Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2533

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
201606531/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:5514, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2015 heeft de minister aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 2.900,00, omdat [appellante] als werkgever heeft gehandeld in strijd met regels voor de minimumbemanning en rusttijden bij de exploitatie van een vaartuig op de binnenwateren.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2017/182

Uitspraak

201606531/1/A3.

Datum uitspraak: 20 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juli 2016 in zaak nr. 15/7383 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2015 heeft de minister aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 2.900,00, omdat [appellante] als werkgever heeft gehandeld in strijd met regels voor de minimumbemanning en rusttijden bij de exploitatie van een vaartuig op de binnenwateren.

Bij besluit van 13 oktober 2015 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 18 april 2017 heeft de minister het besluit van 13 oktober 2015, voor zover dat op de rusttijdenovertreding ziet, ingetrokken en de boete, voor zover deze op die overtredingen ziet, kwijtgescholden.

[appellante] heeft gronden van beroep tegen het besluit van 18 april 2017 aangevoerd.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.E. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel, en de minister, vertegenwoordigd door mr. H.J. het Hart, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De relevante bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), het Wetboek van Strafrecht, de Binnenvaartwet, de Binnenvaartregeling, het Arbeidstijdenbesluit vervoer (hierna: Atbv), het Rijnvaartpolitiereglement (hierna: Rpr) en het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (hierna: Rsp) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Inleiding

2. Op 2 maart 2015 heeft een inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en transport van het ministerie (hierna: ILT) aan boord van een hecht samenstel, bestaande uit duwboot "[bedrijf A]" en duwbakken "[duwbak A]" en "[duwbak B]" (hierna samen: het vaartuig), onderzoek verricht naar naleving van bepalingen, gesteld bij en krachtens de Binnenvaartwet en de Arbeidstijdenwet. Het onderzoek heeft plaatsgevonden op de Waal ter hoogte van Boven Leeuwen, gemeente West Maas en Waal. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur op 31 maart 2015 op ambtseed een boeterapport opgemaakt. Het boeterapport vermeldt dat de duwbakken 85,5 m onderscheidenlijk 88,12 m lang zijn, dat de duwboot aan standaarduitrusting S2 voldoet en dat ten tijde van de inspectie met het vaartuig in exploitatiewijze B werd gevaren. Het boeterapport vermeldt verder dat de bemanning aan boord van het vaartuig bestond uit twee schippers, waarvan er één tevens de gezagvoerder van het vaartuig was, en twee stuurmannen, waarvan er één beschikt over het ingevolge het Rsp vereiste schipperspatent. Blijkens het boeterapport heeft de gezagvoerder tijdens de inspectie verklaard dat [appellante] zijn werkgever is. De gezagvoerder heeft deze verklaring op 2 maart 2015 ook op schrift gesteld. Uitgaande van exploitatiewijze B is er een bemanningstekort van één lichtmatroos. De bemanning aan boord van het vaartuig voldoet wél aan de vereiste minimumbemanning bij exploitatiewijze A2. Uitgaande van exploitatiewijze A2 hebben twee bemanningsleden niet ingevolge de bij exploitatiewijze A2 geldende rusttijden gerust, aldus het boeterapport. Op 9 juli 2015 heeft de inspecteur op ambtseed een aanvullend boeterapport opgemaakt. Dat vermeldt dat de gezagvoerder op 22 maart 2015 telefonisch aan de inspecteur te kennen heeft gegeven dat, zoals hij al eerder heeft verklaard, [appellante] hem ten tijde van de reis waarin de inspectie heeft plaatsgevonden, heeft opgedragen wat hij en de overige bemanningsleden moesten doen. Het aanvullend boeterapport vermeldt verder dat de gezagvoerder ten tijde van de inspectie op basis van een uitzendovereenkomst aan [appellante] was uitgeleend.

Het besluit van 13 oktober 2015

3. De minister heeft aan [appellante] een boete van € 500,00 opgelegd, omdat [appellante] als werkgever in strijd met artikel 22, zevende en negende lid, van de Binnenvaartwet, gelezen in samenhang met de artikelen 1.7 en 1.9 van de Binnenvaartregeling en de artikelen 2.02, eerste lid, en 3.16, eerste lid, van het Rsp, heeft nagelaten om tijdens de vaart voortdurend de minimumbemanning aan boord te hebben op een duwboot met twee duwbakken. Het gaat daarbij om een tekort van één lichtmatroos/deksman. Het betreft hier feitcode BVW 3.3.133 R in bijlage 11.1 bij de Binnenvaartregeling. Daarnaast heeft de minister [appellante] een boete van € 2.400,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 5.5:4, eerste lid, van het Atbv, omdat [appellante], als werkgever, ten aanzien van twee bemanningsleden de arbeid niet zodanig heeft georganiseerd dat deze bemanningsleden hebben kunnen rusten overeenkomstig de bij exploitatiewijze A2 behorende rusttijden.

Het besluit van 18 april 2017

4. Het besluit van 18 april 2017 wordt ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, geacht onderwerp te zijn van dit geding. Dit wil zeggen dat van de zijde van [appellante] van rechtswege een beroep tegen dit besluit is ontstaan, omdat daarbij niet geheel aan haar bezwaren is tegemoetgekomen.

5. [ appellante] betoogt dat de minister de boete van € 2.400,00 wegens overtreding van artikel 5.5:4, eerste lid, van het Atbv ten onrechte aan haar heeft opgelegd, zodat de minister bij besluit van 18 april 2017 ten onrechte heeft nagelaten het besluit van 15 mei 2015, voor zover dat op de rusttijdenovertreding en de daarbij behorende boete ziet, te herroepen. Door slechts de boete kwijt te schelden en het besluit van 15 mei 2015 niet te herroepen, blijft de constatering dat zij artikel 5.5:4 van het Atbv heeft overtreden immers staan, aldus [appellante].

5.1.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in twee uitspraken van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:789 en ECLI:NL:RVS:2017:790) ontbreekt een wettelijke grondslag voor het opleggen van een boete wegens schending van de rusttijden die bij een andere exploitatiewijze behoren dan die waarin het desbetreffende vaartuig, waarop de Binnenvaartwet van toepassing is, heeft gevaren. Het opleggen van een boete wegens schending van de bij een andere exploitatiewijze behorende rusttijden is in strijd met artikel 5:4, tweede lid, van de Awb, omdat geen sprake is van een overtreding in de zin van artikel 5:1, eerste lid.

5.2.

De minister heeft deze uitspraken van de Afdeling van 29 maart 2017 terecht aan het besluit van 18 april 2017 ten grondslag gelegd. Ter zitting van de Afdeling heeft de minister zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat hij met zijn besluit van 18 april 2017 niet met de intrekking van het besluit van 13 oktober 2015, voor zover dat op de rusttijdenovertreding ziet, en met de kwijtschelding van de daarmee verband houdende boete ter hoogte van € 2.400,00 had mogen volstaan, maar dat hij tevens het besluit van 15 mei 2015 in zoverre had moeten herroepen.

Het betoog slaagt.

Het hoger beroep

6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister haar, gezien de verklaringen van de gezagvoerder, terecht als werkgever in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet heeft aangemerkt. [appellante] voert daartoe aan dat uit het aanvullend boeterapport blijkt dat de gezagvoerder niet aan haar, maar aan [bedrijf A] ter beschikking was gesteld.

6.1.

Het aanvullend boeterapport vermeldt niet dat de gezagvoerder aan [bedrijf A] ter beschikking is gesteld. Wel blijkt daaruit dat de gezagvoerder ten tijde van de inspectie, op grond van een mondelinge overeenkomst, door [persoon A] van [bedrijf B] aan de natuurlijke persoon [persoon B] ter beschikking was gesteld. Voorts blijkt daaruit dat de factuur voor de toen door de gezagvoerder uitgevoerde werkzaamheden door [bedrijf B] naar [bedrijf A] is verstuurd en dat [bedrijf C] de enige aandeelhouder en bestuurder is van zowel [appellante] alsook van [bedrijf A]. Nu [appellante] en [bedrijf A] tot dezelfde holding behoren, doet de facturering aan [bedrijf A] niet af aan de hiervoor onder 2 vermelde verklaringen van de gezagvoerder. Gelet daarop heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval niet zij, maar een ander als werkgever in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet moet worden aangemerkt.

Het betoog faalt.

7. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister haar terecht een boete wegens overtreding van artikel 5.5:4, eerste lid, van het Atbv heeft opgelegd.

7.1.

Het betoog slaagt, gezien hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.2 is overwogen.

8. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat ten tijde van het besluit van 13 oktober 2015 een grondslag voor de boete wegens een bemanningstekort bestond. Aan dit aangevallen oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het in deze zaak aan de toepassing van feitcode BVW 3.3.133 R ten grondslag gelegde boetefeit sinds de wijziging van bijlage 11.1 bij de Binnenvaartregeling per 1 juli 2015 onder feitcode BVW 3.3.118 valt. [appellante] voert daartoe aan dat feitcode BVW 3.3.133 R ziet op een tekort van één lichtmatroos/deksman, terwijl feitcode BVW 3.3.118 ziet op een tekort van één lichtmatroos. Derhalve heeft de minister, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, geen boete opgelegd wegens een tekort van één lichtmatroos, maar wegens een tekort van één lichtmatroos/deksman, welk tekort per 1 juli 2015 niet meer beboetbaar is, aldus [appellante].

8.1.

Voor de vraag of ten tijde van het besluit van 13 oktober 2015 nog een grondslag voor de boete wegens een bemanningstekort bestond, is niet bepalend of beide feitcodes en de feitaanduidingen hetzelfde luiden, maar of de aan [appellante] verweten gedraging ten tijde van het besluit van 13 oktober 2015 nog beboetbaar was. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dit het geval is, omdat een deksman, gezien artikel 3.16, eerste lid, van het Rsp, geen deel uitmaakt van de bemanning die ten tijde van de inspectie minimaal aan boord van het vaartuig moest zijn en blijkens het aan de boete ten grondslag liggende boeterapport sprake was van een tekort van één lichtmatroos.

Het betoog faalt.

9. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vraag of ten tijde van de inspectie van een bemanningstekort sprake was, moet worden beantwoord aan de hand van hetgeen daarover in het Rsp is bepaald. [appellante] voert daartoe aan dat artikel 1.08, tweede lid, van het Rpr bepalend is voor het antwoord op die vraag. Voorts voert zij daartoe aan dat uit de woorden "wordt geacht" in artikel 1.08, derde lid, alsmede uit de omstandigheid dat het om een "minimumbemanning" gaat, volgt dat ook op andere wijze dan vermeld in het Rsp aan artikel 1.08, tweede lid, van het Rpr kan worden voldaan. [appellante] stelt dat zij ten tijde van de inspectie aan artikel 1.08, tweede lid, heeft voldaan, omdat de bemanning aan boord van het vaartuig in aantal en in kwalificatie voldoende was om de veiligheid van de opvarenden en de scheepvaart te kunnen garanderen.

9.1.

Ingevolge artikel 2.02, eerste lid, van het Rsp moet de bemanning die zich ingevolge het Rpr aan boord moet bevinden van schepen die de Rijn bevaren in overeenstemming zijn met de voorschriften van het Rsp. Om aan het vereiste in artikel 1.08, tweede lid, van het Rpr te voldoen, moest de bemanning aan boord van het vaartuig ten tijde van de inspectie derhalve voldoen aan artikel 3.16, eerste lid, van het Rsp. De stelling van [appellante] dat de bemanning aan boord van het vaartuig in aantal en in kwalificatie voldoende was om aan artikel 1.08, tweede lid, van het Rpr te kunnen voldoen, kan derhalve niet worden gevolgd.

Het betoog faalt.

10. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich, naast de bemanning aan boord van het vaartuig, gezien artikel 3.16, eerste lid, van het Rsp, nog één lichtmatroos aan boord had moeten bevinden. [appellante] voert daartoe aan dat zich ten tijde van de inspectie, naast twee schippers en een stuurman met een schipperspatent, nog een tweede stuurman aan boord van het vaartuig bevond. Nu een stuurman een hogere vakbekwaamheid heeft dan een volmatroos en een lichtmatroos, was ten tijde van de inspectie aan de ingevolge artikel 3.16, eerste lid, van het Rsp vereiste minimumbemanning voldaan. Deze bepaling vereist niet dat zich, naast de bemanning die feitelijk aan boord was, nog een lichtmatroos aan boord had moeten bevinden, aldus [appellante].

10.1.

Artikel 3.16, eerste lid, van het Rsp bepaalt het aantal bemanningsleden dat minimaal aan boord van een vaartuig moet zijn en de kwalificaties waaraan minimaal moet zijn voldaan. Nu zich ten tijde van de inspectie een stuurman met een schipperspatent aan boord van het vaartuig bevond, moest de bemanning ten minste uit vijf bemanningsleden bestaan. Ingevolge artikel 3.02 van het Rsp voldoet een stuurman aan de kwalificaties van een volmatroos en een lichtmatroos en ingevolge bijlage 11.1 bij de Binnenvaartregeling is de boete bij een bemanningstekort van één volmatroos hoger dan bij een tekort van één lichtmatroos. Gelet daarop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat nu één stuurman de volmatroos kon vervangen er een bemanningstekort was van één lichtmatroos.

Het betoog faalt.

11. [appellante] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan hetgeen zij in eerste aanleg over de proportionaliteit van de boete heeft aangevoerd. [appellante] voert daartoe aan dat zij in eerste aanleg heeft gewezen op de kwalificaties van de bemanningsleden die zich ten tijde van de inspectie aan boord van het vaartuig bevonden, dat zij, gelet op die bemanning, de veiligheid van de scheepvaart als bedoeld in artikel 1.08, tweede lid, van het Rpr heeft verzekerd en dat de bemanning, zou daar een lichtmatroos aan zijn toegevoegd, ver overgekwalificeerd zou zijn geweest. Verder heeft zij in eerste aanleg gewezen op de op de website www.rijksoverheid.nl gepubliceerde inhoud van een door de minister op 5 februari 2014 bij de start van Binnenvaart Logistiek Nederland gehouden toespraak, alsmede op de op 7 juni 2016 door de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangenomen motie van haar leden Van Helvert en Jacobi van 31 mei 2016 (Handelingen II 2015/16, nr. 92, item 11 en Kamerstukken II 2015/16, 31 409, nr. 119). Voorts voert zij aan dat de bemanningsleden aan boord van het vaartuig ten tijde van de inspectie de bij exploitatiewijze B behorende rusttijd hadden genoten.

11.1.

De door [appellante] aangevoerde omstandigheid dat de rusttijden zijn nageleefd, behoeft geen bespreking, gezien hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.2 is overwogen.

11.2.

De minister heeft in haar toespraak te kennen gegeven zich in te zetten voor de modernisering van wet- en regelgeving. De minister heeft de bemanningsregels daarbij als voorbeeld genoemd, omdat bepaalde functies aan boord, zoals de functies van machinist/motordrijver en volmatroos, technisch niet meer nodig zijn en voor sommige voorgeschreven functies geen opleidingen meer bestaan. De op 7 juni 2016 aangenomen motie behelst een verzoek aan de regering om rondom de voor de zee- en binnenvaart geldende bemannings- en arbeidstijdenregels een instructie aan de ILT te geven om anticiperend te gaan handhaven en in overleg met de branche de regels te gaan evalueren. De toespraak van de minister noch de motie hebben geleid tot aanpassing van de regelgeving in de zin dat de boetebedragen wegens het nalaten om tijdens de vaart voortdurend de minimumbemanning aan boord te hebben, zijn verlaagd. Met ingang van 1 juli 2015 heeft de minister deze boetebedragen zelfs aanzienlijk verhoogd. Nu uit hetgeen [appellante] heeft aangevoerd voorts niet blijkt dat regelgeving in voorbereiding is die, zou die ten tijde van de inspectie hebben gegolden, tot een lagere boete zou hebben geleid, is in de toespraak van de minister noch in de motie grond gelegen voor het oordeel dat de aan [appellante] opgelegde boete te hoog is. Gezien hetgeen hiervoor onder 9.1 en 10.1 is overwogen, geldt hetzelfde voor het beroep van [appellante] op de bemanningsleden, die zich ten tijde van de inspectie aan boord van het vaartuig bevonden, en hun kwalificaties, alsmede voor haar stelling dat de veiligheid van de scheepvaart daardoor was verzekerd. Hoewel de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan hetgeen [appellante] in eerste aanleg over de proportionaliteit van de boete heeft aangevoerd, kan het aldus aangevoerde, gezien het hiervoor overwogene, niet met toepassing van artikel 5:46, derde lid, van de Awb tot een matiging van de boete leiden. Gelet daarop kan het daarover in hoger beroep aangevoerde betoog niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

Het betoog faalt.

Conclusies

12. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het van rechtswege tegen het besluit van 18 april 2017 ontstane beroep is eveneens gegrond. De Afdeling zal dat besluit wegens strijd met artikel 5:4, tweede lid, van de Awb vernietigen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellante] tegen het besluit van 13 oktober 2015 ingestelde beroep gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens wegens strijd met artikel 5:4, tweede lid, voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 15 mei 2015 te herroepen, de bestuurlijke boete vast te stellen op € 500,00 en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 13 oktober 2015.

13. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juli 2016 in zaak nr. 15/7383;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 13 oktober 2015, kenmerk 071501242/07, gegrond;

IV. vernietigt dat besluit van 13 oktober 2015;

V. verklaart het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van de minister van Infrastructuur en Milieu van 18 april 2017, kenmerk 071501242/11, gegrond;

VI. vernietigt dat besluit van 18 april 2017;

VII. herroept het besluit van de minister van Infrastructuur en Milieu van 15 mei 2015, kenmerk 071501242/02;

VIII. bepaalt dat de hoogte van de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op € 500,00;

IX. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 13 oktober 2015;

X. veroordeelt de minister van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XI. veroordeelt de minister van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.227,50 (zegge: tweeduizend tweehonderdzevenentwintig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XII. gelast dat de minister van Infrastructuur en Milieu aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 834,00 (zegge: achthonderdvierendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Slump w.g. Robben

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2017

610.

BIJLAGE

De Awb

Artikel 5:1

1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

2. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

Artikel 5:2

1. In deze wet wordt verstaan onder:

a. bestuurlijke sanctie: een door een bestuursorgaan wegens een overtreding opgelegde verplichting of onthouden aanspraak;

b. […];

c. bestraffende sanctie: een bestuurlijke sanctie voor zover deze beoogt de overtreder leed toe te voegen.

Artikel 5:4

1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend.

2. Een bestuurlijke sanctie wordt slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven.

Artikel 5:46

3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

4. Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

Het Wetboek van strafrecht

Artikel 1

2. Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.

Artikel 23

3. De geldboete die voor een strafbaar feit ten hoogste kan worden opgelegd, is gelijk aan het bedrag van de categorie die voor dat feit is bepaald.

4. Er zijn zes categorieën:

[…];

de vierde categorie, € 16 750 [Red: Per 1 januari 2014: € 20.250.] ;

[…].

De Binnenvaartwet

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:

[…]

gezagvoerder: degene die het gezag voert over een schip;

[…]

Onze Minister: Onze Minister van […] [Infrastructuur en Milieu];

[…]

werkgever:

1°. degene jegens wie de gezagvoerder krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die gezagvoerder aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid welke die derde gewoonlijk doet verrichten;

2°. degene aan wie de gezagvoerder ter beschikking is gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°; of

3°. degene die zonder werkgever als bedoeld onder 1° of 2° te zijn, de gezagvoerder onder zijn gezag arbeid doet verrichten;

[…].

Artikel 22

1. Overeenkomstig bindende besluiten van instellingen van de Europese Gemeenschappen dan wel anderszins ter uitvoering van verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties worden bij ministeriële regeling regels gesteld voor bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van schepen met betrekking tot de vaartijden en bemanningssterkte, de uitrustingsstukken van binnenschepen en de hiermee verband houdende eisen.

2. In het belang van de veiligheid van de vaart kan de regeling, bedoeld in het eerste lid, aanvullende regels bevatten inzake:

a. de vaartijden van schepen;

b. de samenstelling van de minimumbemanning van in die regeling aan te wijzen soorten schepen en categorieën daarvan en bij te onderscheiden exploitatiewijzen, alsmede de aan bemanningsleden te stellen eisen;

c. eisen aan de deskundigheid van bemanningsleden, waaronder begrepen opleiding en ervaring;

d. de rusttijden van de bemanningsleden.

7. De gezagvoerder of de werkgever zijn verplicht tot naleving van:

a. het bepaalde krachtens het eerste en tweede lid, onderdelen a tot en met c;

b. het tot hen gerichte krachtens het tweede lid, onderdeel d, bepaalde; en

c. […].

9. Het is verboden te handelen in strijd met dit artikel.

Artikel 48

1. Onze Minister kan aan degene die handelt in strijd met de artikelen […] 22, negende lid, […] een bestuurlijke boete opleggen.

2. De bestuurlijke boete die ten hoogste kan worden opgelegd komt overeen met de boete van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

4. Bij ministeriële regeling worden de boetebedragen voor de beboetbare feiten vastgesteld.

De Binnenvaartregeling

Artikel 1.7

3. De werkgever van de bemanning van een schip dat de Rijn bevaart is verantwoordelijk voor de naleving van [artikel] 2.02, eerste lid, […] van het Rsp.

Artikel 1.9

1. Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek is van kracht het Rsp, met inbegrip van de daarbij behorende bijlagen, dat is opgenomen in bijlage 1.9.

2. Onverminderd het eerste lid is op de Rijn in Nederland, met inbegrip van de Waal en de Lek, van toepassing:

a. […];

b. mits tijdens de vaart de Duits-Nederlandse grens in de ene of de andere richting niet wordt overschreden:

[…];

4°. de rusttijden bedoeld in het [Atbv], hoofdstuk 5 Binnenvaart.

Artikel 11.1

1. De bedragen van de bestuurlijke boete op overtredingen als bedoeld in de artikelen […] 22, negende lid, van de wet zijn opgenomen in tabel 1 in bijlage 11.1 bij deze regeling.

2) Het boetebedrag wordt met 50% verminderd indien de boete wordt opgelegd aan een gezagvoerder in loondienst.

Het Atbv

Artikel 5.5:4

1. De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig, dat een bemanningslid dat arbeid verricht bij exploitatiewijze A2, een rusttijd heeft van ten minste 8 uren, waarvan ten minste 6 uren ononderbroken in een aaneengesloten tijdruimte van 24 uren, te rekenen vanaf het einde van iedere ononderbroken rusttijd van ten minste 6 uren.

2. De in het eerste lid bedoelde ononderbroken rusttijd is gelegen buiten de vaartijd.

Het Rpr

Artikel 1.08

2. Ieder schip moet een bemanning hebben, voldoende in aantal en geschiktheid om de veiligheid van de opvarenden en die van de scheepvaart te verzekeren.

3. Aan deze [voorwaarde] wordt geacht te zijn voldaan wanneer […] de bemanning en de bedrijfsuitoefening in overeenstemming zijn met de voorschriften van het [Rsp].

Het Rsp

Artikel 1.01

In dit Reglement wordt verstaan onder:

[…];

4. motorschip: een schip dat voor het vervoer van goederen bestemd is en door middel van zijn eigen mechanische middelen tot voortbeweging zelfstandig kan varen;

[…];

9. duwboot: een schip dat speciaal gebouwd is voor het voortbewegen van een duwstel;

[…];

11. duwbak: een schip dat gebouwd of specifiek uitgerust is om te worden geduwd;

[…];

19. hecht samenstel: een duwstel of een gekoppeld samenstel;

20. duwstel: een hecht samenstel van vaartuigen, waarvan er ten minste één geplaatst is vóór het schip of de twee schepen met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het samenstel en worden aangeduid als ‘duwboot’ of ‘duwboten’. Hieronder wordt ook een duwstel verstaan dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd vaartuig waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;

[…];

25. bemanning: de dekbemanning en de machinisten;

26. minimumbemanning: de voorgeschreven minimumbemanning overeenkomstig in de artikelen 3.14 tot 3.21 van dit reglement;

[…].

Artikel 2.02

1. De bemanning en het veiligheidspersoneel die zich overeenkomstig het [Rpr] aan boord moeten bevinden van schepen die de Rijn bevaren, dienen in overeenstemming te zijn met de voorschriften van dit reglement. De voor de desbetreffende exploitatiewijze en vaartijd voorgeschreven bemanning en veiligheidspersoneel moeten zich tijdens de vaart voortdurend aan boord bevinden. Het is niet toegestaan zonder de voorgeschreven bemanning of zonder het veiligheidspersoneel te vertrekken. […]

Artikel 3.01

Tot de leden van de bemanning behoren de dekbemanning en het machinekamerpersoneel. Leden van de dekbemanning zijn de deksman, de lichtmatroos (scheepsjongen), de matroos, de matroos-motordrijver, de volmatroos, de stuurman en de schipper. […]

Artikel 3.02

De leden van de bemanning moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

1. […];

2. voor de lichtmatroos (scheepsjongen): een minimumleeftijd van 15 jaar en het bezit van een schriftelijk bewijs van inschrijving bij een opleiding die bestaat uit het bezoekenvan een vakschool voor schippers of het volgen van een door de bevoegde autoriteit erkende, schriftelijke cursus die voor een gelijkwaardig diploma opleidt;

3. voor de matroos:

a. a) een minimumleeftijd van 17 jaar en

- een met goed gevolg afgeronde opleiding zoals genoemd in het tweede lid, of

- een met goed gevolg afgelegd eindexamen aan een vakschool voor schippers, of

- een met goed gevolg afgelegd, door een bevoegde autoriteit erkend examen voor matroos;

of

b) een minimumleeftijd van 19 jaar en

een vaartijd als lid van een dekbemanning van ten minste drie jaar hebben, waarvan ten minste één jaar in de binnenvaart en twee jaar hetzij in de binnenvaart, hetzij in de zee- of kustvaart dan wel de visserij vervuld moeten zijn;

4. […]

5. voor de volmatroos:

a. a) een vaartijd van ten minste één jaar als matroos in de binnenvaart en

- een met goed gevolg afgeronde opleiding, zoals genoemd in het tweede lid, of

- een met goed gevolg afgelegd eindexamen aan een vakschool voor schippers, of

- een met goed gevolg afgelegd, door een bevoegde autoriteit erkend examen voor matroos,

of

b) een met goed gevolg afgesloten driejarige opleiding als bedoeld in het tweede lid of een met goed gevolg afgelegd eindexamen na een opleiding van ten minste 3 jaar aan een vakschool voor schippers, indien deze opleiding ten minste één jaar vaartijd in de binnenvaart omvat;

of

c) een vaartijd in de binnenvaart van ten minste één jaar als matroos, zoals bedoeld in het derde lid, onderdeel b, en een met goed gevolg afgelegd praktijkexamen als bedoeld in bijlage D7, onderdeel 3.1, van dit reglement;

of

d) een vaartijd in de binnenvaart van ten minste twee jaar als matroos, zoals bedoeld in het derde lid, onderdeel b;

6. voor de stuurman:

a. a) een vaartijd in de binnenvaart van ten minste één jaar als volmatroos of van ten minste drie jaar als matroos, zoals bedoeld in het derde lid, onder b;

of

b) het bezit van een vaarbewijs, afgegeven overeenkomstig Richtlijn 96/50/EG, of van een vaarbewijs zo als bedoeld in bijlage I van Richtlijn 91/672/EEG;

of

c) een vaartijd in de binnenvaart van ten minste vier jaar en het bezit van een aan het grote patent gelijkwaardig vaarbevoegdheidsbewijs;

Artikel 3.16

1. De minimumbemanning van hechte samenstellen en andere hechte samenstellingen bestaat uit:

2)De stuurman moet in het bezit zijn van het overeenkomstig dit reglement vereiste schipperspatent.

*) In dit artikel omvat het begrip ‘duwbak’ ook motorschepen zonder eigen in werking gestelde voortstuwingswerktuigen en sleepschepen. Bovendien is de volgende gelijkwaardigheid van toepassing: 1 duwbak = meerdere bakken met een totale lengte van niet meer dan 76,50 m en een totale breedte van niet meer dan 15 m.