Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2512

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
201706983/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2016 heeft het college de aanvraag van [verzoeker] om een enkelvoudige vergunning voor het aanbieden van alternatief personenvervoer afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201706983/2/A3.

Datum uitspraak: 20 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker] handelend onder de naam [bedrijf], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2017 in zaak nr. 16/5824 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2016 heeft het college de aanvraag van [verzoeker] om een enkelvoudige vergunning voor het aanbieden van alternatief personenvervoer afgewezen.

Bij besluit van 29 juli 2016 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juli 2017 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 september 2017, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. R.N. van der Ham, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Buis, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat het college wordt opgedragen aan verzoeker toe te staan zijn fietstaxi te exploiteren als ware hij in het bezit van een enkelvoudige vergunning voor het aanbieden van alternatief personenvervoer.

3.    Voor de verlening van vergunningen voor het aanbieden van alternatief personenvervoer hanteert het college het Uitvoeringsbeleid Alternatief personenvervoer 2016 (hierna: het Uitvoeringsbeleid) op grond waarvan het maximaal aantal te vergunnen fietstaxi’s (categorie ‘fietsen met of zonder trapondersteuning’) vanaf 1 april 2016 is vastgesteld op 100.

    Niet in geschil is dat [verzoeker] thans niet langer beschikt over een vergunning voor het aanbieden van alternatief personenvervoer. Indien geen voorlopige voorziening wordt getroffen, zal het hem niet langer worden toegestaan zijn fietstaxi te exploiteren. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat de belangen van [verzoeker] bij het mogen blijven aanbieden van alternatief personenvervoer in afwachting van de uitspraak op het hoger beroep zwaarder wegen dan het algemeen belang bij het toepassen van het Uitvoeringsbeleid. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [verzoeker] met de door hem overgelegde stukken aannemelijk heeft gemaakt dat zijn onderneming niet kan blijven bestaan, indien hij zijn werkzaamheden niet langer kan uitvoeren. Dit gevolg is onomkeerbaar. [verzoeker] heeft voorts aannemelijk gemaakt dat hij voor zijn inkomsten geheel afhankelijk is van de exploitatie van zijn fietstaxi en dat het voor hem, wegens persoonlijke omstandigheden, moeilijk is een vervangende inkomstenbron te vinden. Daarbij komt dat het voor hem in afwachting van de bodemprocedure financieel niet mogelijk is een fietstaxi te huren bij een meervoudige vergunninghouder, zoals het college heeft voorgesteld. Bovendien heeft het college ter zitting te kennen gegeven dat de fietstaxi van [verzoeker] op zichzelf geen overlast veroorzaakt.

    Tegenover deze belangen staat het algemeen belang bij het toepassen van het Uitvoeringsbeleid. Het college heeft in dit kader ter zitting te kennen gegeven dat het vreest dat, indien de gevraagde voorlopige voorziening wordt getroffen, toekomstige afwijzingen van aanvragen om vergunningen voor het aanbieden van alternatief personenvervoer eveneens zullen leiden tot voor ondernemers succesvolle voorlopige voorzieningenprocedures. Hierdoor zou het college het Uitvoeringsbeleid in de praktijk niet kunnen toepassen, omdat fietstaxi’s zonder vergunning jarenlang actief kunnen blijven. De voorzieningenrechter acht deze vrees ongegrond. De situatie van [verzoeker] is, anders dan het college stelt, door zijn persoonlijke en financiële omstandigheden zo specifiek dat het treffen van een voorlopige voorziening in deze procedure er niet zonder meer toe kan leiden dat in eventuele toekomstige procedures over een vergunning voor het aanbieden van alternatief personenvervoer eveneens een voorlopige voorziening zou moeten worden getroffen.

4.    Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter zal voorts, gelet op het algemeen belang bij toepassing van het Uitvoeringsbeleid, bevorderen dat de bodemprocedure zo spoedig als mogelijk is op zitting zal worden behandeld.

5.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat [verzoeker] handelend onder de naam [bedrijf] zijn fietstaxi mag blijven exploiteren als ware hij in het bezit van een enkelvoudige vergunning voor het aanbieden van alternatief personenvervoer totdat op het hoger beroep is beslist;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij [verzoeker] handelend onder de naam [bedrijf] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1016,71 (zegge: duizendzestien euro en eenenzeventig cent), waarvan € 990,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [verzoeker] handelend onder de naam [bedrijf] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Veenboer

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2017

730.