Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2470

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
201603399/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:2677, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 13 juli 2015 hebben AGRAforce en [appellant] het college verzocht handhavend op te treden tegen de kap van bomen en struweel op het perceel aan de Landschuurweg door Staatsbosbeheer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201603399/1/A1.

Datum uitspraak: 13 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

AGRAforce Take 2 C.V. en [appellant] (hierna: AGRAforce en [appellant]), gevestigd te Veere,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 april 2016 in zaak nr. 15/6508 in het geding tussen:

AGRAforce en [appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere.

Procesverloop

Bij brief van 13 juli 2015 hebben AGRAforce en [appellant] het college verzocht handhavend op te treden tegen de kap van bomen en struweel op het perceel aan de Landschuurweg door Staatsbosbeheer.

Bij brief van 10 september 2015 hebben AGRAforce en [appellant] het college in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het handhavingsverzoek.

AGRAforce en [appellant] hebben bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om handhavend op te treden.

Bij uitspraak van 29 april 2016 heeft de rechtbank het door AGRAforce en [appellant] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben AGRAforce en [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2017, waar AGRAforce en [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.E. Jansen-van der Hoek, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie] te Veere en woont daar. Op het perceel is tevens de [minicamping] gevestigd. Voor de exploitatie daarvan is aan [appellant] een kampeervergunning verleend. Met ingang van 1 april 2015 verhuurt [appellant] de minicamping aan AGRAforce en exploiteert AGRAforce deze.

    Staatsbosbeheer exploiteert aan de Landschuurweg te Veere het natuurkampeerterrein "Het Veerse Gat".

    AGRAforce en [appellant] hebben het college bij brief van 13 juli 2015 verzocht handhavend op te treden tegen de kap van bomen en struweel op het perceel aan de Landschuurweg, omdat de kap volgens hen heeft plaatsgevonden teneinde "Het Veerse Gat" te kunnen uitbreiden met 45 kampeerplaatsen.

    In reactie op de ingebrekestelling van AGRAforce en [appellant] van 10 september 2015 heeft het college zich bij brief van 23 september 2015 op het standpunt gesteld dat AGRAforce en [appellant] niet zijn aan te merken als belanghebbenden bij het verzoek handhavend op te treden tegen het kappen van bomen en struweel op het perceel aan de Landschuurweg. Volgens het college is er om die reden geen sprake van een verzoek waarop het een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) dient te nemen.

    AGRAforce en [appellant] hebben vervolgens bij de rechtbank beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat AGRAforce en [appellant] volgens de rechtbank niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij hun verzoek om handhavend op te treden, zodat er geen sprake was van een aanvraag waarop het college een besluit diende te nemen. Volgens de rechtbank is daarom niet de situatie aan de orde waarin het college in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

2.    AGRAforce en [appellant] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet als belanghebbenden bij hun verzoek om handhavend op te treden zijn aan te merken. In dat verband voeren zij aan dat de kap van de bomen door Staatsbosbeheer verband houdt met het creëren en vergroten van kampeerplaatsen op natuurkampeerterrein "Het Veerse Gat". De rechtbank heeft volgens hen bij haar oordeel ten onrechte alleen het zicht- en nabijheidscriterium betrokken en had daarbij ook het concurrentiebelang moeten betrekken, nu zij zijn betrokken bij de exploitatie van een kleinschalig kampeerterrein waarmee zij als concurrent van Staatsbosbeheer fungeren.

2.1.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat voorop moet worden gesteld dat alleen de vraag voorligt of AGRAforce en [appellant] belanghebbenden zijn bij het zonder omgevingsvergunning kappen van bomen en struweel op het perceel aan de Landschuurweg.

2.2.    Het perceel waarop de bomen zijn gekapt is gelegen op een afstand van ongeveer 300 m van het perceel [locatie] te Veere. Op het perceel zijn na uitvoering van de kapactiviteiten nog bomen aanwezig. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, voor zover er vanaf het perceel aan de [locatie] al zicht bestond op de gekapte bomen, gelet op de aanzienlijke afstand tussen dit perceel en het perceel aan de Landschuurweg en de afschermende werking van de nog resterende bomen, het zicht niet dusdanig is dat [appellant] om die reden als belanghebbende moet worden aangemerkt. Het concurrentiebelang waarop [appellant] en AGRAforce zich beroepen is geen rechtstreeks belang bij het kappen van de bomen. Het concurrentiebelang kan, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in dit geval pas een rol spelen bij besluiten of verzoeken om handhavend op te treden die rechtstreeks zien op de uitbreiding van natuurkampeerterrein "Het Veerse Gat". Door [appellant] en AGRAforce is ten slotte niet aannemelijk gemaakt dat zij anderszins gevolgen van enige betekenis ondervinden van het aan de orde zijnde besluit, waardoor zij als belanghebbenden moeten worden aangemerkt.

    Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat AGRAforce en [appellant] geen belang hebben bij het al dan niet door het college uitoefenen van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden tegen het kappen van bomen en struweel op het perceel, zodat geen sprake was van een aanvraag waarop het college in gebreke was gebleven tijdig een besluit te nemen.

    Het betoog faalt.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Slump

voorzitter    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2017

776.