een nieuw besluit heeft genomen naar aanleiding van de tussenuitspraak.

[appellant] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, zijn zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 9.3 overwogen dat de raad in het bestreden besluit van 24 september 2015 niet heeft geregeld wat hij heeft beoogd te regelen, omdat in het plan niet was uitgesloten dat gronden met de bestemming "Wonen - Woongebouw" maar zonder de aanduiding "groen" in gebruik worden genomen voor het oprichten van een woongebouw met twee wooneenheden en voor het bewonen daarvan, zonder dat de groenvoorzieningen (eventueel binnen een bepaalde termijn) worden gerealiseerd in overeenstemming met het in bijlage 2 bij de planregels opgenomen erfinrichtingsplan.

2. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 24 september 2015 gegrond. Het besluit van 24 september 2015 dient te worden vernietigd.

3. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen voornoemd gebrek in het besluit van 24 september 2015 binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak onder 9.3 is overwogen.

4. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 24 november 2016 het bestemmingsplan gewijzigd.

Het besluit van 24 november 2016 is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) mede onderwerp van het geding.

Wijze van herstel

5. [appellant] kan zich niet verenigen met de wijze waarop met het besluit van 24 november 2016 is geprobeerd het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen.

Ten eerste betoogt [appellant] dat de wijze waarop in een raadscommissie en -vergadering is besloten over genoemd besluit, niet aanvaardbaar is. In dit verband voert hij aan dat de verantwoordelijke wethouder bij de desbetreffende bijeenkomsten uitlatingen heeft gedaan die de raad voor waarheid heeft aangenomen en hebben geleid tot het nemen van voornoemd besluit. De raad had volgens [appellant] kritischer moeten zijn op de opmerkingen van de wethouder.

Verder voert [appellant] aan dat de door de Afdeling gegeven opdracht inhield dat als voorwaarde voor de aanvaardbaarheid van bewoning door de raad moest worden voorzien in een bindend voorgeschreven toereikende landschappelijke inpassing van het in het plan voorziene woongebouw. Volgens [appellant] brengt de opdracht met zich dat had moeten worden geregeld dat voorafgaand aan of hoogstens gelijktijdig met het realiseren van het woongebouw groenvoorzieningen worden gerealiseerd als noodzakelijke voorwaarde om bewoning ter plaatse ruimtelijk aanvaardbaar te achten. In het licht hiervan voldoet het herstelbesluit van de raad niet, aldus [appellant]. Hiertoe wijst hij erop dat de bij het herstelbesluit in de planregels opgenomen regeling bouw en ingebruikname van het woongebouw direct mogelijk maakt, terwijl de landschappelijke inpassing pas enkele jaren later gereed hoeft te komen. [appellant] brengt in dit kader ook naar voren dat de realisatieverplichting van groenvoorzieningen ten onrechte is gekoppeld aan het gebruik ten behoeve van woondoeleinden, terwijl de groene inpassing volgens de raad ook noodzakelijk is voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de bebouwing zelf. De koppeling met alleen het gebruik voor woondoeleinden voldoet daarom niet, meent [appellant].

5.1. Met het besluit van 24 november 2016 is een onderdeel toegevoegd aan artikel 6, lid 6.1, van de planregels. Artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder b, luidt:

"Tot een gebruik in strijd met deze regels wordt in ieder geval gerekend:

(…)

b. het niet voorzien in de landschappelijke inpassing overeenkomstig bijlage 2 van deze regels binnen 2 jaar na het gereedkomen van het woongebouw als bedoeld in artikel 4, doch uiterlijk binnen 3 jaar na start van de bouw daarvan, alsmede de instandhouding van deze landschappelijke inpassing na realisatie daarvan."

5.2. [appellant] heeft betoogd dat de raad naar aanleiding van zijn inspraakreactie zelfstandig onderzoek had moeten doen naar de aanwezigheid van gebouwen in plaats van af te gaan op het voorstel van het college van burgemeester en wethouders en de daarop namens het college in de commissievergadering gegeven toelichting. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus, dat [appellant] meent dat het herstelbesluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen.

Het college heeft onder verwijzing naar de tussenuitspraak een voorstel aan de raad gedaan hoe het door de Afdeling geconstateerde gebrek zou kunnen worden verholpen. De raad heeft op die grondslag het bestreden besluit genomen. Anders dan [appellant] betoogt, bestond er voor de raad onder deze omstandigheden geen verplichting om uit een oogpunt van zorgvuldigheid een nader feitenonderzoek te gelasten.

Het betoog faalt.

5.3. Verder heeft [appellant] aangevoerd dat de aan de planregels toegevoegde regeling niet voldoet aan de opdracht die de Afdeling heeft gegeven. Daartoe betoogt [appellant] dat de gewijzigde planregeling ten onrechte voorziet in een mogelijkheid tot tijdsverloop tussen de realisering van de woonbebouwing en het realiseren van de landschappelijke inpassing. Volgens hem zou realisering van de landschappelijke inpassing vooraf moeten gaan aan of ten laatste samen moeten vallen met de bouw van het woongebouw.

Het hierboven geciteerde artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder b, van de planregels voorziet in de verplichting een landschappelijke inpassing te realiseren binnen 2 jaar na het gereedkomen van het woongebouw, doch uiterlijk binnen 3 jaar na de start van de bouw daarvan. Deze regeling laat open dat sprake is van tijdsverloop tussen de bouw van het woongebouw en het gereedkomen van de landschappelijke inpassing, hetgeen volgens [appellant] niet in overeenstemming is met de in de tussenuitspraak gegeven herstelopdracht. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de raad beoogde te verzekeren dat de landschappelijke inpassing van het woongebouw zou worden gerealiseerd. De regeling waarin het plan toen voorzag, sloot naar het oordeel van de Afdeling niet uit dat gronden met de bestemming "Wonen - Woongebouw" in gebruik zouden worden genomen voor het oprichten van een woongebouw en het bewonen daarvan, zonder dat de groenvoorzieningen zouden worden gerealiseerd. Het gewijzigde plan voorziet nu in een andere regeling: binnen 2 jaar nadat het woongebouw gereed is gekomen, maar uiterlijk binnen 3 jaar na de start van de bouw daarvan, moet zijn voorzien in de landschappelijke inpassing. Ook als het woongebouw zou worden opgericht, maar niet in gebruik zou worden genomen, moet binnen de genoemde termijn voorzien zijn in de landschappelijke inpassing. [appellant] heeft er met juistheid op gewezen dat deze regeling met zich kan brengen dat het woongebouw wordt opgericht en in gebruik wordt genomen voordat de groenvoorzieningen zijn gerealiseerd, maar dit is niet in strijd met de opdracht die de Afdeling heeft gegeven. Bij het geven van de opdracht is een regeling die enig tijdsverloop met zich brengt niet uitgesloten: in overweging 9.3 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling nog gesuggereerd dat realisering van de groenvoorzieningen eventueel zou kunnen worden verplicht binnen een bepaalde termijn na het oprichten en de start van de bewoning van het woongebouw. Met het herstelbesluit is in een dergelijke regeling voorzien. Voor het oordeel dat het herstelbesluit moet worden vernietigd omdat dit niet overeenstemt met de door de Afdeling gegeven opdracht, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande faalt het betoog.

Oordelen in tussenuitspraak

6. In de door [appellant] ingediende zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld, heeft [appellant] betoogd dat de Afdeling zou moeten terugkomen op verschillende in de tussenuitspraak gegeven oordelen. Behoudens zeer uitzonderlijke gevallen kan niet worden teruggekomen van in de tussenuitspraak gegeven oordelen. Volgens [appellant] is in deze zaak sprake van een dergelijk zeer uitzonderlijk geval en hij heeft dit beoogd met zijn zienswijze te onderbouwen, waarbij nadere stukken zijn overgelegd. De Afdeling overweegt dat de fase na het toepassen van de bestuurlijke lus, waarin door appellanten een zienswijze naar voren kan worden gebracht over de wijze waarop het gebrek is hersteld, niet is bedoeld om eerder verworpen betogen met inachtneming van de tussenuitspraak nader te adstrueren, al dan niet onder verwijzing naar nieuwe stukken. Niet kan worden aanvaard dat een appellant aanvullende argumenten die ook voorafgaand aan de tussenuitspraak hadden kunnen worden ingebracht zou kunnen aanvoeren ten einde te bewerkstelligen dat de rechter terugkomt van een als definitief bedoelde verwerping van een beroepsgrond. Een andere opvatting zou op onaanvaardbare wijze afbreuk doen aan de rechtszekerheid van andere partijen in een procedure als deze. Gelet op het voorgaande en hetgeen [appellant] heeft aangevoerd is de Afdeling van oordeel dat hier geen zeer uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld aan de orde is, zodat geen aanleiding bestaat terug te komen van in de tussenuitspraak gegeven oordelen.

Conclusie

7. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 24 november 2016 is ongegrond.

Proceskosten

8. Artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrechtspraak (hierna het Bpb) luidt:

"Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand."

Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, luidt:

"Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak (…) als volgt vastgesteld:

a. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a: overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief."

Artikel 2, derde lid, luidt:

"In bijzondere omstandigheden kan van het eerste lid worden afgeweken."

8.1. [appellant] heeft onder verwijzing naar artikel 2, derde lid, van het Bpb verzocht om een aanvullende proceskostenvergoeding. Volgens hem bestaat daartoe aanleiding vanwege de extra werkzaamheden die zijn gemachtigde heeft moeten verrichten, omdat de Afdeling onwaarheden zouden zijn voorgehouden en ontoereikend feitenonderzoek zou zijn verricht. Hij heeft daartoe gespecificeerde facturen van zijn rechtsbijstandsverlener overgelegd. Verder heeft [appellant] verzocht om vergoeding van de reiskosten van zijn gemachtigde.

Zoals volgt uit artikel 2, derde lid, van het Bpb kan alleen in bijzondere omstandigheden van het in de bijlage bij het Bpb opgenomen systeem voor vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden afgeweken. Naar het oordeel van de Afdeling doen dergelijke bijzondere omstandigheden zich in de voorliggende zaak niet voor. Evenmin wordt deze zaak gekenmerkt door een uitzonderlijk grote omvang of complexiteit die een hogere proceskostenveroordeling rechtvaardigt.

[appellant] heeft voorts verzocht om vergoeding van de reiskosten die zijn gemachtigde heeft gemaakt om de zitting bij te wonen. De reiskosten die door een rechtsbijstandsverlener zijn gemaakt, zijn reeds verdisconteerd in de forfaitaire vergoeding die wordt toegekend naar aanleiding van de gemaakte kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zodat deze kosten niet apart voor vergoeding in aanmerking komen.

De raad dient op navolgende wijze in de proceskosten te worden veroordeeld, die niet afwijkt van hetgeen op grond van het Bpb en de bijbehorende bijlage geboden is.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Montferland van 24 september 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [locatie]" gegrond;

II. vernietigt het besluit van 24 september 2015;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Montferland van 24 november 2016 ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Montferland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.237,50 (zegge: twaalfhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Montferland aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,- (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. G. Klapwijk, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Klapwijk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2017

726.