Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:25

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
201602936/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:1431, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2015 heeft het college besloten een bestuurlijke boete van € 4.000,- op te leggen vanwege overtreding van artikel 30, eerste lid, van de Huisvestingswet in samenhang met artikel 4.1 en 4.2 van de Huisvestingsverordening van de gemeente Tilburg en tot invordering van deze boete over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2017/84 met annotatie van F.A. Pommer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602936/1/A3.

Datum uitspraak: 11 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Tilburg,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 maart 2016 in zaak nr. 15/5461 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2015 heeft het college besloten een bestuurlijke boete van € 4.000,- op te leggen vanwege overtreding van artikel 30, eerste lid, van de Huisvestingswet in samenhang met artikel 4.1 en 4.2 van de Huisvestingsverordening van de gemeente Tilburg en tot invordering van deze boete over te gaan.

Bij besluit van 1 juli 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 maart 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.B.M. Pessers, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door L.P.A. Janssen en mr. A.M.J. van den Biggelaar, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. appellant] heeft een bestuurlijke boete gekregen omdat hij een woonruimte gedeeltelijk aan de bestemming wonen heeft onttrokken door een slaapkamer in zijn woning in gebruik te hebben voor een hennepplantage. Hij betoogt dat het bewijs voor deze overtreding onrechtmatig is verkregen omdat zonder toestemming en machtiging is binnengetreden. Ook stelt hij dat de woonruimte nog steeds voor gebruik van de bestaande bewoners geschikt is en in de slaapkamer een bed kan staan en er dus geen woonruimte is onttrokken.

Verkregen bewijs

2. [ appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de politie vrijwillig heeft toegelaten in zijn woning. Daartoe overweegt hij dat de politie hem heeft medegedeeld dat het noodzakelijk was dat de ruimtes van zijn woning werden bekeken. Dit blijkt uit het proces verbaal, aldus [appellant]. Vanwege de mededeling dat het noodzakelijk is, kan geen sprake meer zijn van vrijwillig binnentreden, aldus [appellant].

[appellant] betoogt dat een machtiging voor binnentreden ontbrak. Het verkregen bewijs na binnentreden is volgens hem dan ook onrechtmatig verkregen en kan niet dienen als bewijs voor het overtreden van artikel 30, eerste lid, van de Huisvestingswet.

2.1. In het proces-verbaal van bevindingen van 29 december 2014 staat "Ik vertelde de man dat wij vermoeden hadden dat er een hennepkwekerij in het pand aanwezig was en of wij binnen mochten komen. Ik hoorde dat de man zei: ‘kom maar binnen, hij zit boven’ of woorden van gelijke strekking. Ik liep achter de man aan de woning in. Ik zag dat de man naar boven liep en mij een ruimte liet zien waarin ik een in werking zijnde hennepkwekerij aantrof."

[appellant] heeft daarnaast de "toestemming vrijwillig binnentreden ter inbeslagname" ondertekend. Daarin staat onder andere:

"ik, hoofdbewoner, begrijp met het geven van deze vrijwillige toestemming dat:

- een of meerder opsporingsambtenaren mijn woning mogen betreden en daarbij alle ruimtes/kamers mogen bekijken,

- er geen doorzoeking van mijn woning plaats zal vinden. Het bekijken van de ruimtes is louter gericht op het aantreffen van alle goederen die te relateren zijn aan het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, of vervoeren van middelen strafbaar gesteld op lijst II van de Opiumwet.

- ik mijn vrijwillige toestemming elk gewenst moment kan intrekken.

[…]

Ik, hoofdbewoner, heb de toestemming tot het binnentreden en bekijken van de ruimtes in mijn woning bewust en vrijwillig gegeven."

De naam en gegevens van [appellant] zijn op het formulier ingevuld en hij heeft dit ondertekend.

2.2. Gelet op het proces verbaal en de ondertekende toestemming heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] vrijwillig toestemming heeft gegeven voor het binnentreden en het verkregen bewijs niet onrechtmatig is verkregen.

Mogelijkheid bewoning

3. [ appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat het voor de vraag of woonruimte is onttrokken niet uitmaakt hoeveel mensen feitelijk in de woning wonen, maar dat het er om gaat in hoeverre de mogelijkheid om met het maximaal aantal personen in de woning te wonen, wordt beperkt. Hij betoogt daarnaast dat er in de kamer gewoon nog een bed kon staan en daarom geen onttrekking heeft plaatsgevonden.

3.1. De Huisvestingswet is op 1 januari 2015 vervangen door de Huisvestingswet 2014, doch is op dit geding nog van toepassing. De Huisvestingsverordening is op 1 juli 2015 vervangen door de Huisvestingsverordening 2015 en in werking getreden, de oude Huisvestingsverordening is in dit geding nog van toepassing.

3.2. Artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet luidt:

"Het is verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

a. aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is."

Artikel 85a, eerste lid, luidt:

"De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van de artikelen[…] en 30, eerste lid. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete."

Artikel 4.1 van de Huisvestingsverordening luidt:

"Het bepaalde in dit hoofdstuk is van toepassing op alle woningen binnen de Gemeente Tilburg."

Artikel 4.2, eerste lid, luidt:

"Het is verboden om een woonruimte, aangewezen in artikel 4.1, geheel of gedeeltelijk aan de bestemming tot bewoning te onttrekken zonder vergunning van het college. Onder het onttrekken aan de bestemming wordt verstaan het gebruiken voor een ander doel dan permanente bewoning."

3.3. In het proces verbaal van bevindingen van 29 december 2014 staat dat één slaapkamer van de woning gebruikt werd voor een hennepkwekerij. In deze ruimte stonden 40 planten van 40 cm hoog, 12 transformatoren van 400 Watt, 12 assimilatielampen van 400 Watt, een schakelpaneel, 2 ventilatoren, een luchtbevochtiger, watervat met dompelpomp, een irrigatiesysteem, een kachel, koolstoffilters, voedingsmiddelen, droognetten, en andere goederen ten behoeve van de kwekerij. Op de aanwezige thermometer en luchtvochtigheidsmeter stond dat de temperatuur 30,8 graden was en de luchtvochtigheid 92%.

Gelet op de wijze van gebruik en inrichting van de slaapkamer heeft de rechtbank terecht overwogen dat de slaapkamer aan de bestemming tot bewoning was onttrokken en dat aldus artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet en artikel 4.2 van de Huisvestingsverordening waren overtreden.

Dat [appellant] feitelijk altijd met 3 personen in de woning heeft gewoond, ook met de aanwezigheid van de hennepplantage, betekent niet dat geen sprake is van een overtreding. Artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet gaat immers uit van de bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder de onttrekking geschikt is en dus niet van het feitelijk gebruik.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het aantal personen dat feitelijk in de woning woont niet maatgevend is voor de vraag of artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet is overtreden. Doordat de slaapkamer niet langer geschikt is voor bewoning, is de woning voor bewoning door minder bewoners geschikt dan zonder de onttrekking het geval is.

4. [ appellant] heeft ter zitting betoogd dat als al sprake is van woningonttrekking deze van zodanige omvang is dat het college daar bij de hoogte van de boete rekening mee had moeten houden.

4.1. Artikel 85a van de Huisvestingswet, zoals die luidde ten tijde van belang, bepaalt:

"1. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van artikelen […] en 30, eerste lid. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

2 De bestuurlijke boete kan niet hoger zijn dan:

[…]

c. € 18 500 voor overtreding van de artikelen […] en 30, eerste lid."

3. De gemeenteraad stelt bij verordening het bedrag vast van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd.

[…]

Artikel 5.2 van de Huisvestingsverordening bepaalt:

"Overtreding van artikel 30, lid 1, sub a. en c. van de Huisvestingswet kan worden beboet met een bestuurlijke boete van maximaal 18.500 euro."

In de beleidsregels bestuurlijke boete Huisvestingswet is opgenomen:

"Hoogte bestuurlijke boete

Het staat de gemeente vrij de hoogte van de boete te bepalen, mits het wettelijke maximumbedrag van € 18.500,-- per overtreding niet wordt overschreden. De gemeente hanteert dit maximum. De hoogte van de bestuurlijke boete(s) is als volgt bepaald:

Bestuurlijke boete overtreding van art. 30, lid 1, sub a. en c. Huisvestingswet:

Bij herhaling van de overtreding (recidive) wordt dus een hogere boete opgelegd. Verder worden overtredingen die vanuit een bedrijfsmatige exploitatie worden gepleegd zwaarder beboet dan overtredingen waarbij dat niet het geval is.

[…]

Bedrijfsmatige exploitatie

Overtredingen die vanuit een bedrijfsmatige/commerciële exploitatie worden begaan, worden zwaarder beboet dan andere. […] Bij (gedeeltelijke) woonruimteonttrekking ten behoeve van hennepteelt is ook steeds sprake van bedrijfsmatige exploitatie. Er is sprake van gedeeltelijke woningonttrekking door hennepteelt als daardoor een deel van de woonruimte niet meer voor bewoning geschikt is, of wordt gebruikt. Dit hangt af van het concrete geval."

4.2. Ter zitting is door het college toegelicht dat het voor de boeteoplegging niet uitmaakt of de hele woning voor de hennepteelt wordt gebruikt of alleen één kamer. Voor het oordeel of er sprake is van onttrekking wordt betrokken hoe groot de oppervlakte is die gebruikt wordt voor de hennepteelt. Van belang is dat een substantieel deel van de woning wordt gebruikt en dat deel daardoor niet meer kan worden gebruikt voor de bestemming wonen. Het college meent dat dat hier het geval was omdat 25 a 30% van de bovenverdieping in gebruik was voor de hennepkwekerij en niet geschikt voor de woonfunctie vanwege inrichting, gebruik, temperatuur en luchtvochtigheid. Dit betrof een gehele slaapkamer. Deze oppervlakte acht het college substantieel.

4.3. De Afdeling acht het ontbreken van een verdere differentiatie in boetehoogte dan op grond van recidive en bedrijfsmatigheid niet onredelijk. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat bij de beoordeling of sprake is van gedeeltelijke onttrekking wel de oppervlakte en de concrete omstandigheden worden betrokken. Zoals hiervoor onder 3.3 is overwogen heeft het college terecht geoordeeld dat sprake is van onttrekking, welke onttrekking, gelet op hetgeen onder 4.2 is vermeld, als substantieel kan worden aangemerkt. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het college van zijn beleid had moeten afwijken en een lagere boete had moeten opleggen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, griffier.

w.g. Borman w.g. Rietberg

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017

725.