Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2491

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
201609218/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:6324, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201609218/1/V3.

Datum uitspraak: 13 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 4 november 2016 in zaak nr. 16/20113 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 1 september 2016 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 november 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling, die de Marokkaanse nationaliteit heeft, heeft geen rechtmatig verblijf en kan daarom worden uitgezet. De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend om te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft wegens zijn gezondheidstoestand.

2.    De staatssecretaris heeft aan het besluit het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 5 februari 2016 (hierna: het BMA-advies) en de aanvullende nota's van 10 mei 2016 en 19 juli 2016 ten grondslag gelegd.

3.    In het BMA-advies is, voor zover thans van belang, vermeld dat sprake is van een stoornis in de impulscontrole en wellicht ook een posttraumatische stressstoornis bij een man met een theatrale en antisociale persoonlijkheidsstoornis. Tevens is er sprake van zwakbegaafdheid. De medische behandeling van de vreemdeling bestaat uit ongeveer twee keer per maand een gesprek bij het FACT-team LVB (Licht Verstandelijke Beperking) van Altrecht Aventurijn en medicatie. Volgens het BMA-advies kan het ontbreken van een begeleidend netwerk leiden tot een toenemende zelfverwaarlozing en verlies van zelfstandigheid bij zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen dan wel gezien de voorgeschiedenis wederom leiden tot sociale escalaties indien hij zich dan weer heftiger gaat uiten. De BMA-arts acht het ontstaan van een medische noodsituatie op korte termijn als direct gevolg van uitblijven van behandeling niet waarschijnlijk.

    Bij brief van 14 maart 2016 heeft de behandelaar van de vreemdeling, gedragsdeskundige verbonden aan Amerpoort, voor zover van belang, toegelicht dat de vreemdeling sinds 17 februari 2016 op een woonlocatie van Amerpoort verblijft op basis van een CIZ-indicatie, die is toegekend op basis van zijn beperkingen in het psychisch functioneren en geheugenstoornis (verstandelijke beperking), sociale redzaamheid en gedragsproblematiek. De vreemdeling heeft onder andere ondersteuning nodig bij de regulatie van zijn emoties en gedrag. Naast het begeleidingsteam is ook een gedragsdeskundige bij de vreemdeling betrokken.

    Het BMA heeft in de aanvullende nota van 10 mei 2016 vermeld dat deze brief geen nieuwe medische informatie bevat naast hetgeen al bekend was bij het opstellen van het BMA-advies, behalve dat de vreemdeling thans is geplaatst in een woonlocatie van Amerpoort.

    Bij brief van 13 juni 2016 heeft voormelde behandelaar, voor zover hier van belang, toegelicht dat als de vreemdeling niet meer zou verblijven in een woonlocatie van Amerpoort, de kans groot is dat hij de situaties niet meer overziet en hij wordt overvraagd door de omgeving. De deregulatie van emoties zou negatieve gevolgen kunnen hebben voor zijn (psychisch) welzijn. Te denken valt aan lichamelijke verwaarlozing, panieksituaties, geen regulatie van emoties en gedrag waarbij hij een gevaar kan vormen voor zichzelf en/of zijn omgeving (verbale en fysieke agressie).

    Bij brief van 14 juni 2016 heeft de behandelaar, verpleegkundige bij FACT LVB, voor zover van belang, te kennen gegeven dat de vreemdeling niet binnen drie maanden zal overlijden zonder de zorg die hij nu krijgt, maar dat het hem ernstige geestelijke schade kan berokkenen als hij niet begeleid wordt in zijn huidige woonsetting of een vergelijkbare setting.

    Het BMA heeft in de aanvullende nota van 19 juli 2016 gereageerd op voormelde brieven en geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om wat betreft het vermelde verblijf in een woonlocatie van Amerpoort en het ontstaan van een medische noodsituatie tot een gewijzigd BMA-advies te komen. Daarbij heeft de arts van het BMA betrokken dat de behandelaar bij FACT LVB in een eerdere brief van 19 januari 2016, welke brief bij het BMA-advies van 5 februari 2016 is betrokken, heeft vermeld dat de vreemdeling al sinds 1989 illegaal in Nederland verblijft en langere tijd in het daklozencircuit heeft verbleven en ook diverse keren gedetineerd is geweest. Zijn gedrag was toen niet anders dan nu. Zijn klachten waren zelfs iets ernstiger want hij was toen in enige mate psychotisch. In al die jaren tot heden heeft zich geen zodanige crisis voorgedaan dat er gesproken kan worden van een medische noodsituatie.

4.    De rechtbank heeft overwogen dat met de ter zitting afgelegde verklaring van de maatschappelijk medewerker van de stichting MEE voldoende aanknopingspunten zijn ontstaan voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het standpunt van het BMA omtrent het ontstaan van een medische noodsituatie. De maatschappelijk medewerker heeft verklaard dat de vreemdeling over een indicatie beschikt voor intensieve voorziening ingevolge de Wet langdurige zorg. De vreemdeling is bekend met psychiatrische klachten. Hij krijgt veel steun en intensieve begeleiding omdat hij niet zonder hulp van anderen kan. De vreemdeling heeft moeite met "coping" en is niet in staat om zichzelf te handhaven. De zorg die de vreemdeling heeft, is noodzakelijk. Wanneer deze zorg niet geboden wordt, ontstaat er naar de mening van de maatschappelijk werker een medische noodsituatie, aangezien de vreemdeling dan in paniek raakt en alledaagse zaken fout gaan. Dit leidt tot een toename van de psychiatrische klachten bij de vreemdeling. De rechtbank is van oordeel dat de medische stukken en de ter zitting afgelegde verklaring van de maatschappelijk werker voldoende aanleiding vormen om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies, alsmede dat bij het uitzetten van de vreemdeling zonder de zorg die hij thans ontvangt, ernstige geestelijke schade zal ontstaan.

5.    De enige grief van de staatssecretaris is gericht tegen de onder 4 weergegeven overweging. De staatssecretaris voert onder meer aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een maatschappelijk medewerker geen medisch deskundige is wiens verklaringen als contra-expertise kunnen worden aangemerkt en dat het dan ook onduidelijk is op grond van welke expertise hij uitspraken kan doen over het al dan niet ontstaan van een medische noodsituatie. Verder betoogt de staatssecretaris dat een verschil van inzicht over de uit de medische gegevens te trekken conclusie over het ontstaan van een medische noodsituatie op zichzelf niet betekent dat het BMA-advies en de aanvullende nota's van 10 mei 2016 en 19 juli 2016 niet zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn.

5.1.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 15 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1268) moet de staatssecretaris zich er, indien hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, ingevolge artikel 3:2 van de Awb van vergewissen dat dit - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. Indien het advies niet aan deze eisen voldoet, zal het daarop gebaseerde besluit reeds daarom in rechte geen stand kunnen houden.

5.2.    De hiervoor onder 3 genoemde brieven van de behandelaars zijn bij het opstellen van het BMA-advies en de aanvullende nota's van 10 mei 2016 en 19 juli 2016 betrokken, zodat het BMA en de behandelaars zich bij het beoordelen van de medische toestand van de vreemdeling hebben gebaseerd op dezelfde medische gegevens. Voor zover de rechtbank ervan is uitgegaan dat uit de informatie van de behandelaars voortvloeit dat een medische noodsituatie zal ontstaan, heeft zij, zoals de staatssecretaris terecht aanvoert, niet onderkend dat een verschil van inzicht over de uit die gegevens te trekken conclusie op zichzelf niet betekent dat het BMA-advies en de aanvullende nota's van 10 mei 2016 en 19 juli 2016 niet zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 6 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:66). In het BMA-advies en de aanvullende nota's is op voldoende inzichtelijke wijze uiteengezet dat geen medische noodsituatie zal ontstaan.

5.3.    De vreemdeling heeft geen contra-expertise overgelegd. De door de rechtbank tevens van belang geachte informatie van de maatschappelijk medewerker van stichting MEE kan niet als zodanig worden aangemerkt, nu deze informatie niet afkomstig is van een medisch deskundige. Dit wordt door de vreemdeling in de schriftelijke uiteenzetting ook niet betwist.

    Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen, kan deze informatie in samenhang bezien met de informatie van de behandelaars evenmin worden aangemerkt als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de inhoud van het BMA-advies en de aanvullende nota's van 10 mei 2016 en 19 juli 2016, zodat er geen aanleiding is om met toepassing van artikel 8:47 van de Awb een onafhankelijk deskundige te benoemen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674 over het arrest van het Europees Hof voor Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 in de zaak Korošec tegen Slovenië, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212).

    De rechtbank heeft derhalve niet onderkend dat de staatssecretaris heeft voldaan aan zijn vergewisplicht en het BMA-advies en de aanvullende BMA-nota's van 10 mei 2016 en 19 juli 2016 terecht aan het besluit ten grondslag heeft gelegd.

    De grief slaagt.

6.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit toetsen in licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden, voor zover deze nog bespreking behoeven.

7.    De vreemdeling heeft aangevoerd dat de behandelaars van mening zijn dat bij uitblijven van behandeling een medische noodsituatie ontstaat, zodat van belang is of er professionele zorg of mantelzorg in Marokko voorhanden is. Nu een dergelijk onderzoek van het BMA ontbreekt, ontbeert het besluit volgens hem een deugdelijke motivering. Tevens moet worden aangenomen dat zijn terugkeer naar Marokko niet verenigbaar is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

7.1.    Uit hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen, volgt dat de staatssecretaris zich op grond van het BMA-advies en de aanvullende nota's van 10 mei 2016 en 19 juli 2016 terecht op het standpunt heeft gesteld dat het uitblijven van behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Dit impliceert dat voor het BMA geen aanleiding bestond om te onderzoeken of in Marokko behandelmogelijkheden of zorg aanwezig zijn en dat de vreemdeling ten tijde van het nemen van het besluit derhalve niet in de situatie verkeerde dat hij wegens schending van artikel 3 van het EVRM niet kon worden uitgezet (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2437). Er is dus geen sprake van een motiveringsgebrek.

    De beroepsgronden falen.

8.    Het beroep is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 4 november 2016 in zaak nr. 16/20113;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Van Roosmalen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2017

53.