Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2551

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
201700125/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:5190, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2016 heeft burgemeester de aanvraag van [appellant] om een drank- en horecavergunning ten behoeve van [café A] aan de [locatie] te Hengelo afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201700125/1/A3.

Datum uitspraak: 20 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 29 december 2016 in zaak nr. 16/2120 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Hengelo.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2016 heeft burgemeester de aanvraag van [appellant] om een drank- en horecavergunning ten behoeve van [café A] aan de [locatie] te Hengelo afgewezen.

Bij besluit van 21 juli 2016 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. C.J. Driessen, advocaat te Vianen, en de burgemeester, vertegenwoordigd door I.B.H. Heil en I.P.H. Claassen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft de wens om een café te exploiteren in de horeca-inrichting aan de [locatie] te Hengelo onder de naam [naam café]. In dit verband heeft [appellant] op 16 februari 2016 een aanvraag ingediend voor een drank- en horecavergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Drank- en Horecawet (hierna: de DHW). De burgemeester heeft de aanvraag van [appellant] afgewezen onder verwijzing naar een op [appellant] betrekking hebbend uittreksel Justitiële Documentatie en een advies van het Regionale Informatie en Expertisecentrum Oost Nederland (hierna: het RIEC) van 23 maart 2016. Uit deze documenten volgt dat [appellant] vanaf 1996 veel strafrechtelijke en fiscaalrechtelijke antecedenten heeft. Volgens de burgemeester kan gelet op deze antecedenten niet worden gesteld dat [appellant] niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW.

De aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester rekening heeft mogen houden met de strafrechtelijke antecedenten van [appellant] en zich op het standpunt heeft mogen stellen dat deze antecedenten een beletsel vormen voor de uitoefening van de functie van leidinggevende in een horeca-inrichting. Verder heeft de rechtbank overwogen dat uit verklaringen van [appellant] valt af te leiden dat hij op geld waardeerbare tegenprestaties heeft ontvangen, die hij niet heeft gemeld bij de Belastingdienst. Volgens de rechtbank vormen dit fiscaalrechtelijke antecedenten die de burgemeester bij de beoordeling van het levensgedrag heeft mogen betrekken. Gelet op de strafrechtelijke en fiscaalrechtelijke antecedenten heeft de burgemeester zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellant] niet voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de burgemeester gelet op het bepaalde in artikel 27, eerste lid, van de DHW in samenhang bezien met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW gehouden was de drank- en horecavergunning te weigeren. Over het betoog van [appellant] dat hij gezien het feit dat hij ongeveer zes jaar als leidinggevende bij Mc Donalds-vestigingen heeft gewerkt, aantoonbaar over leidinggevende capaciteiten beschikt, heeft de rechtbank overwogen dat de vereiste capaciteiten voor een leidinggevende bij Mc Donalds niet vergelijkbaar zijn met de vereiste capaciteiten voor een leidinggevende in een horeca-inrichting waar alcohol wordt geschonken.

Hoger beroep

3.    [appellant] kan zich niet met het oordeel van de rechtbank verenigen. Hij voert aan dat hij al jaren niet meer voor het plegen van een strafbaar feit is veroordeeld en daarom een nieuwe kans verdient. Hij ontkent dat hij fiscaalrechtelijke antecedenten heeft die de burgemeester bij de beoordeling van zijn aanvraag heeft mogen betrekken. Het gaat om hand- en spandiensten voor familie en vrienden die niet tot een fiscaalrechtelijke sanctie of veroordeling hebben geleid. [appellant] stelt zich op het standpunt dat alleen fiscaalrechtelijke sancties of veroordelingen bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank zijn werkzaamheden als leidinggevende bij Mc Donalds ten onrechte niet vergelijkbaar heeft geacht met de werkzaamheden van een leidinggevende functie van een horeca-inrichting. Bij de filialen van Mc Donalds doet zich eenzelfde problematiek voor als in een horeca-inrichting, aldus [appellant].

Oordeel van de Afdeling

4.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2511), is bij of krachtens de DHW geen nadere omschrijving gegeven van de eis dat leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Derhalve zijn geen beperkingen gesteld aan de feiten of omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken.

4.1.    Uit het uittreksel Justitiële Documentatie volgt dat [appellant] is veroordeeld voor verschillende strafbare feiten. Zo is hij op 2 december 2002 veroordeeld tot een geldboete van € 220,00 voor openlijke geweldpleging, op 1 juli 2004 tot 120 uur werkstraf en 1 maand voorwaardelijke gevangenisstraf voor openlijke geweldpleging en het medeplegen van mishandeling en op 21 februari 2005 tot 40 uren werkstraf voor openlijke geweldpleging. [appellant] is op 1 oktober 2009 veroordeeld tot een geldboete van € 265,00 voor rijden onder invloed. De laatste veroordeling is een veroordeling van 10 februari 2011 tot 24 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk voor het plegen van drugsdelicten en het medeplegen van oplichting. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4 is overwogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester deze strafrechtelijke antecedenten bij zijn beoordeling heeft mogen betrekken.

4.2.    [appellant] heeft in zijn ondernemingsplan voor [café A] vermeld dat hij zijn broer heeft geholpen met de verbouwing van [café B] en dat hij gedurende 3,5 jaar dagelijks betrokken was bij de exploitatie van [café A] door zijn broer. Daarbij heeft hij vermeld dat zijn broer niet genoeg inkomen had om hem op de loonlijst te zetten. Tegenover het RIEC heeft [appellant] verklaard dat hij full time als leidinggevende heeft gewerkt en dat hij de daarmee verkregen inkomsten niet bij de Belastingdienst heeft opgegeven. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft de burgemeester deze omstandigheden bij zijn beoordeling van het levensgedrag mogen betrekken. [appellant] kan gelet op hetgeen hiervoor onder 4 is overwogen niet worden gevolgd in zijn standpunt dat alleen fiscaalrechtelijke sancties of veroordelingen bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken.

5.    Gelet op het vorenstaande is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat [appellant] niet voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over zijn leidinggevende capaciteiten heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een ander oordeel, omdat deze leidinggevende capaciteiten op zichzelf niets zeggen over zijn levensgedrag.

6.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, was de burgemeester gelet op het bepaalde in artikel 27, eerste lid, van de DHW in samenhang bezien met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW gehouden om de drank- en horecavergunning te weigeren.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, griffier.

w.g. Borman    w.g. Binnema

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2017

589.