Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2510

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
201702008/1/A1 en 201702008/3/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:719, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2016 heeft het college aan MUG Ingenieursbureau omgevingsvergunning verleend voor het graven van een vaarverbinding tussen De Tijnje en Kurkemeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201702008/1/A1 en 201702008/3/A1.

Datum uitspraak: 20 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te Leeuwarden,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) van 28 februari 2017 in zaak nrs. 17/473 en 17/474 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2016 heeft het college aan MUG Ingenieursbureau omgevingsvergunning verleend voor het graven van een vaarverbinding tussen De Tijnje en Kurkemeer.

Bij uitspraak van 28 februari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

[appellant] en anderen hebben de voorzieningenrechter voorts verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 augustus 2017, waar [appellant A], bijgestaan door mr. B. Korvemaker, advocaat te Leeuwarden, en het college, vertegenwoordigd door M. Kaspers, H. Oppewal en J. Melis, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    De in het project voorziene vaarverbinding maakt onderdeel uit van het door de raad bij besluit van 23 maart 2015 vastgestelde ontwikkelkader "Waterfront".

3.    Het project is in strijd met het bestemmingsplan "Kalverdijkje". Het college heeft voor het project omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).

4.    Artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht luidt:

"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk, [..]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet, [..]."

    Artikel 2.12, eerste lid, luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat; [..]."

    Artikel 2 van de Flora- en faunawet luidde ten tijde van belang:

"1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.

2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voorzover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voorzover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken."

5.    [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 23 december 2016 niet van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien met betrekking tot de kolonie kokmeeuwen die zich in de nabijheid van en deels op de locatie van de voorziene vaarverbinding bevindt. Volgens hen ontbreekt ten onrechte een concreet inrichtings- en beheersplan met betrekking tot het compensatiegebied dat zal moeten worden gerealiseerd. Het project is voorts niet noodzakelijk. Het zal, anders dan het college stelt, niet leiden tot een betere bereikbaarheid van Leeuwarden voor waterrecreanten met vaartuigen uit de DM-klasse. Volgens [appellant] en anderen zal het benodigde baggeren van het Kurkemeer niet plaatsvinden, zodat de voorziene omvang van de vaarverbinding geen nut heeft. Zij betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen, omdat sprake is van een alternatief met een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren.

5.1.    Vast staat dat de vaarverbinding deels is voorzien in het opgroeigebied van de jonge kokmeeuwen van de kokmeeuwenkolonie. Het college heeft aan zijn besluitvorming een rapport van "Natuurtoets Schilkampen Leeuwarden" van adviesbureau John Melis Ecologie van 29 maart 2016 (hierna: de natuurtoets) ten grondslag gelegd. In dit rapport is onder meer geconcludeerd dat door de realisering van de vaarverbinding de jonge kokmeeuwen een groot deel van hun opgroeigebied verliezen en dat gekeken kan worden naar de mogelijkheden om een deel van het rietland om te vormen naar grasland dat het verlies mogelijk kan compenseren. In het rapport is geadviseerd om bij de planning gebruik te maken van een kenner van kokmeeuwen waarbij gedacht kan worden aan een medewerker van bijvoorbeeld SOVON Nederland. In de reactie op de zienswijzen is uiteengezet dat in overleg met de bewoners van Schilkampen, SOVON Nederland en de Vogelbescherming het tracé van de doorsteek zodanig is aangepast en bepaald dat het gebied van de meeuwenkolonie minimaal wordt beïnvloed. Bij de aanleg van de watergang wordt een heel klein deel van het kokmeeuwengebied aangetast. Ter compensatie daarvan wordt ten oosten van het broedgebied een terrein geschikt gemaakt voor de kokmeeuwen. Ter zitting bij de rechtbank is gebleken dat de opsteller van de natuurtoets J. Melis door het college betrokken zal worden bij de totstandkoming van de compenserende maatregelen.

    Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college voldoende gewaarborgd dat de gevolgen van het project voor de kokmeeuwenkolonie door het treffen van compenserende maatregelen zoveel mogelijk zullen worden beperkt en heeft de rechtbank terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing op dit punt niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. De omstandigheid dat ten tijde van de besluitvorming de te nemen compenserende maatregelen, waaronder de exacte locatie van het compensatiegebied, nog niet tot in detail waren uitgewerkt, maakt niet dat geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing. Bovendien is gebleken dat de te nemen compenserende maatregelen na de besluitvorming verder zijn uitgewerkt. Dit heeft geresulteerd in twee rapporten van 14 maart 2017 en 12 juli 2017 van John Melis Ecologie. Uit deze rapporten kan worden afgeleid dat er overleg is met SOVON en dat het college de intentie heeft uitgesproken dat na het inrichten van het compensatiegebied een inrichtings- en beheersplan wordt opgesteld. Dat de thans beoogde locatie van het compensatiegebied is gewijzigd ten opzichte van eerdere plannen maakt niet dat de aan de besluitvorming ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing niet deugt.

    Voor het oordeel dat het project niet noodzakelijk is bestaat geen grond. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het project past binnen het ontwikkelkader "Waterfront" dat als een van de doelstellingen heeft om meer pleziervaart naar Leeuwarden te trekken en dat dit niet beperkt is tot kano’s en sloepen, maar ook ziet op wat grotere recreatievaartuigen zoals kruisers. Het college heeft ter zitting de stelling van [appellant] en anderen dat het Kurkemeer niet gebaggerd zal worden betwist en uiteengezet dat het baggeren dit najaar zal plaatsvinden.

    De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking kan nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Het door [appellant] en anderen aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat daarvan sprake is. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich met betrekking tot het door [appellant] en anderen aangedragen alternatief op het standpunt heeft gesteld dat de beperkte maatvoering afbreuk doet aan de doelstelling van het programma Waterfront om een betere bereikbaarheid te realiseren en het alternatief tot verstoring van natuurwaarden leidt. [appellant] en anderen hebben dit niet gemotiveerd betwist. De eerst ter zitting ingenomen stelling dat sprake is van andere alternatieven dan die waar het college op in is gegaan biedt evenmin grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van een alternatief met een gelijkwaardig resultaat en aanmerkelijk minder bezwaren.

6.    [appellant] en anderen betogen dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ten onrechte heeft kortgesloten nu op verschillende punten onduidelijkheid bestond en de voorzieningenrechter van de rechtbank niet op voorhand kon oordelen dat nader onderzoek geen nieuwe relevante gegevens zou opleveren.

6.1.    Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en hij van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

7.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1297) is de bevoegdheid van de voorzieningenrechter om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak niet beperkt tot de gevallen van kennelijke niet-ontvankelijkheid, kennelijke ongegrondheid of kennelijke gegrondheid. Aan de voorzieningenrechter komt bij de toepassing van de bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak aanzienlijke vrijheid toe.

    Er bestaat, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter van de rechtbank geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb.

    Het betoog faalt.

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Kos

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2017

580.