Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2553

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
201601446/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2011 heeft het college het verzoek van [partij A] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2017-0194
JOM 2017/985
JOM 2017/991
JOM 2017/1000

Uitspraak

201601446/1/A2.

Datum uitspraak: 20 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas,

2.    Recreatiepark BreeBronne B.V., gevestigd te Maasbree, gemeente Maas en Peel (hierna: Breebronne),

3.    Beleggingsmaatschappij De Ruige Hoek Maasbree B.V., gevestigd te Maasbree, gemeente Peel en Maas (hierna: De Ruige Hoek),

4.    Wayland Nova B.V., gevestigd te Bergschenhoek, gemeente Lansingerland,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 januari 2016 in zaak nr. 14/1175 in het geding tussen:

1.    Recreatiepark BreeBronne B.V.,

2.    Beleggingsmaatschappij De Ruige Hoek Maasbree B.V.,

3.    [partij A], (eiseressen 1, 2 en 3 hierna tezamen en in enkelvoud: [partij A])

4.    [partij B]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2011 heeft het college het verzoek van [partij A] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 11 februari 2014 heeft het college het door [partij A] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, maar het besluit van 24 november 2011 (lees: 8 november 2011) met verbetering van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 20 januari 2016 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [partij A] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 februari 2014 vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college, Breebronne, De Ruige Hoek en Wayland Nova hoger beroep ingesteld.

Breebronne, De Ruige Hoek en Wayland Nova hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Breebronne en De Ruige Hoek hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2017, waar het college, vertegenwoordigd door drs. A.P. Langerak, bijgestaan door S. Berns, deskundige bij Gloudemans, Breebronne en De Ruige Hoek, beide vertegenwoordigd door mr. J.L. Stoop, advocaat te Eindhoven, bijgestaan door [partij B], bestuurder van Breebronne en De Ruige Hoek, en dr. J.W. van Zundert en W.J. den Otter, beiden deskundige, en Wayland Nova, vertegenwoordigd door mr. B. van Nieuwaal, advocaat te Rotterdam, bijgestaan door [bestuurder] van Wayland Nova, zijn verschenen. Voorts is bc. P.A.H.M. Willems K-RMT, werkzaam bij de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de StAB), ter zitting als deskundige gehoord.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Inleiding

2.    Breebronne exploiteert het recreatiepark Breebronne (hierna: het recreatieterrein), gelegen in het gebied Siberië tussen Maasbree en Venlo. Het recreatieterrein heeft een oppervlak van ruim 35 ha. Centraal in het gebied ligt een waterplas van circa 3 ha, met aan de zuidoostelijke kant een strand. Ten (noord)westen van de waterplas staan 203 chalets, waarvan de opstal in eigendom is van derden. Ten noordoosten en ten zuidwesten van de waterplas zijn circa 300 toeristische staanplaatsen gelegen, evenals een tentenveld. Op het recreatieterrein zijn naast de receptie, twee sanitairgebouwen, een parkeerterrein, een winkel en een restaurant onder meer nog een subtropisch zwembad, een aantal speel- en sportweiden en een hondenuitlaatweide aanwezig. Voorts is op een afgescheiden deel ten noorden van de waterplas huisvesting voor arbeidsmigranten gerealiseerd.     

    De Ruige Hoek is eigenaar van de gronden van het recreatieterrein. [partij A] is 100% aandeelhouder van zowel Recreatiepark Breebronne als De Ruige Hoek. Bestuurder van alledrie de vennootschappen is [partij B].

    De huisvesting van arbeidsmigranten is in 2010 in een separate vennootschap, Work and Stay B.V., ondergebracht.

3.    [partij A] heeft het college bij brief van 18 februari 2010 verzocht om een vergoeding van de planschade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van, voor zover thans van belang, de inwerkingtreding van de bestemmingsplannen "Glastuinbouw Siberië" in 1996, "Buitengebied 1997" in 1998 en "Projectvestiging Glastuinbouwgebied Siberië" in 2009, alsmede als gevolg van een viertal in respectievelijk 2000, 2001, 2007 en 2008 verleende vrijstellingen. Al deze besluiten hebben betrekking op gronden gelegen ten noorden en noordoosten van het recreatieterrein. Volgens [partij A] hebben de besluiten een vergaande ‘verglazing’ van de omgeving tot gevolg, waardoor de aantrekkelijkheid van de omgeving, waaronder de rust en stilte daarvan, wordt aangetast. Bovendien heeft de verglazing veel overlast in de vorm van assimilatieverlichting en meer industrieel verkeer tot gevolg. De schade bestaat uit zowel vermogens- als inkomensschade, aldus [partij A].

4.    De gemeente Maasbree heeft in februari 2009 een planschadeovereenkomst met Wayland Nova gesloten, op basis waarvan zij, voor zover hier van belang, een eventuele tegemoetkoming in planschade, ontstaan als gevolg van het bestemmingsplan "Projectvestiging glastuinbouwgebied Siberië", evenals de kosten van advisering over een verzoek om tegemoetkoming in planschade, voor haar rekening neemt.

Advisering en besluitvorming

5.    Het college heeft over het op de aanvraag te nemen besluit advies gevraagd aan Gloudemans. Gloudemans heeft op 16 september 2011 advies uitgebracht. Gloudemans heeft zich daarin beperkt tot de gestelde schade als gevolg van het bestemmingsplan "Projectvestiging Glastuinbouwgebied Siberië", omdat die planologische mutatie de grootste wijziging in het gebied behelst en exemplarisch is voor de overige door [partij A] genoemde planologische mutaties. Gloudemans heeft de mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt vergeleken met de planologische mogelijkheden onder het bestemmingsplan "Buitengebied Maasbree" dat in 1998 is vastgesteld en komt tot de conclusie dat de planologische wijziging voor wat betreft het gebruik en de bebouwing een intensivering met zich brengt, omdat onder het bestemmingsplan "Projectvestiging Glastuinbouwgebied Siberië" kassen tot 12 meter hoogte mogen worden gebouwd, terwijl onder het bestemmingsplan "Buitengebied Maasbree" geen gebouwen waren toegestaan. Gloudemans heeft vervolgens uiteengezet dat de vestiging van glastuinbouw in de omvang waarop deze thans planologisch mogelijk is gemaakt niet voorzienbaar was ten tijde van de aankoop van het recreatieterrein en dat [partij A] schadebeperkend heeft gehandeld door in 2000 te starten met het aanbieden van huisvesting voor arbeidsmigranten in leegstaande chalets. Ten aanzien van de vraag of [partij A] schade heeft geleden als gevolg van de planologische wijziging, heeft Gloudemans uiteengezet dat een redelijk denkend en handelend koper de (vermogens)waarde van het recreatieterrein (als investeringsobject) voornamelijk zal baseren op het daaruit te verkrijgen inkomen. Dit betekent volgens Gloudemans dat de vraag of sprake is van een waardedaling van het recreatieterrein onlosmakelijk is verbonden aan de inkomsten die door het terrein (kunnen) worden gegenereerd. Uit de bedrijfsgegevens over de periode 2001-2009 blijkt volgens Gloudemans niet dat er sprake is geweest van een aantoonbaar dalende omzet. In het verlengde daarvan blijkt niet van het door [partij A] gestelde causale verband tussen de dalende omzet en de verminderde omgevingskwaliteit, aldus Gloudemans. Weliswaar zijn de opbrengsten van de chalet- en caravanplaatsen gedaald, maar de opbrengsten van de verhuur van chalets en trekkershutten (ten behoeve van de arbeidsmigranten) zijn juist substantieel gestegen, zodat de omzet uiteindelijk zelfs is gestegen. Nu geen sprake is van inkomensschade, is evenmin sprake van waardedaling van het recreatieterrein, zodat van een objectief te bepalen nadeel als gevolg van de planologische wijzigingen geen sprake is. Het is aan [partij A] om aan te tonen dat dit vanaf 2010 is gewijzigd.

    Gelet hierop heeft Gloudemans het college geadviseerd het verzoek van [partij A] af te wijzen. Het college heeft dit advies vervolgens aan zijn besluit van 8 november 2011 ten grondslag gelegd.

6.    De bezwaarschriftencommissie heeft in een advies van 6 februari 2012 uiteengezet dat Gloudemans ten onrechte heeft nagelaten om per planologische wijziging (dakpansgewijs) te beoordelen of sprake is van een planologische verslechtering. Voorts is Gloudemans ten onrechte niet ingegaan op alle door [partij A] genoemde schadefactoren en op het cumulatief effect van de schadefactoren en de besluiten. Voorts is de bezwaarschriftencommissie van oordeel dat Gloudemans er ten onrechte vanuit is gegaan dat het recreatiegedeelte en het huisvestingsgedeelte voor arbeidsmigranten tot één bedrijf behoren, zodat het exploiteren van huisvesting voor arbeidsmigranten niet als schadebeperkend handelen kan worden gezien. Volgens de bezwaarschriftencommissie is het huisvesten van arbeidsmigranten niet een planologisch, maar een feitelijk gevolg van de wijzigingen, nu het huisvesten van arbeidsmigranten in strijd is met de regels van het voor het recreatieterrein geldende bestemmingsplan. Gelet op het voorgaande is het besluit van 8 november 2011 onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende gemotiveerd, zodat het bezwaar gegrond zou moeten worden verklaard, aldus de bezwaarschriftencommissie.

7.    Naar aanleiding van het gemaakte bezwaar en het advies van de bezwaarschriftencommissie, heeft het college Gloudemans gevraagd een nader advies uit te brengen, waarin wordt ingegaan op de door de bezwaarschriftencommissie gemaakte opmerkingen.

    Gloudemans heeft vervolgens op 28 mei 2013 een nader advies uitgebracht dat identiek is aan het advies van 16 september 2011, maar waaraan een hoofdstuk is toegevoegd naar aanleiding van het bezwaar en het advies van de bezwaarschriftencommissie. Daarin heeft Gloudemans alsnog per gesteld schadeveroorzakend besluit (dakpansgewijs) en op chronologische wijze beoordeeld of er sprake is van een nadelige planologische wijziging voor [partij A]. Daarbij komt Gloudemans tot de conclusie dat er, gelet op de afstand van de locaties waarop de planologische wijzigingen hebben plaatsgevonden, geen sprake is van een rechtstreekse beïnvloeding door de besluiten op het recreatieterrein. Uitzondering hierop is het bestemmingsplan "Projectvestiging Glastuinbouwgebied Siberië" uit 2009, maar deze wijziging heeft, gelet op de bedrijfsresultaten, niet tot schade geleid, aldus Gloudemans in het nader advies. Voorts heeft Gloudemans in het aanvullende hoofdstuk in het nader advies uiteengezet dat zij, anders dan de bezwaarschriftencommissie, van oordeel blijft dat tot de splitsing van het recreatiedeel en het huisvestingsdeel in 2010 sprake is van één bedrijf, zodat de opbrengsten van de huisvesting van arbeidsmigranten mee kunnen worden genomen bij de beoordeling van de vraag of [partij A] inkomensschade heeft geleden. Dat deze schadebeperkende maatregel niet in lijn is met de activiteit die schade ondervindt van de planologische wijziging acht Gloudemans daarbij, anders dan de bezwaarschriftencommissie, niet bezwaarlijk. Gelet hierop heeft Gloudemans de conclusies uit het eerdere advies van 16 september 2011 gehandhaafd.

    Bij besluit van 11 februari 2014 heeft het college het bezwaar van [partij A], gelet op het advies van de bezwaarschriftencommissie, gegrond verklaard, maar het besluit van 8 november 2011, gelet op het nadere advies van Gloudemans van 28 mei 2013, in stand gelaten.

Beroep

8.    [partij A] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Limburg. Hij heeft vervolgens een advies van Den Otter Makelaardij Recreatiebedrijven (hierna: Den Otter) van 6 oktober 2014 overgelegd, waarin aan de hand van planvergelijkingen uiteen is gezet dat de vrijstellingen uit 2000 en 2001 en het bestemmingsplan "Projectvestiging Glastuinbouwgebied Siberië" uit 2009 tot een planologisch nadeliger situatie voor [partij A] hebben geleid. Den Otter heeft berekend dat de waardedaling van het recreatieterrein hierdoor in totaal € 6.390.000,00 bedraagt en dat hij € 675.000,00 aan inkomensschade heeft geleden.

9.    Na de behandeling van de zaak ter zitting op 28 oktober 2014 heeft de rechtbank [partij A], het college en Wayland Nova, die, daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld, als derde-partij aan het geding deelnam, laten weten dat zij, gelet op de adviezen van Gloudemans, het door [partij A] ingebrachte advies van Den Otter en het verhandelde ter zitting, aanleiding ziet voor twijfels aan de juistheid van de adviezen van Gloudemans en dat zij daarom heeft besloten om de StAB in te schakelen.

10.    De StAB heeft in het verslag van 26 juni 2015 planvergelijkingen gemaakt tussen ieder van de door [partij A] genoemde besluiten en de daarvóór geldende planologisch regimes. Op basis van deze planvergelijkingen komt de StAB tot de conclusie dat alleen het bestemmingsplan "Projectvestiging glastuinbouw Siberië" uit 2009 tot een planologisch nadeel voor [partij A] heeft geleid voor zover dit bestemmingsplan betrekking heeft op de gronden, gelegen direct ten noorden van het recreatieterrein, omdat op basis van dit bestemmingsplan op die gronden op een minimale afstand van 50 m en een maximale afstand van 160 m kassen en bedrijfsgebouwen mogen worden gebouwd tot een hoogte van 12 m, terwijl op die gronden op basis van het daarvóór geldende planologisch regime enkel bouwwerken met een maximale hoogte van 2,5 m en een oppervlakte van maximaal 10 m2 mochten worden gebouwd. Deze planologische wijziging zal volgens de StAB lichthinder en aantasting van het uitzicht tot gevolg hebben voor met name de noordelijke schil van het recreatieterrein. Daarnaast zijn de kassen, gelet op de maximale bouwhoogte en de afstand tot het recreatieterrein, op grote afstand in meerdere of mindere mate zichtbaar. Gelet op de kleine afstand tussen de kassen en het recreatieterrein wordt het karakter van de directe omgeving aangetast, waardoor de situering van het terrein minder aantrekkelijk wordt. De verschuiving van de kassen heeft voorts tot gevolg dat enige hinder kan optreden als gevolg van het aan- en afrijden van industrieel verkeer, aldus de StAB.

    Ten aanzien van de schade heeft de StAB een onderscheid gemaakt tussen inkomensschade en waardedaling van het recreatieterrein. Over de inkomensschade heeft de StAB uiteengezet dat deze pas kan optreden op het moment dat de feitelijke situatie wijzigt. Nu de planologische mogelijkheden uit het bestemmingsplan "Projectvestiging glastuinbouw Siberië" die nadeel opleveren feitelijk nog niet zijn gerealiseerd, is de schadeperiode thans nog niet aangevangen, zodat aannemelijk is dat de planologische mutatie thans nog niet heeft geleid tot inkomensderving. Dit betekent volgens de StAB ook dat het gestelde inkomensvervangende effect van de huisvesting van arbeidsmigranten, waarover de rechtbank haar had gevraagd een oordeel te geven, geen nadere bespreking behoeft. De StAB merkt in het kader van de inkomensschade ten slotte nog op dat bij (volledige of gedeeltelijke) realisatie van de planologische mogelijkheden in de toekomst eventueel inkomensderving kan optreden, maar dat, gelet op het feit dat de bedrijfsvoering en inrichting van het recreatieterrein deels reeds zijn gewijzigd en er plannen zijn dit verdergaand te wijzigen, het de vraag is in hoeverre de toekomstige inkomensderving dan kan worden toegerekend aan de planologische wijziging. Daar komt bij dat de toekomstige inkomensderving, indien de vennootschapsrechtelijke structuur en de eigendomssituatie niet wijzigen, geacht moet worden te zijn verdisconteerd in de tegemoetkoming in planschade in de vorm van waardevermindering van het recreatieterrein, aldus de StAB. Over de waardedaling van het recreatieterrein, die door de door de StAB ingeschakelde taxateur, H.J.W. Kruidenier (hierna: Kruidenier) is begroot op € 760.000,00 op peildatum 10 april 2009, heeft de StAB uiteengezet dat het voor het taxeren van recreatieterreinen gebruikelijk is de Operational CashFlow-methode toe te passen, waarbij de gerealiseerde inkomsten worden gehanteerd als middel om de waarde van een recreatieterrein vast te stellen. In zoverre bestaat er aldus samenhang tussen de twee schadesoorten. Dit zou betekenen dat er, nu er (nog) geen inkomensderving is, er ook geen waardedaling van het recreatieterrein zou zijn, maar volgens de StAB moet bij de taxatiemethode worden meegenomen dat een redelijk denkend en handelend koper tevens rekening zal houden met de onzekerheid over de continuïteit van de omzetten als gevolg van veranderende omstandigheden. Voorts dient bij de taxatie rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de gerealiseerde inkomsten niet zonder meer bruikbaar zijn, omdat de planologische mogelijkheden nog niet zijn gerealiseerd, aldus de StAB.

    De StAB is, gelet op de door de rechtbank gestelde onderzoeksvragen, niet ingegaan op de vraag of het schadebedrag van € 760.000,00 volledig voor tegemoetkoming in aanmerking komt.

11.    De rechtbank is in navolging van de StAB tot het oordeel gekomen dat van alle door [partij A] bedoelde planologische maatregelen alleen het bestemmingsplan "Projectvestiging glastuinbouw Siberië" een voor hem planologisch nadeel tot gevolg heeft, namelijk voor zover daarbij de bouw van kassen op ca 50 m ten noorden van het recreatieterrein mogelijk is gemaakt. Voorts heeft de rechtbank de conclusie van de StAB dat dit nadeel uitsluitend tot vermogens- en niet tot inkomensschade heeft geleid gevolgd en is zij, met de taxateur van de StAB, van oordeel dat de omvang van de waardedaling van het recreatieterrein moet worden begroot op € 760.000,00. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien het besluit op bezwaar van 11 februari 2014 te vernietigen. Omdat de omvang van het normaal maatschappelijk risico nog moet worden vastgesteld, heeft zij niet zelf in de zaak voorzien, maar het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

Hoger beroep

12.    Het college, Breebronne, De Ruige Hoek, en Wayland Nova kunnen zich niet vinden in dit oordeel van de rechtbank en hebben ieder hoger beroep ingesteld. Hierna zullen deze hoger beroepen, geclusterd per onderwerp, worden behandeld. Daarbij zullen Breebronne en De Ruige Hoek, die gezamenlijk hebben geprocedeerd, hierna tezamen en in enkelvoud worden aangeduid als Recreatiepark Breebronne.

Ontvankelijkheid

13.    Wayland Nova betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte het beroep van De Ruige Hoek en [partij A] ontvankelijk heeft verklaard. In dat kader voert zij aan dat het bezwaar niet namens deze twee vennootschappen is ingediend, terwijl de aanvraag om een vergoeding van de gestelde planschade wel uitdrukkelijk ook namens deze twee vennootschappen is ingediend en het college met juistheid mededeling van het besluit van 8 november 2011 heeft gedaan aan de gemachtigde van de twee vennootschappen.

13.1.    Niet in geschil is dat de aanvraag is ingediend namens Recreatiepark Breebronne B.V., Beleggingsmaatschappij De Ruige Hoek Maasbree B.V. en [partij A] Rechtsgeldig vertegenwoordiger van alledrie deze vennootschappen is [partij B], die de aanvraag ook in die hoedanigheid heeft ondertekend. Uit het besluit van het college van 8 november 2011 blijkt dat bij de advisering over de aanvraag alledrie de vennootschappen zijn betrokken. De mededeling van dit besluit is aan [partij B], bestuurder en gemachtigde van de drie vennootschappen, gedaan. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het ervoor moet worden gehouden dat de mededeling van het besluit van 8 november 2011 aan alledrie de vennootschappen is gedaan. Voorts heeft zij het bezwaar dat door [partij B] is gemaakt terecht aangemerkt als gedaan namens de drie vennootschappen en heeft zij terecht geoordeeld dat het besluit op bezwaar, waaraan een nader advies ten grondslag is gelegd waarbij wederom alledrie de vennootschappen zijn betrokken, en dat wederom aan de bestuurder en gemachtigde van de drie vennootschappen is gestuurd, ook moet geacht te zijn gericht aan alledrie deze vennootschappen.

13.2.    De rechtbank heeft evenwel miskend dat [partij A] niet als belanghebbende, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, kan worden aangemerkt. [partij A] is, anders dan Beleggingsmaatschappij De Ruige Hoek Maasbree B.V. onderscheidenlijk Recreatiepark Breebronne B.V. , geen eigenaar of exploitant van het recreatieterrein, maar enig aandeelhouder van deze twee vennootschappen. In die hoedanigheid wordt zij door de besluitvorming slechts indirect in haar belangen getroffen en heeft zij geen eigen, van Recreatiepark Breebronne B.V. en Beleggingsmaatschappij De Ruige Hoek Maasbree B.V. te onderscheiden belang. Dit betekent dat voor zover de aanvraag namens [partij A] is gedaan, dit geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb is, zodat de reactie van het college daarop in zoverre geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

13.3.    Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht het beroep van De Ruige Hoek ontvankelijk heeft geacht, maar dat zij ten onrechte niet heeft onderkend dat het college het bezwaar, voor zover dat is ingediend namens [partij A], niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

     Het betoog van Wayland Nova slaagt aldus voor zover dat betrekking heeft op [partij A]

Advisering door de StAB

-    Inschakelen StAB

14.    Wayland Nova betoogt dat de rechtbank haar oordeel ten onrechte, zonder enig onderzoek of een inhoudelijke beoordeling, heeft gebaseerd op het advies van de StAB, nu niet is gebleken dat er wezenlijke gebreken kleven aan de adviezen van Gloudemans.

14.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582) mag de rechter met toepassing van artikel 8:47 van de Awb een deskundige benoemen voor het instellen van een onderzoek, wanneer, op basis van de door een partij aangevoerde concrete aanknopingspunten voor twijfel, gegronde twijfel bestaat over de juistheid van het advies dat het bestuursorgaan aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd.

14.2.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak ten onrechte niet gemotiveerd over welke aspecten van de adviezen van Gloudemans bij haar twijfel is gerezen over de juistheid daarvan en waarop die twijfel is gebaseerd. Evenmin heeft zij inzichtelijk gemaakt op welke punten de adviezen van Gloudemans naar haar oordeel onjuist zijn, zodat onduidelijk is  waarom het college de adviezen van Gloudemans niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

14.3.    Hoewel het betoog van Wayland Nova, gelet op het onder 14.2 overwogene terecht is voorgedragen, leidt dit niet tot de conclusie dat de rechtbank de StAB  niet had mogen inschakelen. In dat kader is het volgende van belang.

14.4.    Gloudemans komt in de adviezen - kort gezegd - tot de conclusie dat alleen de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Projectvestiging glastuinbouw Siberië" tot een voor [partij A] planologisch nadeliger situatie leidt, maar dat niet is gebleken dat er schade is dan wel dat er een aantoonbaar causaal verband zou zijn tussen de gestelde schade en de gestelde schadeveroorzakende besluiten. Bij de conclusie dat niet is gebleken dat er schade is, heeft Gloudemans zich gebaseerd op de omzetcijfers van het recreatieterrein in de jaren 2001 tot en met 2009. Nu evenwel het bestemmingsplan "Projectvestiging glastuinbouw Siberië" in april 2009 in werking is getreden, kunnen de omzetcijfers van het recreatieterrein over de jaren 2001 tot en met 2009 niet de conclusie staven dat er ná de inwerkingtreding van voormeld bestemmingsplan geen planschade is geleden. Daar komt bij dat Gloudemans ten onrechte de opbrengsten van de huisvesting van arbeidsmigranten heeft betrokken bij de beoordeling van de door het recreatieterrein gegenereerde omzet. Nu de huisvesting van arbeidsmigranten in strijd was met de op de gronden van het recreatieterrein rustende bestemming en het college Recreatiepark Breebronne naar aanleiding van handhavingsverzoeken van omwonenden te kennen heeft gegeven dat deze illegale situatie op termijn beëindigd moest worden, was van een bestendige gedoogsituatie geen sprake, zodat de met de huisvesting van arbeidsmigranten behaalde omzet buiten beschouwing moet worden gelaten. Dit betekent dat de conclusie van Gloudemans dat niet is gebleken van schade dan wel van een aantoonbaar causaal verband tussen de gestelde schade en de gestelde schadeveroorzakende besluiten, niet deugdelijk is onderbouwd.

14.5.    Gelet op het voorgaande had het college de adviezen van Gloudemans in zoverre niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen en was er voor de rechtbank aanleiding om de StAB in te schakelen.

15.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld voormelde uitspraak van 28 september 2016) mag een bestuursrechter in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. Het college, Recreatiepark Breebronne en Wayland Nova betogen alledrie dat de rechtbank het advies van de StAB ten onrechte aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd.

-    Planvergelijking

16.    Recreatiepark Breebronne betoogt dat de StAB er ten onrechte vanuit is gegaan dat het bestemmingsplan "Buitengebied 1979", dat oorspronkelijk voor de gronden gold, reeds een aanzienlijke mate van agrarische bebouwing mogelijk maakte, nu de op basis van dat bestemmingsplan op de gronden rustende bestemming ‘Agrarisch gebied met landschappelijke openheid’ juist ook voorzag in de openheid van die gronden. Bovendien had de maximale invulling van het gebied met bedrijfsgebouwen, gelet op de versnippering van zowel de percelen als de daaraan gekoppelde eigenaren binnen het plangebied, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bereikt kunnen worden. Gelet hierop heeft de StAB miskend dat ook de andere in de aanvraag genoemde besluiten tot planologisch nadeel hebben geleid, nu die - in onderlinge samenhang bezien - de verglazing van de omgeving van het recreatieterrein op gang hebben gebracht. Deze samenhang had, zo vat de Afdeling het betoog op, ook in de berekening van de omvang van de planschade verdisconteerd moeten worden, aldus Recreatiepark Breebronne.

16.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld voormelde uitspraak van 28 september 2016) dient voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts in geval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

16.2.    Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AB0266) biedt de wet- en regelgeving voor honorering van een verzoek om tegemoetkoming in planschade op grond van de gecumuleerde gevolgen van verschillende opvolgende maatregelen geen ruimte. Dit betekent dat de StAB terecht de planologische maatregelen niet in onderlinge samenhang heeft bezien en beoordeeld, maar per planologische maatregel een vergelijking heeft gemaakt tussen het planologisch regime zoals dat gold onmiddellijk vóór en na de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel (vergelijk ook de uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, ov. 2.5).

16.3.    Uit de planregels bij het bestemmingsplan "Buitengebied 1979" volgt dat op de gronden waarop de bestemming ‘Agrarisch gebied met landschappelijke openheid’ rustte, bouwwerken mochten worden gebouwd ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf. Daarbij was onder meer bepaald dat de oppervlakte van ieder bouwperceel minstens 1 ha, de breedte van de bebouwing minstens 75 m, de lengte van de bebouwing, in geval van kassen, met vrijstelling maximaal 120 m en, indien die bebouwing kassen betrof, het oppervlak daarvan minimaal 2000 m2 diende te bedragen. Het aantal bouwpercelen mocht niet meer dan drie per strekkende kilometer bedragen. Na verlening van een vrijstelling mochten kassen bovendien tot aan de perceelgrens worden gebouwd, zo volgt uit artikel 6.2, sub B, aanhef en onder 3 van de planregels.

    De StAB heeft het bestemmingsplan "Buitengebied 1979" terecht enkel betrokken in de vergelijking met het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Siberië" uit 1996, het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" uit 1998, de vrijstellingsbesluiten uit 2000 en 2001 en het bestemmingsplan "Projectvestiging glastuinbouw Siberië". Daarbij geldt dat op de eerste vier vergelijkingen, waarbij de StAB tot de conclusie is gekomen dat de desbetreffende planologische wijziging niet tot een nadeel heeft geleid, artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van toepassing is, zodat de in het bestemmingsplan "Buitengebied 1979" neergelegde vrijstellingsmogelijkheid bij die planvergelijkingen mochten worden betrokken.

    Anders dan Recreatiepark Breebronne stelt, is de StAB er in het kader van die planvergelijkingen bij de maximale invulling van het bestemmingsplan "Buitengebied 1979" terecht vanuit gegaan dat de gronden waar op grond van dat bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarisch gebied met landschappelijke openheid’ op rustte, volledig bebouwd mochten worden met kassen. Dat, naar Recreatiepark Breebronne stelt, deze maximale invulling als gevolg van versnipperde eigendom van die gronden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zou zijn uitgesloten, volgt de Afdeling niet, nu de eigendomsverhoudingen de feitelijke situatie betreffen en deze op de toepasselijkheid van de planregels geen invloed hebben (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1156, en 23 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU5421).

16.4.    Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht de conclusie van de StAB aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd dat de inwerkingtreding van de bestemmingsplannen "Glastuinbouw Siberië" in 1996 en "Buitengebied 1997" in 1998, alsmede van het tweetal in respectievelijk 2000 en 2001 verleende vrijstellingen, telkens vergeleken met het daarvóór geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1979", gelet op de maximale invulling daarvan, niet tot een planologisch nadeliger situatie heeft geleid.

16.5.    Het betoog faalt.

17.    Wayland Nova betoogt dat de StAB ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Projectvestiging glastuinbouw Siberië" tot een planologisch nadelige situatie voor Recreatiepark Breebronne heeft geleid. In dit kader voert zij aan dat ter plaatse van de gronden, die direct zijn gelegen ten noorden van het recreatieterrein, in overleg met en op verzoek van Recreatiepark Breebronne een groene buffer van structureel en als zodanig bestemde opgaande beplanting is gerealiseerd. Hiervoor heeft Wayland Nova met de provincie een natuurcompensatieovereenkomst gesloten, waarin is neergelegd dat de inrichting en instandhouding van de groene buffer voor rekening en risico van Wayland Nova komt. Doel van de groene buffer is met name het zicht vanaf het recreatieterrein op de glastuinbouw wegnemen, aldus Wayland Nova.

17.1.    Ingevolge het bestemmingsplan "Projectvestiging Glastuinbouw Siberië" zijn op de gronden die direct grenzen aan het noordelijk deel van het recreatieterrein de bestemmingen ‘Natuur’ en ‘Water’ komen te rusten en is op de gronden op een afstand van 50 tot 160 m van het recreatieterrein de bestemming ‘Agrarisch-Projectvestiging glastuinbouwgebied’ komen te rusten. Op grond van het daarvóór vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1997" rustte op de gronden de bestemmingen ‘Bosgebied’ en ‘Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden’.

    De StAB komt in de planvergelijking tot de conclusie dat de planologische mutatie tot nadeel heeft geleid voor zover de gronden de bestemming ‘Agrarisch-Projectvestiging glastuinbouwgebied’ hebben gekregen, nu op grond van die bestemming op die gronden kassen met een hoogte van 12 m en bedrijfsgebouwen mogen worden gerealiseerd, terwijl daar voorheen op grond van de bestemmingen ‘Bosgebied’ en ‘Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden’ enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximale hoogte van 2,5 m waren toegestaan.

17.2.    Dat, naar Wayland Nova stelt, op de gronden gelegen tussen de gronden met de bestemming ‘Agrarisch-Projectvestiging glastuinbouwgebied’ en het noordelijk deel van het recreatieterrein een groene buffer is gerealiseerd die het zicht vanaf het recreatieterrein op de glastuinbouw wegneemt, betekent niet dat de StAB ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Projectvestiging glastuinbouw Siberië" tot een planologisch nadelige situatie heeft geleid. Zoals hiervoor onder 16.1 uiteen is gezet, is de feitelijke situatie niet van belang voor de planvergelijking. Nu de groene buffer niet planologisch is vastgelegd, heeft de StAB deze terecht niet bij de planvergelijking betrokken.

17.3.    Het betoog faalt.

-    Taxatie

18.    Partijen zijn het erover eens dat voor de berekening van de schade in de vorm van waardevermindering gebruik kan worden gemaakt van de zogenoemde Operational CashFlow-Methode, waarbij - kort gezegd - de gerealiseerde inkomsten worden gehanteerd als middel om de waarde van het recreatieterrein vast te stellen. Partijen zijn evenwel verdeeld over de begroting van de planschade en maken daarbij onderscheid tussen enerzijds de geleden en/of nog te lijden inkomensschade en anderzijds de waardedaling van het recreatieterrein. De Afdeling ziet hierin aanleiding de begroting van beide schadecomponenten separaat te beoordelen.

    Inkomensschade

19.    Recreatiepark Breebronne kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank over de inkomensschade.

    In dit kader voert zij allereerst aan dat de rechtbank, in navolging van de StAB, ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat vóór 2009 geen inkomensschade kan zijn geleden, omdat de enige planologische wijziging die tot nadeel heeft geleid in 2009 in werking is getreden. Volgens Recreatiepark Breebronne hebben ook de andere door haar genoemde besluiten, die allemaal vóór 2009 in werking zijn getreden, tot een voor haar planologisch nadeliger situatie geleid, als gevolg waarvan zij inkomensschade heeft geleden.

    Recreatiepark Breebronne voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de inkomensschade volgens de StAB reeds verdisconteerd is in de schade in de vorm van waardedaling van het recreatieterrein, nu de StAB juist uitdrukkelijk niet heeft uitgesloten dat inkomensschade in de toekomst nog kan optreden en dan alsnog voor vergoeding in aanmerking kan komen. Deze conclusie van de StAB is volgens Recreatiepark Breebronne overigens ook onwenselijk, nu zij hierdoor in onzekerheid blijft over de aard en omvang van de inkomensschade, over de duur van de feitelijke realisatie van de kassen en over de invorderbaarheid in verband met tussentijdse gewijzigde omstandigheden. Dat niet nu reeds wordt tegemoetgekomen in de inkomensschade is niet alleen onredelijk en onzorgvuldig, maar ook inefficiënt, nu hierdoor mogelijk in de toekomst nog een keer een procedure moet worden gevoerd, aldus Recreatiepark Breebronne. Volgens Recreatiepark Breebronne had Kruidenier, naar analogie van het onteigeningsrecht waar de inkomensschade doorgaans ook moet worden vastgesteld terwijl het betreffende werk nog gerealiseerd kan worden, een raming kunnen maken van het gekapitaliseerde inkomensnadeel dat zij lijdt en nog zal lijden.

19.1.     Zoals hiervoor onder 16.4 is overwogen heeft de rechtbank terecht de conclusie van de StAB aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat de inwerkingtreding van de bestemmingsplannen "Glastuinbouw Siberië" in 1996 en "Buitengebied 1997" in 1998 , alsmede van het viertal in respectievelijk 2000, 2001, 2007 en 2008 in werking getreden vrijstellingen, telkens vergeleken met het daarvóór geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1979", gelet op de maximale invulling daarvan, niet tot een planologisch nadeliger situatie heeft geleid. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat van inkomensschade als gevolg van de inwerkingtreding van ieder van deze besluiten geen sprake kan zijn.

    Het betoog faalt in zoverre.

19.2.    De rechtbank heeft evenwel niet onderkend dat de StAB bij haar oordeel over de inkomensschade onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd. De StAB heeft in haar advies ten onrechte uiteengezet dat bij de beoordeling van inkomensderving en waardevermindering van de onroerende zaak moet  worden uitgegaan van verschillende peilmomenten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie voormelde uitspraak van 28 september 2016) heeft de datum waarop het gestelde schadeveroorzakende besluit in werking is getreden te gelden als peildatum voor het antwoord op de vraag of ten gevolge van een onherroepelijk geworden besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro schade is geleden. Voor de stelling dat dit anders zou zijn voor schade in de vorm van inkomensderving dan voor schade in de vorm van waardevermindering van de onroerende zaak en dat alleen sprake kan zijn van inkomensderving in geval van een feitelijke wijziging van de situatie, biedt de Wro geen aanknopingspunten. Een dergelijke lezing is ook niet te verenigen met artikel 6.1, eerste lid, van de Wro, op basis waarvan niet alleen geleden, maar ook nog te lijden schade voor tegemoetkoming in aanmerking komt, noch met het vierde lid van deze bepaling, waarin is neergelegd dat een aanvraag voor een tegemoetkoming in schade binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van de gestelde schadeoorzaak moet zijn ingediend. Bovendien past een dergelijke lezing niet bij het in de jurisprudentie van de Afdeling geformuleerde uitgangspunt dat bij berekening van de omvang van de inkomensschade mag worden betrokken dat een onderneming na de inwerkingtreding van de schadeveroorzakende planologische maatregel nog geruime tijd op dezelfde wijze geëxploiteerd kon worden en daarmee eenzelfde inkomen gegenereerd kon worden als voorafgaand aan de inwerkingtreding van die maatregel (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 24 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2580 en 24 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3473).

    Het voorgaande betekent dat de StAB voor beantwoording van de vraag of het bestemmingsplan "Projectvestiging glastuinbouw Siberië" voor het recreatieterrein tot inkomensschade heeft geleid ten onrechte van doorslaggevend belang heeft geacht dat de feitelijke situatie na inwerkingtreding van dit bestemmingsplan (nog) niet is gewijzigd. De rechtbank had het advies van de StAB in zoverre dan ook niet aan haar oordeel ten grondslag mogen leggen.

    Het betoog slaagt in zoverre.

    Waardedaling van het recreatieterrein

20.    Wayland Nova en het college betogen dat de rechtbank ten onrechte, in navolging van de taxateur van de StAB, heeft geoordeeld dat de planologische wijziging tot waardedaling van het recreatieterrein heeft geleid. Zowel Gloudemans als de StAB stelt zich op het standpunt dat er samenhang bestaat tussen inkomensschade en waardedaling van het recreatieterrein, omdat voor exploitatie gebonden vastgoed, zoals het recreatieterrein, geldt dat de waarde wordt geschat aan de hand van het (toekomstig) te genereren inkomen. Nu de StAB tot de conclusie is gekomen dat Recreatiepark Breebronne geen inkomensschade heeft geleden, kan er volgens Wayland Nova en het college van een waardedaling van het recreatieterrein evenmin sprake zijn.

20.1.    Zoals hiervoor onder 19.2 uiteen is gezet, is de StAB bij haar conclusie dat Recreatiepark Breebronne geen inkomensschade heeft geleden uitgegaan van onjuiste uitgangspunten. Dit betekent dat nog niet vaststaat dat van inkomensderving geen sprake is, zodat het betoog reeds hierom faalt.

21.    Gelet op hetgeen is overwogen onder 14.4 faalt ook het betoog van het college en Wayland Nova dat de rechtbank heeft miskend dat de conclusie van de StAB, dat de huisvesting van arbeidsmigranten niet bij de omvang van de waardedaling van het recreatieterrein dient te worden betrokken, omdat die huisvesting in strijd is met het bestemmingsplan, onjuist is. Dat, naar het college en Wayland Nova onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7048, stellen, inkomsten uit strijdig gebruik ook meegenomen kunnen worden, maakt het voorgaande niet anders. Anders dan in de zaak waarop voormelde uitspraak ziet, had een redelijk denkend en handelend koper, gelet op de eerder door het college genomen handhavingsbesluiten en het feit dat tussen het recreatieterrein en het college gesprekken plaatsvonden over beëindiging van de illegale huisvesting van arbeidsmigranten, die uiteindelijk erin hebben geresulteerd dat die huisvesting sinds 2010 door een nieuwe, separate vennootschap wordt geëxploiteerd op een apart, van het recreatieterrein afgescheiden terrein, in het onderhavige geval niet voldoende zekerheid dat het feitelijk gebruik van een deel van het recreatieterrein voor die illegale huisvesting zou kunnen worden voortgezet.

22.    Wayland Nova betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de taxateur van de StAB tot een te hoog bedrag aan waardedaling van het recreatieterrein is gekomen en dit bedrag onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens Wayland Nova is niet gebleken dat bij de taxatie is uitgegaan van de juiste uitgangspunten. Zo is de taxateur van de StAB ten onrechte voorbijgegaan aan de kasstromen en blijkt in de beoordeling door de taxateur niet van de door de StAB gesignaleerde schadefactoren en het effect daarvan op de beweerdelijke waardedaling.

22.1.    In het kader van de taxatie van de schade heeft Kruidenier op pagina 27 van zijn taxatierapport het volgende uiteengezet: "Het bedrijf is op dat moment [lees: op of omstreeks de peildatum, ABRvS] volop in exploitatie, heeft het predicaat "Superplatz" en is toekomstbestendig wat betreft investeringen en voorzieningen. De omzet per plaats is vergelijkbaar met soortgelijke bedrijven in het binnenland." Kruidenier komt vervolgens, hiervan uitgaande, tot een waardering van het recreatieterrein voorafgaande aan de planologische wijziging van € 6.630.000,00 en een waardedaling van - afgerond - € 760.000,00.

    Het hiervoor geschetste, door Kruidenier gehanteerde uitgangspunt verhoudt zich evenwel niet met het beeld van het recreatieterrein dat Recreatiepark Breebronne en haar deskundige Den Otter hebben geschetst. Zo heeft Recreatiepark Breebronne gesteld dat met de (illegale) huisvesting van arbeidsmigranten is begonnen om leegstand van de chalets tegen te gaan. Voorts blijkt uit het overzicht dat Den Otter in zijn advies van 6 oktober 2014 (pag. 38) heeft gemaakt van de omzet van het recreatieterrein, de omzet van kampeerbedrijven landelijk en meer specifiek met de omzet van een aantal met het recreatieterrein vergelijkbare kampeerbedrijven (de zogenoemde peergroup), dat de omzet van het recreatieterrein in de periode 2003 tot en met 2009 is gehalveerd, terwijl de landelijke trend over die periode een lichte omzetstijging laat zien en de omzet van de peergroup in die periode zelfs bijna is verdubbeld. Kruidenier heeft deze negatieve omzetontwikkeling van het recreatieterrein, die reeds jaren voor de peildatum is ingezet en niet te verklaren is vanuit de marktontwikkelingen, ten onrechte niet betrokken bij de taxatie.

    Het voorgaande betekent dat Kruidenier bij de taxatie van het recreatieterrein en de bepaling van de omvang van de geleden planschade van de verkeerde uitgangspunten is uitgegaan en het advies van de StAB ook in zoverre gebreken bevat. De rechtbank had dit advies ook in zoverre niet aan haar oordeel ten grondslag mogen leggen.

    Het betoog slaagt.

23.    Gelet op hetgeen hiervoor onder 22.1 is overwogen, behoeven de overige door Wayland Nova aangevoerde gronden die zien op de taxatie van Kruidenier geen bespreking meer.

Samenvatting

24.    Samengevat komt de Afdeling tot het oordeel dat het college de adviezen van Gloudemans niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen, omdat Gloudemans zijn conclusie dat niet is gebleken dat het recreatieterrein inkomensschade heeft geleden dan wel dat er geen aantoonbaar causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en de gestelde schadeveroorzakende besluiten onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank heeft gelet hierop terecht aanleiding gezien de StAB in te schakelen. Nu de StAB evenwel bij de berekening van de geleden planschade van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan, had de rechtbank het advies van de StAB in zoverre niet aan haar oordeel ten grondslag mogen leggen.  

Conclusie

25.    De conclusie is dat het besluit van 11 februari 2014 is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de gebreken in voormeld besluit binnen tien weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen door een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Gelet op hetgeen is overwogen onder 13.3 dient het college daarin het bezwaar van [partij A] niet-ontvankelijk te verklaren. Voorts dient het college in dat nieuwe besluit voor de beantwoording van de vraag of Recreatiepark Breebronne planschade heeft geleden als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Projectvestiging glastuinbouw Siberië" op peildatum 10 april 2009, met hulp van een deskundige, zoals Gloudemans, een vergelijking te maken tussen het inkomen dat het recreatieterrein genereerde voorafgaand aan de inwerkingtreding van voormeld bestemmingsplan, rekening houdend met concrete omzetcijfers uit planconforme activiteiten, en het geraamde inkomen uit planconforme activiteiten dat het recreatieterrein na die inwerkingtreding en bij volledige realisatie van hetgeen voormeld bestemmingsplan mogelijk maakte, had kunnen genereren. Indien uit deze vergelijking blijkt dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Projectvestiging glastuinbouw Siberië" tot inkomensschade heeft geleid, dient het college vervolgens inzichtelijk te maken welke invloed dit heeft op de waarde van het recreatieterrein en in hoeverre geleden en nog te lijden inkomensschade is verdisconteerd in de begroting van de waardedaling. Bij de berekening van de omvang van de inkomensschade mag het college betrekken dat Recreatiepark BreeBronne B.V. het recreatieterrein na de peildatum nog een aantal jaren heeft kunnen exploiteren op dezelfde wijze als voor de peildatum, omdat de feitelijke situatie gedurende die jaren niet was gewijzigd. Ten slotte dient het college in het nieuwe besluit een standpunt in te nemen over de vergoedbaarheid van eventueel geleden planschade.

26.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht. Dit betekent dat de betogen van Recreatiepark Breebronne en Wayland Nova die zien op de proceskostenveroordeling die door de rechtbank is uitgesproken thans geen bespreking behoeven.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas op om binnen tien weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen de gebreken in het besluit van 11 februari 2014, met kenmerk 1894/2014/432144, te herstellen door een nieuw besluit te nemen en dit tevens aan de Afdeling toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Polak    w.g. Ouwehand

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2017

752.