Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2526

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
201606714/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:3874, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2015 heeft de korpschef van politie een aanvraag van [appellant] om een jachtakte voor het seizoen 2015-2016 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201606714/1/A3.

Datum uitspraak: 20 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 juli 2016 in zaak nr. 16/1323 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2015 heeft de korpschef van politie een aanvraag van [appellant] om een jachtakte voor het seizoen 2015-2016 afgewezen.

Bij besluit van 10 maart 2016 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 augustus 2017, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Faasse, en de korpschef van politie, vertegenwoordigd door mr. M. van de Vall en H.J. van Beek, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De van belang zijnde bepalingen zijn bijgevoegd in een bijlage achter deze uitspraak.

2.    Aan het besluit van 10 maart 2016 heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat uit een uittreksel uit de Justitiële Documentatie blijkt dat [appellant] op 20 november 2014 een strafbeschikking voor overtreding van artikel 141, tweede lid, aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht, openlijke geweldpleging, is aangeboden, welke hij heeft aanvaard en onherroepelijk is geworden op 5 januari 2015. Deze overtreding is volgens de staatssecretaris een (ernstige) aantasting van de rechtsorde en leidt ertoe dat geen wapens en munitie aan [appellant] kunnen worden toevertrouwd. Voor zover [appellant] erop heeft gewezen dat de strafbeschikking van [medeverdachte], een medeverdachte, is ingetrokken, heeft de staatssecretaris van belang geacht dat uit een brief van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) van 29 september 2015 blijkt dat de strafzaak niet nogmaals kan worden beoordeeld omdat [appellant] reeds heeft betaald en de beslissing onherroepelijk is geworden. Verder heeft het OM vermeld dat bij een herbeoordeling van de zaak wederom tot het opleggen van een strafbeschikking zou worden overgegaan. Hieruit heeft de staatssecretaris afgeleid dat volgens het OM het geval van [medeverdachte] niet gelijk is aan het geval van [appellant]. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat het niet aan hem is om de strafzaak opnieuw te beoordelen. Ten aanzien van een toezegging van een politiefunctionaris aan [appellant] dat betaling van de strafbeschikking geen gevolgen zou hebben voor zijn jachtakte heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat [appellant] hieraan geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen. De staatssecretaris heeft geconcludeerd dat de korpschef de jachtakte terecht heeft geweigerd.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en dat aanleiding bestond gebruik te maken van de bevoegdheid om af te wijken van het in de Circulaire Wapens en Munitie 2015 (hierna: CWM 2015) neergelegde beleid. Daartoe voert [appellant] aan dat hij ten onrechte is aangemerkt als verdachte bij het incident in een trein dat tot oplegging van de strafbeschikking heeft geleid. Medeverdachte [medeverdachte] is voor hetzelfde feitencomplex eveneens een strafbeschikking aangeboden. Deze strafbeschikking heeft het OM later echter ingetrokken, terwijl ook [medeverdachte] het bedrag reeds had betaald. Het standpunt dat de staatssecretaris in navolging van het OM heeft ingenomen dat een reeds betaalde strafbeschikking niet meer kan worden ingetrokken is dus onjuist. De personen die aanvankelijk als slachtoffers zijn aangemerkt bij het incident heeft de politie uiteindelijk als daders aangemerkt. Verder zijn ontlastende verklaringen achtergehouden, aangezien hij tot op heden geen inzage heeft gekregen in zijn complete strafdossier en dat van zijn medeverdachten. Hij heeft derhalve geen eerlijk proces gehad, hetgeen in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Ook in de omstandigheid dat het OM telefonisch had toegezegd dat zijn strafbeschikking ook zou worden ingetrokken had de staatssecretaris aanleiding moeten zien nader onderzoek te doen, aldus [appellant].

3.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in dit geval, waarin het alleen gaat om de handhaving van de eerste weigering van de jachtakte sinds het geweldsincident in de trein, de staatssecretaris het besluit niet onzorgvuldig heeft voorbereid en de staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen afzien van gebruikmaking van zijn bevoegdheid om af te wijken van de CMW 2015.

    Reeds op de hoorzitting in administratief beroep heeft [appellant] naar voren gebracht dat de strafbeschikking van [medeverdachte], die voor hetzelfde feitencomplex een strafbeschikking had gekregen, is ingetrokken. Hierin heeft de voorzitter aanleiding gezien [appellant] de gelegenheid te geven om contact op te nemen met het OM en te vragen naar de stand van zaken ten aanzien van de aan hem opgelegde strafbeschikking. De gemachtigde van [appellant] heeft vervolgens zowel telefonisch contact als via de mail contact gehad met het OM. Daarin heeft hij er onder meer op gewezen dat [appellant] en [medeverdachte] bij hetzelfde incident betrokken waren, beiden een strafbeschikking opgelegd hebben gekregen, beiden deze hebben betaald, maar dat alleen de strafbeschikking van [medeverdachte] is ingetrokken. Weliswaar heeft een medewerker van het OM telefonisch toegezegd dat de aan [appellant] opgelegde strafbeschikking zou worden herzien en ingetrokken, maar op 29 september 2015 heeft het OM schriftelijk meegedeeld dat de strafbeschikking reeds is voldaan en onherroepelijk is geworden. Volgens het OM is het niet meer mogelijk de zaak nogmaals te beoordelen en de vervolgingsbeslissing te wijzigen. Ten overvloede heeft het OM meegedeeld dat ook bij een herbeoordeling van de zaak tot het opleggen van een strafbeschikking zou worden gekomen. Tot slot heeft het OM zich geëxcuseerd voor de foutieve informatie die telefonisch is meegedeeld.

    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris in zijn besluit van belang heeft mogen achten dat de aangevoerde feiten en omstandigheden het OM, ondanks dringend verzoek van de gemachtigde van [appellant], er niet toe hebben bewogen om de strafbeschikking in te trekken. Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris toegelicht dat uit de processen-verbaal blijkt dat de situatie van [appellant] niet gelijk is aan die van [medeverdachte], omdat [appellant] in tegenstelling tot [medeverdachte] niet uit zelfverdediging handelde en omdat [appellant] heeft bekend aan een ander daadwerkelijk letsel te hebben toegebracht. Nu [appellant] ervoor heeft gekozen de strafbeschikking te voldoen en de strafzaak niet te laten voorkomen voor de strafrechter, dient van de strafbeschikking te worden uitgegaan. De strafbeschikking wegens openlijke geweldpleging levert een aantasting van de rechtsorde op en doet twijfel ontstaan aan het verantwoord zijn van de te maken uitzondering op het verbod om wapens en munitie voorhanden te hebben. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris nader onderzoek had moeten doen naar het incident dat heeft geleid tot de oplegging van de strafbeschikking. Er was evenmin aanleiding voor de staatssecretaris om de opgemaakte strafdossiers van [appellant] en zijn medeverdachten naar aanleiding van het incident te verstrekken. [appellant] wordt dan ook niet gevolgd in het aangevoerde dat hij in strijd met artikel 6 van het EVRM, geen eerlijk proces heeft gehad.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen aan de toezegging van een politiefunctionaris dat betaling van de strafbeschikking geen gevolgen zou hebben voor de verlening van de jachtakte. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de politiefunctionaris op persoonlijke titel advies heeft gegeven, aangezien hij dit niet van de politiefunctionaris heeft begrepen en ook niet heeft hoeven begrijpen, aldus [appellant].

4.1.    De toezegging die aan [appellant] zou zijn gedaan betreft een advies van een politiefunctionaris uit de naaste omgeving van [appellant]. De rechtbank heeft terecht overwogen dat deze politiefunctionaris niet bevoegd was tot het doen van de toezegging, voorzover daarvan sprake is, en dat die toezegging niet in redelijkheid kon worden toegerekend aan de korpschef, die gaat over het verlenen van jachtakten.

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. D.A.C. Slump, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Niane-van de Put, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Niane-van de Put

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2017

805. BIJLAGE

EVRM

Artikel 6

1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. […]

Flora- en faunawet, zoals deze ten tijde van belang luidde

Artikel 39,

1. Een jachtakte, valkeniersakte of kooikersakte wordt geweigerd indien:

[…]

e. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben misbruik zal maken of hierdoor een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen;

[…]

CWM 2015, zoals deze ten tijde van belang luidde

B. Bijzonder deel

1.4.4.1. Verlening en verlenging

[…]

Overeenkomstige toepassing beoordeling jachtaktes

Op basis van het bepaalde in paragraaf 1.2 van het Bijzonder deel (B) van de circulaire, onder ‘relatie met flora- en faunawet’, vindt de beoordeling van het vrees voor misbruik-criterium ten behoeve van de verstrekking en verlenging van jachtaktes ook plaats conform het hierboven omschreven beoordelingsproces.

[…]

1.2. Invulling van het ‘vrees voor misbruik’ criterium

Wapens en munitie vormen een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft.

Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich […] dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.

Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering - ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State - voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering (zie hierna).

Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in dit onderdeel een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’.

Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen.

Bij dergelijk onderzoek kan blijken van:

a.  veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;

b.  andere omtrent de aanvrager bekende feiten.

Ad a. (veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken)

Strafbare feiten

De aanvrager of houder van een in de Wet wapens en munitie genoemde vergunning mag op het moment van de aanvraag en tijdens het houderschap niet:

[…]

b. binnen de laatste acht jaren bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld wegens:

[…]

2. het plegen van een misdrijf waarbij geweld of bedreiging met geweld heeft plaatsgevonden;

[…]

c. binnen de laatste vier jaren bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd;

[…]

Transacties en strafbeschikkingen

Vrijwillige betaling van een geldsom, als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht (een transactie met het Openbaar Ministerie), of als bedoeld in artikel 257a, 257b en 257ba van het Wetboek van Strafvordering (een strafbeschikking, opgelegd door het Openbaar Ministerie of door een opsporingsambtenaar) wordt gelijk gesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.

[…]

Afwijking termijnen

Er is ruimte om (gemotiveerd) van bovengenoemde leidraad af te wijken. De korpschef kan indien het gaat om een (toekomstig) vergunninghouder een kortere periode hanteren als de aard of de ernst van de verweten gedragingen, de kans op recidive, de recente persoonlijke ontwikkelingen van de betrokkene, de pleegdatum of eventuele disculperende omstandigheden dat toelaten. Zo hoeft bijvoorbeeld een incidentele veroordeling wegens rijden onder invloed, of een lichte onregelmatigheid met betrekking tot de naleving van de aan een vergunning verbonden voorschriften en beperkingen, niet zonder meer te leiden tot intrekking of weigering van een vergunning maar kan dit, afhankelijk van de omstandigheden, worden afgedaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.

[…]

Bij gebleken illegaal wapenbezit, ongeoorloofd wapengebruik, ernstige geweldsdelicten, drugsdelicten of een lange reeks van strafbare feiten is er alle reden zware maatstaven aan te leggen ten aanzien van de periode waarover de aanvrager zal moeten aantonen zich aan de wettelijke normen te kunnen houden. Afwijking (naar beneden) van bovengenoemde leidraad zal in die gevallen zwaar moeten worden gemotiveerd.

[…]

Relatie met de Flora- en Faunawet

Indien er grond is om aan te nemen dat van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben misbruik zal worden gemaakt dan wel dat de aanvrager hierdoor een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen, dan dient een gevraagde jachtakte te worden geweigerd (zie artikel 39, eerste lid, aanhef en onder e, van de Flora- en Faunawet). De jachtakte wordt ingetrokken indien de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie dan wel van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of indien er anderszins aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd (zie artikel 41, eerste lid, aanhef en onder c, van de Flora- en Faunawet). De termen ‘vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ in de WWM en de hierboven weergegeven termen in de Flora- en Faunawet vallen inhoudelijk samen.

Hetgeen hierboven omtrent ‘vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ is aangegeven, geldt derhalve ook bij de toepassing van de Flora- en Faunawet.