Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2507

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
201705424/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Poelgeest" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201705424/2/R3.

Datum uitspraak: 20 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoeker B], gevestigd respectievelijk wonend te Oegstgeest,

en

de raad van de gemeente Oegstgeest,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Poelgeest" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker A] en [verzoeker B] beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoekers en de raad hebben nadere stukken ingediend.

[belanghebbende A], [belanghebbende B], [belanghebbende C] en [belanghebbende D] hebben zich aangemeld als derdebelanghebbenden. W.K van Duren, [belanghebbende B] en [belanghebbende C] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 september 2017, waar zijn verschenen [verzoeker A] en [verzoeker B], vertegenwoordigd door mr. E.M. van Bommel, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Lever, advocaat te Leiden. Voorts zijn ter zitting gehoord [belanghebbende A], vertegenwoordigd door mr. R.Th.G. van der Veldt, advocaat te Leiden, [belanghebbende B], vertegenwoordigd door mr. R.J. van Rijn, rechtsbijstandverlener te Leusden, [belanghebbende C], eveneens vertegenwoordigd door mr. R.J. van Rijn, en [belanghebbende D].

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

2.    Het bestemmingsplan "Poelgeest" dat de raad op 20 april 2017 heeft vastgesteld, vervangt onder meer het bestemmingsplan "Poelgeest" dat is vastgesteld op 21 mei 2007. Tot het plangebied van deze bestemmingsplannen behoren gronden in eigendom van [verzoeker A] en [verzoeker B]. Deze gronden liggen aan de oostkant van Oegstgeest, tussen de Haarlemmertrekvaart en de Lange Voort, en worden thans onder meer gebruikt als jachthaven, geëxploiteerd door [verzoeker B]. Aan de gronden van [verzoeker A] en [verzoeker B] is in het bestemmingsplan "Poelgeest" 2007 de aanduiding "Gebied wijzigingsbevoegdheid 2" toegekend. Deze aanduiding biedt het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest de mogelijkheid om een wijzigingsplan vast te stellen voor de realisatie van 14 woningen. Voor een deel van het wijzigingsgebied is enkele jaren geleden een wijzigingsplan vastgesteld om de realisatie van 7 woningen mogelijk te maken. Deze 7 woningen zijn gerealiseerd op gronden in eigendom van de gemeente Oegstgeest. Om de realisatie van de overige 7 woningen door toepassing van een wijzigingsbevoegdheid op de gronden van [verzoeker A] en [verzoeker B] mogelijk te maken, was in het ontwerpbestemmingsplan "Poelgeest" dat begin 2017 ter inzage is gelegd wederom de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 2" toegekend. Deze aanduiding bood de mogelijkheid om voor de realisatie van 7 woningen alsnog een wijzigingsplan vast te stellen. In het op 20 april 2017 vastgestelde bestemmingsplan "Poelgeest" is deze mogelijkheid vervallen doordat de raad in afwijking van het ontwerpplan heeft besloten de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 2" niet toe te kennen aan de gronden van [verzoeker A] en [verzoeker B].

3.    Binnen de termijn van terinzagelegging van het vastgestelde bestemmingsplan "Poelgeest" hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] een verzoek ingediend voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het op 20 april 2017 vastgestelde bestemmingsplan "Poelgeest" is als gevolg van dit verzoek nog niet in werking getreden, waardoor het bestemmingsplan "Poelgeest" uit 2007 thans nog het vigerende planologische regime vormt. [verzoeker A] en [verzoeker B] hebben het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest op 18 april 2017 verzocht toepassing te geven aan de in het bestemmingsplan "Poelgeest" uit 2007 opgenomen wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de realisatie van 7 woningen op de bij hen in eigendom zijnde gronden. Het ontwerpwijzigingsplan voor deze ontwikkeling heeft het college van burgemeester en wethouders met ingang van 24 augustus 2017 voor zes weken ter inzage gelegd. [verzoeker A] en [verzoeker B] verzoeken de voorzieningenrechter de schorsing van het op 20 april 2017 vastgestelde bestemmingsplan "Poelgeest" voor hun gronden in stand te houden, zodat de gestarte procedure omtrent het wijzigingsplan kan worden afgerond.

4.    [belanghebbende A], [belanghebbende B], [belanghebbende C] en [belanghebbende D] wonen nabij de gronden van [verzoeker A] en [verzoeker B]. Zij hebben zienswijzen naar voren gebracht over het ontwerpbestemmingsplan "Poelgeest" waarin zij zich hebben gericht tegen de in het ontwerpplan aan de gronden van [verzoeker A] en [verzoeker B] toegekende aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 2". Zij wensen de realisatie van woningen ter plaatse te voorkomen en verzoeken de voorzieningenrechter daarom het schorsingsverzoek van [verzoeker A] en [verzoeker B] af te wijzen.

Inhoud van het verzoekschrift

5.      [verzoeker A] en [verzoeker B] betogen dat het besluit van de raad van 20 april 2017 om aan hun gronden niet de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 2" toe te kennen, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De vermelding in de zienswijzennota dat de kans dat de met de wijzigingsbevoegdheid voorziene woningen binnen de planperiode zullen worden gerealiseerd zo goed als nihil is, is volgens [verzoeker A] en [verzoeker B] onjuist. Zij voeren daartoe aan dat deze conclusie uitsluitend is gebaseerd op een telefoongesprek van een medewerker van de gemeente met de zoon van [verzoeker B] waarin hij desgevraagd te kennen heeft gegeven dat niet op korte termijn zal worden overgegaan tot realisatie van de woningen. In dit telefoongesprek is volgens [verzoeker B] echter niet medegedeeld dat de planperiode van een bestemmingsplan tien jaar bedraagt. Indien dat was medegedeeld, dan zou te kennen zijn gegeven dat  binnen de planperiode wel degelijk gebruik wordt gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid, aldus [verzoeker B]. Dat een concreet voornemen bestaat binnen de planperiode van de wijzigingsbevoegdheid gebruik te maken, is voorafgaand aan de planvaststelling bij brief van 3 april 2017 en tijdens de raadsvergadering van 6 april 2017 expliciet bevestigd, aldus [verzoeker A] en [verzoeker B]. Het besluit van de raad om de wijzigingsbevoegdheid desondanks niet op te nemen in het vastgestelde bestemmingsplan, achten [verzoeker A] en [verzoeker B] - mede gelet op de vergaande inspanningen die zij in het verleden hebben geleverd om de wijzigingsbevoegdheid te effectueren - in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

5.1.    Ter beoordeling staat of de raad op 20 april 2017, op basis van de op dat moment bij de raad bekende informatie, in redelijkheid heeft kunnen besluiten de door [verzoeker A] en [verzoeker B] gewenste wijzigingsbevoegdheid niet op te nemen in het bestemmingsplan. Anders dan [verzoeker A] en [verzoeker B] betogen, is de voorzieningenrechter er voorshands niet van overtuigd dat het besluit van de raad van 20 april 2017 in de bodemprocedure op dit punt geen stand zal houden. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de raad ter zitting heeft gesteld dat hij op 20 april 2017 bekend was met de wens van [verzoeker A] en [verzoeker B] om binnen de planperiode gebruik te maken van de wijzigingsbevoegdheid, maar daarin geen aanleiding heeft gezien de wijzigingsbevoegdheid opnieuw in het bestemmingsplan op te nemen. De redenen hiervoor zijn volgens de raad dat [verzoeker A] en [verzoeker B] in de lange periode dat het bestemmingsplan "Poelgeest" uit 2007 het geldende planologische regime vormde geen overeenstemming hebben bereikt over de inrichting en ontsluiting van het wijzigingsgebied. Bij het op 18 april 2017 ingediende verzoek om toepassing te geven aan de wijzigingsbevoegdheid was uitsluitend een schets gevoegd, die onvoldoende basis vormde voor de reële verwachting dat [verzoeker A] en [verzoeker B] thans wel binnen de planperiode tot overeenstemming kunnen komen over de exacte invulling van het wijzigingsgebied, aldus de raad. Daarbij heeft de raad meegewogen dat thans sprake is van een voornemen van de initiatiefnemers om, anders dan voorheen het plan was, de exploitatie van de jachthaven in het wijzigingsgebied te handhaven. Gelet hierop en op de omstandigheid dat de wijzigingsbevoegdheid de afgelopen tien jaar onbenut is gebleven, is volgens de raad - mede gelet op de belangen van derden - besloten de wijzigingsbevoegdheid niet opnieuw in het bestemmingsplan op te nemen. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat deze belangenafweging van de raad onredelijk is en in de bodemprocedure geen stand zal houden.

5.2.    Het standpunt van [verzoeker A] en [verzoeker B] dat uit de omstandigheid dat het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest het ontwerpwijzigingsplan ter inzage heeft gelegd, kan worden afgeleid dat het college anders dan de raad wel medewerking wenst te verlenen aan de realisatie van 7 woningen op hun gronden, deelt de voorzieningenrechter evenmin. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de keuze van het college om het ontwerpwijzigingsplan ter inzage te leggen, is gestoeld op de brief van 28 oktober 2014 waarin het college aan [verzoeker A] heeft medegedeeld dat de omstandigheid dat een deel van de wijzigingsbevoegdheid zal worden benut ten behoeve van woningbouw op gronden in eigendom van de gemeente niet tot gevolg heeft dat op de gronden van [verzoeker A] en [verzoeker B] niet langer gebruik kan worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid. De omstandigheid dat in 2014 de bereidheid is uitgesproken een uitgewerkt wijzigingsplan voor de gronden van [verzoeker A] en [verzoeker B] in procedure te brengen, heeft het college doen besluiten het ontwerpwijzigingsplan dat [verzoeker A] en [verzoeker B] in de maanden na de planvaststelling hebben uitgewerkt in ieder geval in procedure te brengen, zo is ter zitting toegelicht. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding aan deze toelichting te twijfelen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan gelet op het vorenstaande uit de enkele medewerking van het college aan het ter inzage leggen van het ontwerpwijzigingsplan in dit geval niet worden afgeleid dat het college, mede gelet op de belangen van derden, uiteindelijk ook over zal gaan tot vaststelling van het wijzigingsplan.

Conclusie

6.    Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van de raad van 20 april 2017 in de bodemprocedure geen stand zal houden. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek van [verzoeker A] en [verzoeker B] om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier.

w.g. Helder    w.g. Van Zuijlen

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2017

810.