Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2479

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
201604819/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 mei 2016, kenmerk C2084654, heeft het college een vergunning als bedoeld in artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend voor het wijzigen/uitbreiden van de veehouderij aan de [locatie] te Moergestel en geweigerd een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 voor deze veehouderij te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201604819/1/R2.

Datum uitspraak: 13 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellante sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C] en [appellante sub 1D], gevestigd te [plaats] (hierna: [appellant sub 1] en anderen);

2.    Stichting Behoud Leefbaarheid Molenakkers, gevestigd te Moergestel, gemeente Oisterwijk,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2016, kenmerk C2084654, heeft het college een vergunning als bedoeld in artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend voor het wijzigen/uitbreiden van de veehouderij aan de [locatie] te Moergestel en geweigerd een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 voor deze veehouderij te verlenen.

Tegen het besluit omtrent de weigering van de vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 hebben [appellant sub 1] en anderen beroep ingesteld.

Bij besluit van 31 augustus 2016, kenmerk Z/001510, heeft het college het besluit van 18 mei 2016 ingetrokken en een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 verleend voor het wijzigen/uitbreiden van de veehouderij aan de [locatie] te Moergestel (hierna: de Nbw-vergunning).

De Stichting heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant sub 1] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 augustus 2017, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.I.J. Toonders, bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M.J.B. Bruggeman, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het besluit van 31 augustus 2016 is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van het geding. Uit de schriftelijke uiteenzetting van de Stichting blijkt dat zij zich niet kan verenigen met het besluit tot verlening van de Nbw-vergunning. Uit het nader stuk van [appellant sub 1] en anderen blijkt dat volgens hen bij de vergunningverlening ten onrechte is nagelaten te vermelden dat de vergunning tevens een vergunning betreft op grond van artikel 16 van de Nbw 1998.

2.    Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden en is de Nbw 1998 ingetrokken. Omdat de Nbw-vergunning is verleend voor 1 januari 2017, volgt uit artikel 9.10 van de Wnb dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.

Inleiding

3.    De Nbw-vergunning is verleend voor het houden van varkens en runderen in vier stallen met diverse stalsystemen. In de vergunning zijn twee mogelijke veebezettingen met bijbehorende stalsystemen gespecificeerd. Bij de ene veebezetting hoort een totale emissie van 3265,1 kilogram ammoniak per jaar (hierna: kg NH3/jr). Bij de andere veebezetting hoort een totale emissie van 2324,3 kg NH3/jr. Bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de bezetting met de hoogste ammoniakemissie, omdat dat de slechtst mogelijke situatie is voor de hoeveelheid stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats en voormalige beschermde natuurmonumenten.

    Het college heeft geconcludeerd dat de aangevraagde veehouderij, ook in de slechtst mogelijke situatie, geen toename zal veroorzaken van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden en voormalige beschermde natuurmonumenten met stikstofgevoelige habitats ten opzichte van de stikstofdepositie die het gevolg was van de toegestane situatie op de relevante referentiedata. Deze toegestane situatie liet namelijk eveneens een emissie toe van 3265,1 kg NH3/jr op deze locatie, met een gelijke stikstofdepositie als in de maximaal toegelaten situatie op grond van de Nbw-vergunning. Daarom zijn volgens het college significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden en voormalig beschermde natuurmonumenten uitgesloten en kan een vergunning op grond van artikel 16 en artikel 19d van de Nbw 1998 worden verleend.

Het beroep van de Stichting

4.    De Stichting stelt zich op het standpunt dat bij de verlening van de vergunning ten onrechte is uitgegaan van een referentiedepositie die het gevolg is van een emissie van 3265,1 kg NH3/jr. Weliswaar is deze emissie in de milieuvergunning uit 2015 genoemd, maar dit is een zogeheten of/of vergunning en in dit geval had van de laagste toegestane emissie van 2675,2 kg NH3/jr in die vergunning moeten worden uitgegaan. Volgens de Stichting is namelijk niet gebleken dat deze zogeheten of/of vergunning betrekking heeft op alternatieve veebezettingen waarvoor geen aanpassing van de stalsystemen is vereist, zoals het geval was in de situatie die aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2016; ECLI:NL:RVS:2016:1653 en waarop het college zich beroept. De Stichting betoogt dat het college daarom niet kon concluderen dat significante gevolgen voor stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten, nu de toegestane ammoniakemissie in de Nbw-vergunning hoger is dan 2675,2 kg NH3/jr.

4.1.    Het college stelt dat het bij de vaststelling van de referentiesituatie in overeenstemming heeft gehandeld met de jurisprudentie over dit type vergunningen. Weliswaar is in de motivering van de Nbw-vergunning niet vermeld dat voor de alternatieve veebezettingen die staan genoemd in de vergunning uit 2015 geen aanpassing van de stalsystemen is vereist, maar de desbetreffende milieuvergunning is bij de stukken gevoegd die horen bij de aanvraag. Het college stelt dat daaruit blijkt dat in de stallen per afdeling kan worden gekozen tussen speenbiggen of vleesvarkens. Hiervoor hoeft volgens het college de stalindeling niet te worden gewijzigd.

4.2.    De Afdeling overweegt dat voor het bedrijf aan de [locatie] niet eerder een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet (oud) of Nbw 1998 is verleend. In de uitspraak van 13 november 2013; ECLI:NL:RVS:2013:1891 is overwogen dat indien na de referentiedatum een vergunning is verleend voor een activiteit die minder ammoniakemissie tot gevolg heeft dan de op de referentiedatum vergunde situatie en voor de exploitatie niet eerder een vergunning op grond van de Nbw 1998 of de Nbw (oud) is verleend, de op de referentiedatum vergunde situatie slechts voor een deel onderdeel uitmaakt van de aangevraagde situatie. Dit betekent dat bij de beoordeling van de vraag of de aangevraagde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie een vergelijking dient te worden gemaakt tussen de stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen activiteit met de stikstofdepositie in de vergunde situatie met de laagst toegestane ammoniakemissie in de periode vanaf de referentiedatum tot de datum van het nemen van het bestreden besluit. De vergunde situatie met de laagste ammoniakemissie heeft als uitgangspunt te gelden, nu slechts dat deel van de vergunning als voortzetting van het project kan worden aangemerkt.

4.3.    De volgende toestemmingen voor de veehouderij aan de [locatie] zijn van belang. Voorafgaand aan de vroegste referentiedatum van 10 juni 1994 (voor het Vogelrichtlijngebied Kampina & Oisterwijkse Vennen) bestond toestemming voor een veehouderij met een maximale emissie van 4.992,0 kg NH3/jr. Op 7 december 2004 (de referentiedatum voor de relevante Habitatrichtlijngebieden) bestond toestemming voor een veehouderij met een maximale emissie van 5.048,0 kg NH3/jr. Op 14 september 2015 is een omgevingsvergunning verleend aan deze veehouderij waarbij toestemming is gegeven voor een veehouderij met een maximale emissie van 3472,5 kg NH3/jr. Deze vergunning is een zogenoemde of/of vergunning, omdat voor twee stallen alternatieve veebezettingen zijn toegestaan. In de alternatieve situatie kan de emissie 2675,2 kg NH3/jr bedragen. Op grond van de bovengenoemde uitspraak van 13 november 2013 heeft vanaf 14 september 2015 deze vergunde situatie als uitgangspunt te gelden voor de beoordeling van de aanvraag.

    In de uitspraak van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1653 heeft de Afdeling overwogen dat bij de aan de orde zijnde of/of vergunning de referentiesituatie niet hoeft te worden ontleend aan de veebezetting die de laagste ammoniakemissie tot gevolg heeft. Hierbij is van belang dat beide alternatieve veebezettingen niet leiden tot een hogere ammoniakemissie ten opzichte van de vergunde bedrijfssituatie voorafgaand aan de referentiedatum, alsmede dat in dit geval sprake is van het vergund zijn van twee alternatieve veebezettingen waarbij de realisering van de ene veebezetting niet tot gevolg heeft dat de vergunning wat betreft de andere veebezetting van rechtswege komt te vervallen. Dit is het geval als aanpassing van de stallen niet nodig is voor het omschakelen van de ene naar de andere veebezetting.

    Vast staat dat in het voorliggende geval beide alternatieve veebezettingen niet leiden tot een hogere ammoniakemissie ten opzichte van de vergunde bedrijfssituatie voorafgaand aan de referentiedatum. Verder bestaan de alternatieven in de of/of vergunning van 14 september 2015 uit stallen waarin ofwel vleesvarkens, ofwel gespeende biggen mogen worden gehouden. Beide stalsystemen worden aangeduid als systemen met "Mestopvang in en spoelen met aangezuurde vloeistof". Voor vleesvarkens is dit een stal met label BB 93.06.010 V1 en voor gespeende biggen is dit een stal met label BB 94.06.038 V2. Uit de beschrijving van deze labels blijkt dat de uitvoering van de stal voor beide soorten vee gelijk is en alleen de eisen aan het gebruik verschillen. Dit betekent dat tussen de alternatieve situaties kan worden omgeschakeld zonder de stallen aan te passen.

    Op grond hiervan is de Afdeling van oordeel dat het college uit mocht gaan van een referentiesituatie waarin toestemming bestond voor een maximale emissie van 3472,5 kg NH3/jr. Het college heeft dan ook kunnen concluderen dat de aangevraagde veehouderij met een maximale emissie van  3265,1 kg NH3/jr geen toename van stikstofdepositie zal veroorzaken op nabijgelegen Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats ten opzichte van de stikstofdepositie die het gevolg was van de toegestane situatie op de relevante referentiedatum.

    Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen

5.    [appellant sub 1] en anderen stellen dat in het besluit van 31 augustus 2016 ten onrechte is nagelaten te vermelden dat de vergunning ook betrekking heeft op artikel 16 van de Nbw 1998, zoals stond in het besluit van 18 mei 2016.

5.1.    De Afdeling stelt vast dat de motivering van de Nbw-vergunning is gericht op zowel artikel 16 als artikel 19d van de Nbw 1998. In de motivering staat ook vermeld dat de vergunning mede ingevolge artikel 16 van de Nbw 1998 wordt verleend. Verder worden in het dictum van de beschikking de namen genoemd van beschermde natuurmonumenten waarvoor artikel 16 van de Nbw 1998 de vergunningplicht regelt. Dat in het dictum van de beschikking artikel 16 van de Nbw 1998 niet nogmaals expliciet staat vermeldt, dient te worden beschouwd als een kennelijke verschrijving, zoals ook is erkend door het college, en doet niet af aan de omstandigheid dat de verleende Nbw-vergunning eveneens betrekking had op artikel 16 van de Nbw 1998. Het betoog mist feitelijke grondslag.

Conclusie en proceskostenveroordeling

6.    De beroepen van de Stichting en van [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit van 31 augustus 2016 zijn ongegrond.

7.    [appellant sub 1] en anderen hebben geen belang meer bij beoordeling van hun beroep tegen het besluit van 18 mei 2016, nu dit besluit bij het besluit van 31 augustus 2016 is ingetrokken en er overigens ook geen omstandigheden zijn die hun belangen raken. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

8.    Met het besluit van 31 augustus 2016 is het besluit van 18 mei 2016 ingetrokken waartegen [appellant sub 1] en anderen beroep hadden ingesteld, omdat het college erkende dat dit eerdere besluit een gebrek bevatte. Gelet hierop dient het college op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 1] en anderen te worden veroordeeld. Voor een proceskostenvergoeding ten aanzien van de Stichting bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellante sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C] en [appellante sub 1D], tegen het besluit van 18 mei 2016, kenmerk C2084654, niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen van Stichting Behoud Leefbaarheid Molenakkers en van [appellante sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C] en [appellante sub 1D], tegen het besluit van 31 augustus 2016, kenmerk Z/001510, ongegrond;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellante sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C] en [appellante sub 1D] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1237,50 (zegge: twaalfhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), waarvan € 1237,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

IV.    gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellante sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C] en [appellante sub 1D] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.

w.g. Helder    w.g. Scheele

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2017

723.