Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2515

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
201607420/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Kernen Buren, derde herziening" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/989

Uitspraak

201607420/1/R1.

Datum uitspraak: 20 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Eck en Wiel, gemeente Buren,

en

de raad van de gemeente Buren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Kernen Buren, derde herziening" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant] heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.

[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant], de raad en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2017, waar [appellant], vergezeld van [gemachtigde] en bijgestaan door mr. H.P.J.G. Berkers, rechtsbijstandverlener te 's-Hertogenbosch, en de raad, vertegenwoordigd door G.J. van Rhijn BSc, BPA en E.J.L. Kuijs, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [belanghebbende], bijgestaan door [gemachtigden].

Tijdens deze zitting is tevens behandeld het beroep van Villa Kakelbont Kinderopvang B.V. tegen het besluit van de raad van 28 juni 2016. Op dat beroep zal de Afdeling te zijner tijd afzonderlijk uitspraak doen onder nr. 201607420/2/R1.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het vastgestelde plan is een zogenoemd veegplan voor de kernen en bedrijventerreinen binnen de gemeente Buren. Een dergelijk plan, dat jaarlijks wordt vastgesteld, bevat naast ambtshalve wijzigingen van het vorige plan een bundeling van juridisch-planologische regelingen ten behoeve van initiatieven waaraan de raad medewerking wil verlenen.

    Het plan "Kernen Buren, derde herziening" ziet onder meer op de gronden van de fysiotherapiepraktijk van [belanghebbende] aan de [locatie 1] te Eck en Wiel. Het plan strekt ertoe de uitbouw van deze praktijk tot een fitnesscentrum met een openbaar toegankelijk zwembad te legaliseren. [appellant], die naast de praktijk woont op het perceel [locatie 2], kan zich daarmee niet verenigen in verband met zijn vrees dat hierdoor zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast. [appellant] vreest met name geluidhinder vanwege het in werking zijn van het fitnesscentrum.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Typering van het gebied

3.    [appellant] voert aan dat in het rapport van Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing van 22 juni 2015 dat de raad mede aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, ten onrechte tot uitgangspunt is genomen dat de omgeving van het fitnesscentrum een "gemengd gebied" vormt als bedoeld in de Brochure Bedrijven en Milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Volgens hem heeft het gebied het karakter van een "rustige woonwijk" en dienen daarom striktere eisen te worden gesteld aan de maximale geluidbelasting door het fitnesscentrum dan de raad heeft gedaan.

3.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat hij het gebied terecht heeft gekarakteriseerd als "gemengd gebied" in de zin van de Brochure Bedrijven en Milieuzonering.

3.2.    De StAB kan zich verenigen met de typering van het gebied als "gemengd gebied" als bedoeld in de Brochure Bedrijven en Milieuzonering.

3.3.    Ter zitting is naar voren gekomen dat het fitnesscentrum aan de rand van de kern Eck en Wiel ligt, in de onmiddellijke nabijheid van het terrein van een voormalig transportbedrijf. Het is de bedoeling dat het terrein waarop dat bedrijf was gevestigd, ook in de toekomst voor bedrijfsdoeleinden wordt benut, dit overeenkomstig de daarop rustende bestemming. Verder bevindt zich aan de overzijde van de Adam van Delenstraat een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw dat in eigendom is bij [appellant]. Op het desbetreffende perceel rust een agrarische bestemming. In de onmiddellijke omgeving bevinden zich voorts een camping en een terrein dat in gebruik is bij een tennisvereniging. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de omgeving gelet hierop en op het vermelde in het deskundigenbericht mogen typeren als "gemengd gebied" als bedoeld in de Brochure Bedrijven en Milieuzonering en de beoordeling van de akoestische situatie daarop mogen afstemmen. Het betoog van [appellant] faalt.

Geluid vanuit het gebouw van het fitnesscentrum

4.    [appellant] heeft de vrees uitgesproken dat hij geluidhinder zal ondervinden van activiteiten die binnen het gebouw van het fitnesscentrum plaatsvinden. Hij heeft daarbij in het bijzonder het oog op muziekgeluid dat de fitnessactiviteiten begeleidt. [appellant] wijst er in dit verband op dat het bestemmingsplan niet voorziet in de verplichting om tijdens het in werking zijn van het fitnesscentrum de ramen en deuren gesloten te houden. Het gesloten houden van de ramen en deuren zou volgens [appellant] alleen mogelijk zijn als het fitnesscentrum wordt voorzien van mechanische ventilatie. De geluidbelasting van een dergelijke installatie is bij de besluitvorming echter niet onder ogen gezien, zo stelt [appellant]. [appellant] ondersteunt een en ander met een akoestisch rapport van Het Geluidburo van 4 oktober 2016 dat in zijn opdracht is opgesteld.

4.1.    De raad wijst erop dat onderzoek door Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing heeft uitgewezen dat geluid vanuit het gebouw van het centrum niet of nauwelijks hoorbaar is ter plaatse van woningen van derden, zelfs indien geen geluidsscherm zou worden gerealiseerd. De raad merkt verder op dat het college van burgemeester en wethouders in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer inmiddels maatwerkvoorschriften voor het fitnesscentrum heeft vastgesteld die onder meer strekken tot het gesloten houden van ramen en deuren. Het desbetreffende besluit is inmiddels in rechte onaantastbaar, aldus de raad. Het geluid van installaties voor ventilatie is volgens de raad niet relevant ten opzichte van het geluid dat anderszins wordt geproduceerd als gevolg van het in werking zijn van het fitnesscentrum.

4.2.    De StAB heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de raad dat geluid vanuit de gebouwen niet of nauwelijks hoorbaar is ter plaatse van woningen van derden. Over het geluidrapport van Het Geluidburo merkt de StAB in dit verband op dat het deels ziet op handhavingsaspecten die niet direct relevant zijn voor de beoordeling van het plan.

4.3.    Tot het fitnesscentrum behoren naast het gebouw van het eigenlijke centrum een bedrijfswoning en een open terrein. Aan de gronden als geheel is, behoudens een klein deel met de bestemming "Verkeer", in het plan de bestemming "Maatschappelijk" toegekend. De gronden van het gebouw van het fitnesscentrum hebben daarnaast de functieaanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - paramedische praktijk, zwembad en trainingsruimte" gekregen.

    Ingevolge artikel 7, lid  7.1.1, van de planregels, betekent dit dat ter plaatse uitsluitend maatschappelijke voorzieningen en maatschappelijke dienstverlening in de vorm van een paramedische praktijk, zwembad en trainingsruimte zijn toegestaan.

4.4.    Bij het geluidrapport van Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing van 22 juni 2015 is een meetverslag van datzelfde bureau van 21 mei 2014 gevoegd. In dat verslag worden voor de activiteiten "Aerobics normaal muziekniveau", "Aerobics verhoogd muziekniveau" en "Drums Alive" binnen de oefenruimte langtijdgemiddelde geluidniveaus genoemd van onderscheidenlijk 78,2, 83,2 en 88,0 dB(A). Daarin is niet alleen het muziekgeluid, maar ook het stemgeluid van de instructeur verdisconteerd. Geconstateerd is dat dit geen hoorbare of meetbare geluidbelasting oplevert ter plaatse van woningen van derden.

    Naar moet worden aangenomen heeft Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing dit laatste vastgesteld in de situatie waarbij de activiteiten met gesloten ramen en deuren plaatsvonden. In hetgeen [appellant] naar voren brengt, daaronder begrepen het vermelde in het akoestisch rapport van Het Geluidburo, kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de in het meetverslag van Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing beschreven activiteiten niet representatief zijn voor de maximale geluidproductie vanuit het gebouw van het fitnesscentrum. Verder bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie dat de beschreven activiteiten met gesloten ramen en deuren niet waarneembaar zijn ter plaatse van woningen van derden. In het licht hiervan acht de Afdeling het in ieder geval aannemelijk dat in dit opzicht kan worden voldaan aan de geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De raad mocht ten tijde van het nemen van het besluit tevens betekenis hechten aan het feit dat het mogelijk is om in het kader van het Activiteitenbesluit bij wijze van maatwerkvoorschriften regels in het leven te roepen voor onder meer het openen van ramen en deuren. Inmiddels heeft het college van burgemeester en wethouders hieraan uitvoering gegeven bij besluit van 5 april 2017. Daarin is als maatwerkvoorschrift nr. 5 vastgesteld dat ramen en buitendeuren van ruimten waar op dat moment muziek ten gehore worden gebracht, gesloten moeten worden gehouden, met uitzondering van het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen. Voor zover het gesloten houden van ramen en deuren, zoals [appellant] stelt, alleen mogelijk is wanneer is voorzien in mechanische ventilatie, wordt opgemerkt dat geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat de desbetreffende installatie zodanige geluidniveaus zou opleveren dat niet meer aan de voorschriften van het Activiteitenbesluit zou kunnen worden voldaan. Indien deze voorschriften of de gestelde maatwerkvoorschriften niettemin niet worden nageleefd, heeft het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid daartegen handhavend op te treden. Dit betreft echter een aspect dat buiten het bestek van deze procedure valt.

    Het betoog van [appellant] faalt.

Geluid vanaf het open terrein van het fitnesscentrum

5.    [appellant] betoogt dat, ook na het oprichten van een geluidsscherm, niet wordt voorkomen dat op de tweede bouwlaag van zijn woning de wenselijke grenswaarden voor de maximale geluidniveaus - de zogenoemde piekgeluiden - worden overschreden als gevolg van geluid vanaf het open terrein van het fitnesscentrum. Voorts heeft de raad volgens hem veronachtzaamd dat zich een grote frequentie van hinderlijke piekgeluiden voordoet. Dit wordt onder meer veroorzaakt doordat op het terrein motorrijtuigen van bezoekers worden geparkeerd. In aanmerking genomen dat bezoekers soms al vóór de openingstijd van 07.00 uur arriveren en dat de lessen in het fitnesscentrum van maandag tot en met vrijdag tot 21.30 uur duren, acht [appellant] de bepaling in de planregels dat alleen tussen 07.00 en 20.30 uur gebruik mag worden gemaakt van de eigen parkeerplaats op het terrein, niet handhaafbaar. Verder acht hij het onduidelijk waarop de raad het door hem verwachte aantal verkeersbewegingen heeft gebaseerd. Daarnaast heeft de raad er geen rekening mee gehouden dat een deel van de bezoekers niet per auto maar per scooter of bromfiets komt en dat overlast kan ontstaan door menselijk stemgeluid en claxonneren op de parkeerplaats, aldus [appellant]. Ook ter ondersteuning van dit betoog wijst [appellant] op het akoestisch rapport van Het Geluidburo van 4 oktober 2016.

5.1.    De raad erkent dat zich, ook na plaatsing van een geluidsscherm, tot 20.30 uur geluidwaarden op de gevel van de bovenverdieping van de woning van [appellant] kunnen voordoen die de in de Brochure Bedrijven en Milieuzonering aanbevolen grenswaarden voor de maximale geluidniveaus te boven gaan. Naar zijn mening is dit echter aanvaardbaar omdat tot 20.30 uur naar verwachting vooral wordt verbleven op de begane grond en tot dat tijdstip derhalve met name aan dat deel van de woning bescherming toekomt. Naar de opvatting van de raad bestaat geen grond om aan te nemen dat niet handhavend kan worden opgetreden indien de tijden waarop de eigen parkeerplaats ingevolge de planregels mag worden gebruikt, niet worden nageleefd. Verder heeft een berekening van het aantal verkeersbewegingen plaatsgevonden op basis van publicatie 317 van de CROW ("Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie"), aldus de raad. Die berekening leidt tot de conclusie dat het aantal verkeersbewegingen waarvan het rapport van Vliex Akoestiek van 22 juni 2015 uitgaat, een lichte overschatting vormt. In dat verband wordt erop gewezen dat dit rapport niet de inschatting van [belanghebbende] zelf volgt dat het zou gaan om niet meer dan ongeveer 35 verkeersbewegingen in de dagperiode en ongeveer 10 in de avondperiode. Het rapport neemt integendeel aantallen van 52 verkeersbewegingen voor de dagperiode en van 17 voor de avondperiode tot uitgangspunt. De raad wijst er verder op dat aanvullend onderzoek heeft uitgewezen dat geluid van bromfietsen en scooters er niet toe leidt dat ter hoogte van de maatgevende verdieping van de woning van [appellant] de aanbevolen grenswaarden worden overschreden. Daarnaast is het stemgeluid volgens de raad ondergeschikt aan het geluid van de voertuigen van de bezoekers en is onnodig claxonneren ingevolge de wegenverkeerswetgeving verboden.

5.2.    In het deskundigenbericht van de StAB is vermeld dat het fitnesscentrum zoals dat is voorzien in het plan, feitelijk sinds ongeveer 2009 in deze vorm aanwezig is. Verder is vermeld dat het zwembad beperkt van omvang is en geen voorzieningen als springplanken of glijbanen kent. Daardoor is het gebruik van het zwembad door anderen dan cliënten van de praktijk voor fysiotherapie vooral beperkt tot oud-cliënten en tot jonge kinderen, zo stelt de StAB.

    Blijkens het deskundigenbericht is de raad ervan uitgegaan dat de geluidwering van de tweede bouwlaag van de woning van [appellant] voldoende is om te waarborgen dat in de woning in elk geval geen overschrijding plaatsvindt van de voor het binnenniveau wenselijk geachte grenswaarde van 50 dB(A) voor maximale geluidniveaus. Of de geluidwering hiertoe inderdaad voldoende is, is niet gemeten, maar de StAB acht de mate van geluidwerendheid die de raad heeft aangenomen, niet uitzonderlijk groot. Verder heeft [appellant] zelf al geluidwerende isolatie aangebracht, aldus de StAB.

    Voor zover in het rapport van Het Geluidburo wordt opgemerkt dat geen rekening is gehouden met aan- en afrijdende scooters, wijst de StAB op het nader onderzoek dat de raad inmiddels op dit punt heeft laten verrichten.

5.3.    In reactie op het deskundigenbericht wijst [appellant] erop dat in het bestemmingsplan niet is vastgelegd dat de aard en omvang van het zwembad dienen te blijven als thans het geval is. Daardoor is niet verzekerd dat de openbare toegankelijkheid alleen ziet op oud-cliënten en jonge kinderen. Volgens [appellant] is die beperking er ook feitelijk niet en wordt het zwembad in de praktijk door een ruimere groep gebruikt. [appellant] is dan ook van mening dat de raad het aantal verkeersbewegingen van en naar het fitnesscentrum heeft onderschat. [appellant] merkt tevens op dat de door hem aangebrachte isolatie slechts dient om een tochtruimte tussen de muur en het kozijn te dichten. Er kan in zijn optiek niet van worden uitgegaan dat daardoor ook een noemenswaardige geluidwering wordt verkregen.

5.4.    Artikel 7, lid 7.1.2, aanhef en onder b, van de planregels luidt als volgt: "Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - paramedische praktijk, zwembad en trainingsruimte' is het gebruik van gronden en opstallen gekoppeld aan de volgende voorwaardelijke verplichtingen:

[...]

b. binnen de bestemming Maatschappelijk is parkeren ten behoeve van de (bedrijfs)woning toegestaan; ten behoeve van de maatschappelijke bestemming is parkeren uitsluitend toegestaan voor minder valide bezoekers van de paramedische praktijk, zwembad en/of trainingsruimte, waarbij de volgende aanvullende voorwaarden gelden:

1. er zijn maximaal 8 parkeerplaatsen toegestaan binnen de bestemming;

2. er mag uitsluitend overdag (vanaf 7.00 uur) en in de avond tot maximaal 20.30 uur gebruik worden gemaakt van de parkeerplaatsen binnen de bestemming."

5.5.    De Afdeling stelt met [appellant] vast dat in het bestemmingsplan niet uitdrukkelijk is vastgelegd wat de precieze aard en omvang van het zwembad en de overige bij het fitnesscentrum behorende voorzieningen mogen zijn. Artikel 7 van de planregels kent echter wel een aantal andere bepalingen over het gebruik van het terrein, waarbij onder meer is vastgelegd hoeveel parkeerplaatsen aanwezig mogen zijn en wanneer die mogen worden gebruikt. Voorts bevat dit artikel bepalingen over het bebouwen van het terrein. De aldus gestelde bouwbeperkingen laten een grootschaliger fitnesscentrum in de praktijk niet toe.

    De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat bij een woning als die van [appellant] gedurende de dagperiode en de vroege avondperiode met name de eerste bouwlaag bescherming tegen geluidhinder behoeft en tijdens de late avondperiode en de nachtperiode met name de tweede. Gelet daarop heeft de raad geen overwegende betekenis behoeven toe te kennen aan het feit dat de in de Brochure Bedrijven en Milieuzonering aanbevolen grenswaarden voor het maximale geluidniveau in de vroege avondperiode in meerdere of mindere mate worden overschreden ter hoogte van de tweede bouwlaag. Hierbij is van belang dat mede gelet op het deskundigenbericht aannemelijk is dat wel wordt voldaan aan de waarde van 50 dB(A) voor het binnenniveau, ook indien de aangebrachte isolatie geen noemenswaardige geluidwerende werking zou hebben. Voor zover [appellant] bevreesd is voor een grote frequentie aan piekgeluiden, wordt opgemerkt dat dit consequenties zou hebben voor het langtijdgemiddelde geluidniveau, waarnaar eveneens onderzoek is verricht. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat in dat opzicht wordt voldaan aan de aanbevolen grenswaarden, behoudens een overschrijding met 1 dB op één beoordelingspunt. Dat laatste betreft evenwel de situatie vóór 20.30 uur, gemeten op het niveau van de tweede bouwlaag. De raad mocht ook in dit opzicht betekenis hechten aan het feit dat het mogelijk is om in het kader van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften te stellen. In het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 5 april 2017 zijn in dit verband inmiddels de maatwerkvoorschriften nrs. 1 en 2 vastgesteld bij wijze van afwijkende geluidgrenswaarden en de maatwerkvoorschriften nrs. 3 en 4 over het gebruik van het buitenterrein.

    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, waaronder begrepen hetgeen is vermeld in het rapport van Het Geluidburo, kan geen grond worden gevonden voor de conclusie dat de raad van een onjuist aantal verkeersbewegingen is uitgegaan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat dit aantal in overeenstemming is met de hiervoor genoemde publicatie van de CROW. Verder is niet gebleken dat de planregels niet handhaafbaar zouden zijn. Ter zitting is in dat verband naar voren gekomen dat er fysieke maatregelen kunnen worden getroffen om de parkeerplaatsen voor bezoekers op het open terrein vanaf 20.30 uur af te sluiten. Er bestaat ook geen aanleiding om te betwijfelen of het geluid van scooters en bromfietsen en menselijk stemgeluid correct is beoordeeld. Voor zover [appellant] betoogt dat bezoekers van het fitnesscentrum regelmatig onnodig claxonneren en dat de raad daarmee ten onrechte geen rekening heeft gehouden, overweegt de Afdeling dat dit, gelet op artikel 28 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een aspect van handhaving van de verkeersvoorschriften betreft dat in deze procedure niet aan de orde kan komen.

    Het betoog van [appellant] faalt in dit opzicht. Hierbij is ervan uitgegaan dat langs de grens met het perceel van [appellant] een geluidsscherm met een hoogte van 2 m zal worden opgericht. De vraag of de raad een dergelijk scherm ruimtelijk aanvaardbaar heeft mogen achten, komt hierna aan de orde.

Ruimtelijke aanvaardbaarheid van het te plaatsen geluidsscherm

6.     [appellant] acht de aanwezigheid van het in het plan voorziene geluidsscherm zeer belastend voor hem, nu dit op korte afstand van zijn woning zal worden gerealiseerd.        

6.1.    De raad is van opvatting dat het oprichten van het scherm ruimtelijk aanvaardbaar is. In dat verband merkt de raad op dat een dergelijk scherm ook mogelijk was op grond van het voorheen geldende plan en dat in overleg met [appellant] kan worden bezien welke uitvoering van het scherm het meest wenselijk is.

6.2.    Artikel 7, lid 7.1.2, aanhef en onder a, van de planregels luidt als volgt: "Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - paramedische praktijk, zwembad en trainingsruimte' is het gebruik van gronden en opstallen gekoppeld aan de volgende voorwaardelijke verplichtingen:

a. ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' dient binnen 2 maanden na het onherroepelijk worden van het ruimtelijk plan, een geluidscherm te zijn geplaatst en te worden in stand gehouden, met een breedte van minimaal 20 m, een hoogte van minimaal 2 m en een geluidsisolatiewaarde van minimaal 20 dB(A)."

    Ingevolge artikel 7, lid 7.2.7, onder a, geldt voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, het volgende: "De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde voorgevel(s) dan wel het verlengde daarvan mag niet meer bedragen dan 1 m, met uitzondering van toegangspoorten, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2 m en van een geluidsscherm, ter plaatse van de aanduiding 'geluidsscherm' waarvan de hoogte minimaal 2 m en maximaal 2,5 m mag bedragen."

6.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plaatsen van een geluidsscherm met een hoogte van 2 m ruimtelijk aanvaardbaar is en dat geluidhinder voor de omgeving hierdoor in voldoende mate wordt tegengegaan. Daarbij wordt in beschouwing genomen dat een hoogte van 2 m niet, althans niet in sterke mate, afwijkt van hetgeen gebruikelijk is bij erf- en terreinafscheidingen. Gelet daarop en gezien de situering ten opzichte van de woning van [appellant], behoeft niet te worden gevreesd dat het scherm ernstige visuele hinder oplevert. Voorts wordt in dit verband in aanmerking genomen dat, zoals hiervoor reeds is vermeld, overleg met [appellant] mogelijk is over de materiaalkeuze. Zo is het denkbaar dat in elk geval een deel van het scherm wordt uitgevoerd met transparant materiaal, zodat de lichtintreding in de woning van [appellant] niet of slechts in beperkte mate te lijden zal hebben van het plaatsen van het scherm. [belanghebbende] heeft zich ter zitting nadrukkelijk bereid verklaard om hierover met [appellant] overleg te voeren. In zoverre faalt het betoog van [appellant].

    De Afdeling merkt op dat de hiervoor aangehaalde planregels het echter mogelijk maken dat het scherm een hoogte krijgt van maximaal 2,5 m. Ter zitting is gebleken dat dit niet de bedoeling van de raad is geweest, in aanmerking genomen dat een hoogte van 2 m toereikend wordt geacht om geluidhinder tegen te gaan en een hoger scherm dus onnodig bezwarend dient te worden geacht voor [appellant]. In verband daarmee moet worden geoordeeld dat het besluit in dit opzicht niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en zich niet verdraagt met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het betoog van [appellant] slaagt in zoverre.

Conclusie

7.    Gelet op het vermelde onder 6.3 is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit in aanmerking om te worden vernietigd wat het tweede woord "minimaal" in artikel 7, lid 7.1.2, onder a, van de planregels betreft en wat de woorden "minimaal" en "en maximaal 2,5 m" in artikel 7, lid 7.2.7, onder a, betreft. Door de vernietiging te beperken tot deze woorden in de planregels, waarbij in aanmerking wordt genomen dat niet aannemelijk is dat derden hierdoor in hun belangen worden geschaad, behoeft niet opnieuw in de zaak te worden voorzien.

    Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

8.    De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Buren van 28 juni 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kernen Buren, derde herziening", voor zover het het tweede woord "minimaal" in artikel 7, lid 7.1.2, onder a, van de planregels betreft en voor zover het de woorden "minimaal" en "en maximaal 2,5 m" in artikel 7, lid 7.2.7, onder a, van de planregels betreft;

III.    draagt de raad van de gemeente Buren op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onder II wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Buren tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.237,50 (zegge: twaalfhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Buren aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Kranenburg    w.g. Sparreboom

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2017

195.