Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2530

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
201700105/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:8880, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 mei 2015 heeft de burgemeester de winkel ‘[bedrijf]’ aan de [locatie] te Schiedam (hierna: de winkel) gesloten voor de duur van vier weken met ingang van 16 mei 2015.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/988

Uitspraak

201700105/1/A3.

Datum uitspraak: 20 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], handelend onder de naam [bedrijf], wonend te Schiedam,

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2016 en 21 november 2016 in zaak nr. 15/7969 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Schiedam.

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2015 heeft de burgemeester de winkel ‘[bedrijf]’ aan de [locatie] te Schiedam (hierna: de winkel) gesloten voor de duur van vier weken met ingang van 16 mei 2015.

Bij besluit van 3 november 2015 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 10 oktober 2016 heeft de rechtbank de burgemeester opgedragen om het door haar in het besluit van 3 november 2015 geconstateerde gebrek te herstellen.

Bij uitspraak van 21 november 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 november 2015 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. T. van der Weijde, rechtsbijstandverlener te Rijswijk, is verschenen. Overwegingen

Inleiding

1.    Toezichthouders van het domein Integrale Veiligheid van de gemeente Schiedam hebben op 2 mei 2015 een bezoek aan de winkel gebracht naar aanleiding van een melding dat vanuit de winkel mogelijk illegale gokactiviteiten worden gefaciliteerd. In de opslagruimte van de winkel troffen de toezichthouders een ijzeren staaf en een aangebroken fles sterke drank aan, alsmede een laptop waarop programma’s stonden die worden gebruikt om illegaal gokken mogelijk te maken. In de verkoopruimte van de winkel troffen de toezichthouders achter de verkoopbalie een cricketbat en twee keukenmessen aan en in de kassa op de verkoopbalie een flesje pepperspray. Verder hebben de toezichthouders in de kassa op en in een lade van de verkoopbalie een gokbriefje aangetroffen. De toezichthouders hebben hun bevindingen vastgelegd in een rapport van 4 mei 2015.

1.1.    De politie, Eenheid Rotterdam District Rijnmond-Noord Wijkpolitie, heeft bij brief van 4 mei 2015 een ‘Advies bestuurlijke maatregel’ aan de burgemeester gegeven. Hierin staat dat in de winkel wapens zijn aangetroffen die klaarlagen voor onmiddellijk gebruik. Deze wapens vallen onder de Wet wapens en munitie (hierna: de Wwm) en worden niet standaard gebruikt bij het uitbaten van een winkel. De politie concludeert dat de openbare orde en veiligheid ernstig in gevaar is gebracht en adviseert de burgemeester om gepaste bestuurlijke maatregelen te nemen.

1.2.    De burgemeester heeft in de bevindingen van de toezichthouders aanleiding gezien om op grond van artikel 2.41a van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schiedam (hierna: de APV) en met toepassing van spoedeisende bestuursdwang de winkel voor de duur van twee weken te sluiten. Deze beslissing heeft hij op 4 mei 2015 op schrift gesteld. [appellant] heeft geen rechtsmiddelen tegen dit besluit aangewend.

Besluitvorming

1.3.    Bij besluit van 13 mei 2015 heeft de burgemeester de sluiting van de winkel met vier weken verlengd. Daartoe heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat op 2 mei 2015 wapens in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie II onder 6, en categorie IV onder 7, van de Wwm in de winkel zijn aangetroffen. De wapens lagen voor onmiddellijk gebruik gereed en worden niet standaard gebruikt bij het uitbaten van een winkel. Daarom heeft de burgemeester aangenomen dat de wapens geen ander doel dienden dan het toebrengen van letsel aan personen of hiermee te dreigen. Bovendien konden bezoekers van de winkel de wapens eenvoudig pakken. Gelet op deze omstandigheden vormt de aanwezigheid van de wapens in de winkel volgens de burgemeester een ernstig gevaar voor de openbare orde en de veiligheid. Daarbij heeft de burgemeester in aanmerking genomen dat de toegang tot de winkel zeer laagdrempelig is. De burgemeester heeft de aanwijzingen dat illegaal wordt gegokt in de winkel en de omstandigheid dat er een aangebroken fles sterke drank in de winkel is aangetroffen, als een bevestiging gezien voor zijn beeld dat [appellant] de exploitatie van de winkel niet op orde had.

    Bij het bepalen van de duur van de sluiting heeft de burgemeester aansluiting gezocht bij het Handhavingsarrangement horeca Schiedam 2013 - 2017 (hierna: het Handhavingsarrangement). In het Handhavingsarrangement wordt de vondst van wapens als een zeer ernstig incident aangemerkt waarop een sluiting voor de duur van maximaal zes maanden volgt. De burgemeester heeft zich in dit licht op het standpunt gesteld dat een verlenging van de sluiting met een periode van vier weken proportioneel is en noodzakelijk is voor het herstel van de openbare orde in de winkel en de omgeving. [appellant] kan deze periode ook gebruiken om zijn exploitatie weer op orde te brengen. De burgemeester heeft geen bijzondere omstandigheden gezien op grond waarvan het treffen van de maatregel achterwege moet worden gelaten. De financiële belangen van [appellant] wegen volgens de burgemeester niet op tegen het belang dat is gemoeid met handhaving van de openbare orde.

    De burgemeester heeft zijn besluit tot sluiting van de winkel voor de duur van vier weken in bezwaar gehandhaafd.

Tussenuitspraak rechtbank

2.    In de tussenuitspraak heeft de rechtbank beoordeeld of de aangetroffen voorwerpen wapens zijn. In dit kader heeft zij overwogen dat pepperspray onder alle omstandigheden als een wapen in de zin van de Wwm moet worden aangemerkt. [appellant] heeft in het gesprek in het kader van de zienswijze tegen het voornemen van de sluiting verklaard dat de pepperspray is vergeten door een klant en in bezwaar dat hij niet wist dat pepperspray verboden was. Eerst in beroep heeft [appellant] verklaard dat hij niet wist dat het om pepperspray ging. Die verklaring wijkt zodanig af van wat eerder is verklaard, dat de rechtbank daaraan geen geloof heeft gehecht. De rechtbank heeft voorts overwogen dat [appellant] geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van de aangetroffen keukenmessen. Als de messen worden gebruikt voor het openen van dozen valt zonder nadere verklaring niet in te zien waarom de messen onder de verkoopbalie lagen en niet in het magazijn. In dit verband heeft de rechtbank voorts nog overwogen dat [appellant] eerder heeft verklaard dat de messen er al heel lang lagen, dat hij niets met de messen deed en dat hij er geen erg in had dat de messen er lagen. Deze verklaringen doen afbreuk aan de in beroep gegeven verklaring. In de omstandigheden waarin de messen zijn aangetroffen heeft de burgemeester de messen naar het oordeel van de rechtbank terecht als wapens aangemerkt. Voorts heeft [appellant] geen aannemelijke verklaring gegeven voor de aangetroffen cricketbat. Als [appellant] de cricketbat uit nostalgische overwegingen bewaarde, valt niet in te zien waarom deze in een hoek achter de verkoopbalie stond. Mede gelet op de aangetroffen messen en pepperspray, heeft de burgemeester de cricketbat naar het oordeel van de rechtbank terecht als wapen aangemerkt. De rechtbank heeft ten aanzien van de aangetroffen ijzeren staaf overwogen dat deze niet direct voorhanden was. [appellant] heeft verklaard dat de staaf van zijn buurman is en heeft ter onderbouwing daarvan verklaringen van zijn buurman en neef overgelegd. Onder deze omstandigheden heeft de burgemeester de aangetroffen ijzeren staaf volgens de rechtbank ten onrechte als wapen aangemerkt. Het vorenstaande in aanmerking genomen, is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de burgemeester op goede gronden heeft vastgesteld dat er meerdere wapens in de winkel aanwezig waren.

    Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanwezigheid van wapens in een voor het publiek toegankelijke ruimte een verstoring van de openbare orde oplevert. Bij de afweging of de burgemeester op grond hiervan mocht overgaan tot sluiting van de winkel is volgens de rechtbank van belang dat bij klanten en buurtbewoners niet bekend was dat in de winkel wapens aanwezig waren en dat de wapens door de politie in beslag zijn genomen. Voorts is volgens de rechtbank van belang dat [appellant] geen antecedenten op het terrein van wapens of geweld heeft en dat de winkel voorafgaande aan de in beroep bestreden sluiting met toepassing van spoedeisende bestuursdwang voor twee weken gesloten is geweest. Tegen deze achtergrond heeft de burgemeester naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom de openbare orde vereiste dat de winkel na afloop van de sluiting van twee weken voor nog vier weken gesloten moest worden. De rechtbank heeft de enkele verwijzing naar het Handhavingsarrangement onvoldoende geacht, omdat daarin slechts algemene uitgangspunten zijn geformuleerd die bovendien zijn toegesneden op de horeca. De rechtbank heeft de burgemeester in de gelegenheid gesteld om het motiveringsgebrek dat aan het besluit van 3 november 2015 kleeft, te herstellen.

Nadere motivering

3.    De burgemeester heeft in een brief van 21 oktober 2016 een nadere motivering voor de sluiting gegeven. Hierin heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat het Handhavingsarrangement is toegepast omdat de winkel vergelijkbaar is met een horecabedrijf. Hij heeft in aanmerking genomen dat de belangen die aan het Handhavingsarrangement ten grondslag liggen dezelfde zijn voor winkels en dat de toegang tot de winkel laagdrempeliger is, omdat ook minderjarigen de winkel kunnen betreden. Volgens het Handhavingsarrangement wordt het aantreffen van wapens gezien als een zeer ernstig incident, waarvoor een spoedsluiting van maximaal twee weken en daaropvolgend een sluiting van zes maanden kan worden bevolen. In dit geval heeft de burgemeester een sluiting van vier weken noodzakelijk geacht om de openbare orde en de woon- en leefsituatie te herstellen. Daartoe heeft hij redengevend geacht dat er op 2 mei 2015 naast wapens ook verschillende voorwerpen zijn aangetroffen die duiden op het faciliteren van illegaal gokken. De sluiting was nodig om de loop naar de winkel voor illegale gokactiviteiten eruit te kunnen halen en de bekendheid van de winkel als zodanig te kunnen opheffen. In zijn brief heeft de burgemeester er voorts op gewezen dat er op 13 augustus 2014 ook al aanwijzingen voor illegale gokactiviteiten waren. Op deze datum en op 26 juni 2015 en 19 februari 2016 zijn voorts verschillende overtredingen van de Drank- en Horecawet geconstateerd. [appellant] is verschillende keren op de overtredingen aangesproken, maar wil niet meewerken aan opheffing van deze overtredingen, aldus de burgemeester.

Einduitspraak rechtbank

4.    Gelet op de bevindingen van het rapport van 4 mei 2015, die door [appellant] niet zijn betwist, is volgens de rechtbank voldoende aannemelijk dat er illegaal werd gegokt in de winkel. Illegale gokactiviteiten leveren een schending van de openbare orde op. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester zich gelet op de gokactiviteiten in combinatie met de in de winkel aangetroffen wapens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de winkel na de eerste sluiting van twee weken langer gesloten moest blijven om de loop naar de winkel voor illegale gokactiviteiten eruit te halen en de bekendheid van de winkel als plek waar illegaal gegokt kon worden te kunnen opheffen. De burgemeester heeft daarbij volgens de rechtbank terecht betrokken dat [appellant] kennelijk in de eerdere controle op illegale gokactiviteiten op 13 augustus 2014 geen aanleiding heeft gezien om te waarborgen dat er vanuit de winkel niet meer illegaal werd gegokt.

    De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester erin is geslaagd het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen. Gelet hierop heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 3 november 2015 gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten.

Hoger beroep

5.    [appellant] kan zich niet met het oordeel van de rechtbank verenigen en heeft daarom hoger beroep tegen de tussenuitspraak en einduitspraak van de rechtbank ingesteld. Hieronder zal de Afdeling de beroepsgronden die [appellant] daartegen heeft aangevoerd, bespreken. Artikel 2:41a, eerste lid, van de APV vormt hierbij het juridisch kader. Deze bepaling luidt: "De burgemeester kan, indien de openbare orde dit naar zijn oordeel vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een inrichting als bedoeld in paragraaf 3.1 of hoofdstuk 3 - of een bij dat gebouw behorend erf."

Aanwezigheid wapens

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aangetroffen messen en cricketbat niet als wapens in de zin van de Wwm konden worden aangemerkt. Hij heeft verschillende verklaringen ten aanzien van de messen gegeven, maar deze sluiten elkaar niet uit. De rechtbank heeft volgens [appellant] voorts ten onrechte getwijfeld aan zijn verklaring dat hij de cricketbat uit nostalgische overwegingen bewaarde. Dat de cricketbat in een hoek achter de verkoopbalie stond is daarvoor onvoldoende. Ten aanzien van de pepperspray betoogt [appellant] dat hij niet wist en ook niet had kunnen weten dat het flesje dat hij voor een klant bewaarde pepperspray bevatte. Ook de toezichthouders wisten dit niet, nu zij pas nadat zij tranende ogen kregen, doorhadden dat het om pepperspray ging. Bovendien, zo betoogt [appellant], mocht hij erop vertrouwen dat de voorwerpen geen wapens waren, aangezien de meeste daarvan ook al in de winkel aanwezig waren tijdens drie eerdere controles en de toezichthouders toen niets over de aanwezigheid van deze voorwerpen hebben gezegd.

6.1.    Artikel 2, eerste lid, van de Wwm bepaalt: "Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën." Vervolgens worden vier categorieën van wapens genoemd. In dit geval zijn categorie II, onder 6, en categorie IV, onder 7, relevant.

6.2.    In categorie II, onder 6, zijn vermeld voorwerpen, bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen.

    Niet in geschil is dat de pepperspray onder deze categorie valt en daarom een wapen is. De gestelde omstandigheid dat [appellant] niet zou hebben geweten dat het om pepperspray ging doet hier niet aan af. Deze omstandigheid is immers geen relevant criterium bij de vaststelling of het voorwerp een wapen is.

In categorie IV, onder 7, zijn vermeld voorwerpen waarvan, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en die niet onder een van de andere categorieën vallen.     

    Ten aanzien van de messen is van belang dat het gaat om grote keukenmessen die zijn aangetroffen in een lade schuin onder de kassa, achter de verkoopbalie. [appellant] heeft uiteenlopende verklaringen ten aanzien van het gebruik van deze messen gegeven. Tijdens de controle op 2 mei 2015 heeft hij verklaard dat de messen er al heel lang lagen en hij er niets mee deed en tijdens een zienswijzegesprek dat hij er geen erg in had dat de messen in de lade lagen. In beroep en in zijn hogerberoepschrift heeft hij verklaard dat hij deze messen gebruikte om dozen open te snijden die hij vanuit het magazijn naar de winkel bracht. Ter zitting is namens [appellant] verklaard dat hij één mes gebruikte om dozen te openen en dat hij met het andere mes niets deed. Onder deze omstandigheden twijfelt de Afdeling met de rechtbank aan de juistheid van de gegeven verklaringen. Daarbij komt dat het gebruik van de messen voor het openen van dozen gelet op de grootte van de messen niet heel erg voor de hand ligt. Dit brengt de Afdeling tot het oordeel dat de burgemeester redelijkerwijs heeft kunnen aannemen dat de messen bestemd zijn om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen.

    Ten aanzien van de cricketbat is van belang dat deze staand in een hoek achter de verkoopbalie is aangetroffen en daarmee voor onmiddellijk gebruik gereed was. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [appellant] zijn verklaring dat hij de cricketbat om nostalgische redenen bewaarde, niet aannemelijk heeft gemaakt. Gelet hierop en gelet op de aangetroffen messen en pepperspray, heeft de burgemeester redelijkerwijs kunnen aannemen dat de cricketbat bestemd is om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen.

    Gelet op het voorgaande is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester de messen en cricketbat terecht als wapens heeft aangemerkt. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat de burgemeester hiermee in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel de burgemeester de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat hij de messen en cricketbat niet als wapens zou aanmerken. De omstandigheid dat toezichthouders, werkzaam in dienst van de gemeente, tijdens eerdere controles niets over de aanwezigheid van de messen en cricketbat hebben gezegd, is daartoe onvoldoende.

Noodzakelijkheid en proportionaliteit

7.    Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de sluiting van de winkel voor de duur van vier weken niet noodzakelijk en niet proportioneel was. Daarbij wijst hij erop dat de voorwerpen die als wapens zijn aangemerkt in beslag zijn genomen, niet toegankelijk waren voor winkelend publiek en niet bedoeld, dan wel herkenbaar waren als wapen. Ook wijst hij erop dat hij geen antecedenten had op het gebied van wapens of gebruik van geweld. De door de burgemeester naar voren gebrachte overtredingen van 26 juni 2015 en 19 februari 2016 hebben plaatsgevonden na sluiting van de winkel en konden volgens [appellant] daarom niet ten grondslag liggen aan de besluitvorming. [appellant] betwist dat in de winkel illegaal werd gegokt. Hij stelt dat de aangetroffen laptop van een vriend was en dat hij geen kennis heeft van de op de laptop geïnstalleerde programma’s en de manier waarop deze kunnen worden gebruikt. Voorts betoogt [appellant] dat hij door het besluit onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Daarbij wijst [appellant] erop dat hij door de sluiting een groot inkomensverlies heeft geleden. Dit verlies loopt verder op, nu de reputatie van zijn winkel is beschadigd, waardoor hij contracten heeft verloren en klanten wegblijven, aldus [appellant].

7.1.    In het rapport van 4 mei 2015 is vermeld dat tijdens de controle op 2 mei 2015 een laptop en twee gokbriefjes in de winkel zijn aangetroffen. De voedingskabel voor de laptop is aangetroffen onder een tafel en was aangesloten op netstroom. Uit een nader onderzoek naar de laptop, dat is bijgevoegd als bijlage 2 bij het rapport, blijkt dat de laptop niet was voorzien van een accu. Hierdoor is werking zonder netstroom onmogelijk, hetgeen met zich brengt dat op het moment dat de voedingsadapter uit de laptop wordt gehaald deze onmiddellijk uitvalt en eventuele wijzigingen worden verwijderd. Op de laptop is een programma met kansspelsoftware aangetroffen, waarmee een verbinding kon worden gemaakt met sportwedstrijden en "Xlive", een softwareprogramma waarmee geld kan worden ingezet op sportwedstrijden, alsmede een logbestand met vermelding van een transactie. Tevens zijn op de laptop programma’s aangetroffen waarmee illegaal gokken kon worden gefaciliteerd, namelijk programma’s om een computer op afstand te besturen en een programma om eerdere handelingen te wissen. Gelet op deze omstandigheden is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat vanuit de winkel illegaal werd gegokt.

7.2.    Zoals hiervoor onder 6.2 is overwogen, waren tijdens de controle op 2 mei 2015 wapens in de winkel aanwezig. De aanwezigheid van wapens in een voor publiek toegankelijke ruimte levert, zoals de rechtbank in navolging van de burgemeester heeft overwogen, een verstoring van de openbare orde op. Hetzelfde geldt voor illegale gokactiviteiten. Gelet op de ernst van deze verstoringen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de openbare orde een verlenging van de sluiting van de winkel vereist. Hij heeft in dit geval een sluitingsduur van vier weken in redelijkheid noodzakelijk kunnen achten om de loop naar de winkel voor illegale gokactiviteiten eruit te halen en de bekendheid van de winkel als plek waar illegaal gegokt kon worden te kunnen opheffen. Daarbij heeft de burgemeester in aanmerking mogen nemen dat tijdens een controle op 13 augustus 2014 ook aanwijzingen voor illegale gokactiviteiten in de winkel zijn gevonden. In het van deze controle opgemaakte rapport staat vermeld dat in de winkel diverse blaadjes met namen en geldbedragen zijn aangetroffen alsmede een laptop, waarmee blijkens de zoekgeschiedenis van de internetbrowser meerdere malen de website www.livescore.com was bezocht. Ook staat daarin vermeld dat in het magazijn een tweede laptop stond die al aan stond, maar door [appellant] opnieuw werd opgestart toen de toezichthouder de laptop bekeek.

7.3.    De burgemeester heeft gezien de ernst van de ordeverstoring in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang bij het beëindigen en beëindigd houden van de verstoringen dan aan het belang van [appellant] bij het geopend blijven van de winkel. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de burgemeester de winkel na afloop van de spoedsluiting in redelijkheid voor vier weken heeft kunnen sluiten.

In stand laten rechtsgevolgen

8.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot het in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit van 3 november 2015. De burgemeester heeft eerst in de brief van 21 oktober 2016 een rechtvaardiging voor de sluiting gegeven. Deze rechtvaardiging ontbrak in bezwaar en tijdens de zitting in beroep, zodat het besluit van 3 november 2015 hierop niet kan zijn gebaseerd, aldus [appellant].

8.1.    De rechtbank heeft het besluit van 3 november 2015 vernietigd, omdat daarin volgens haar onvoldoende was gemotiveerd waarom de openbare orde vereiste dat de winkel na afloop van de spoedsluiting voor nog eens vier weken moest worden gesloten. Gelet op hetgeen hiervoor onder 7.1 tot en met 7.3 is overwogen, heeft de burgemeester dit motiveringsgebrek met de nadere motivering die hij in zijn brief van 21 oktober 2016 heeft gegeven, hersteld. De rechtbank heeft hierin naar het oordeel van de Afdeling terecht aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht over te gaan tot het in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit van 3 november 2015.

Conclusie

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraken van de rechtbank, voor zover aangevallen, dienen te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraken van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, griffier.

w.g. Borman    w.g. Binnema

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2017

589.