Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2466

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
201503421/3/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1804, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twintig weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 17 februari 2015, waarbij de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" gewijzigd heeft vastgesteld, te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/962

Uitspraak

201503421/3/R1.

Datum uitspraak: 13 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Heerhugowaard,

2.    [appellante sub 2], wonend te Heerhugowaard,

3.    Gasunie Transport Services B.V., gevestigd te Groningen,

4.    [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], beiden wonend te Heerhugowaard,

en

de raad van de gemeente Heerhugowaard,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1804, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twintig weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 17 februari 2015, waarbij de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" gewijzigd heeft vastgesteld, te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 25 oktober 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" wederom gewijzigd vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 4] zienswijzen naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld. [appellante sub 2] heeft te kennen gegeven geen zienswijze naar voren te brengen. De Gasunie is eveneens in de gelegenheid gesteld een zienswijze  naar voren te brengen, maar zij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad gereageerd op de zienswijzen van [appellant sub 1] en [appellant sub 4]. [appellant sub 1] en [appellant sub 4] hebben een reactie ingediend.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en zij heeft het onderzoek gesloten.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] heropend om nadere schriftelijke inlichtingen in te winnen als bedoeld in artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De raad heeft de gevraagde inlichtingen verstrekt. [appellant sub 1] heeft hierop een reactie ingediend. Vervolgens heeft de Afdeling de raad en [appellant sub 1] in de gelegenheid gesteld om mede te delen of zij gebruik wensen te maken van hun recht ter zitting te worden gehoord. De raad en [appellant sub 1] hebben hierop niet gereageerd. De Afdeling heeft hieruit de conclusie getrokken dat zij geen gebruik wensen te maken van het recht te worden gehoord. De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Volgorde van behandeling

1.    De Afdeling zal de beroepen behandelen in de volgorde zoals vermeld op het voorblad. Daarbij zal per appellant afzonderlijk eerst het beroep tegen het besluit van 17 februari 2015 worden behandeld en daarna het beroep tegen het besluit van 25 oktober 2016. De beroepen van [appellant sub 1] worden in de overwegingen 3 tot en met 9 behandeld, het beroep van [appellante sub 2] wordt in de overwegingen 10 tot en met 14 behandeld en het beroep van de Gasunie wordt in de overwegingen 15 tot en met 18 behandeld. De beroepen van [appellant sub 4] komen aan de orde in de overwegingen 19 tot en met 24. De uitspraak wordt afgesloten met een algemene samenvatting onder 25 en een overweging over de proceskosten onder 26.

Bijlage

2.    De (wettelijke) bepalingen en relevante planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Het beroep van [appellant sub 1]

3.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling vastgesteld dat [appellant sub 1] zijn glastuinbouwbedrijf wenst uit te breiden in de richting van de Middenweg. In de tussenuitspraak is overwogen dat het plan voorziet in een bufferzone van 200 m vanaf de Middenweg waarbinnen geen kassen zijn toegestaan. De Afdeling is in de tussenuitspraak tot het oordeel gekomen dat de raad de keuze voor een bufferzone van 200 m onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat de gronden waar [appellant sub 1] zijn glastuinbouwbedrijf wenst uit te breiden, deel uitmaken van een glastuinbouwconcentratiegebied, als bedoeld in artikel 26c, eerste lid, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening, vastgesteld door provinciale staten van de provincie Noord-Holland bij besluit van 3 februari 2014.

Ook heeft de Afdeling bij haar oordeel in de tussenuitspraak betrokken dat er twee grote agrarische bouwblokken binnen de bufferzone aanwezig zijn; hier mag bebouwing komen waarmee een grote inbreuk wordt gemaakt op de bufferzone.

4.    Gelet op deze overwegingen in de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 17 februari 2015, voor zover daarbij ter plaatse van de gronden van [appellant sub 1] een zone van 200 m vanaf de Middenweg is vastgesteld waarbinnen geen kassen zijn toegestaan, in strijd is met artikel 3:46 van de  Awb. Het beroep van [appellant sub 1] tegen dit besluit is gegrond, zodat het besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

5.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak de raad opgedragen om het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling, waarbij de bufferzone wordt verkleind. Daarbij heeft de Afdeling opgemerkt dat de raad zal moeten bezien of een bufferzone van 110 m, als door [appellant sub 1] gewenst, kan worden opgenomen, dan wel aanleiding bestaat om te voorzien in een bufferzone van een andere omvang.

    Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 25 oktober 2016 de bufferzone verkleind en daarmee de mogelijkheden voor glastuinbouw op het perceel van [appellant sub 1] uitgebreid. Voor gronden bij het waterbassin heeft de raad evenwel een grotere zone dan de door [appellant sub 1] gewenste zone van 110 m, aangehouden waarbinnen geen bebouwing is toegestaan.

6.    Het besluit van 25 oktober 2016 is een besluit tot wijziging van het oorspronkelijk bestreden besluit en ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel van dit geding. Het beroep van [appellant sub 1] is van rechtswege mede gericht tegen dit besluit. Hetgeen [appellant sub 1] in zijn zienswijze en in zijn reacties naar voren heeft gebracht, zal de Afdeling aanmerken als de gronden van zijn beroep van rechtswege.

7.    De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 1] in zijn zienswijze weliswaar heeft aangegeven dat de raad de bouwmogelijkheden voor glastuinbouw aan de noordzijde had moeten vergroten, maar in zijn eerste reactie - die van latere datum dan zijn zienswijze is - heeft [appellant sub 1] aangegeven dat hij akkoord gaat met de situering van de glasopstanden aan de noordkant. Derhalve behoeft hetgeen [appellant sub 1] in zijn zienswijze heeft aangevoerd over de bouwmogelijkheden voor glastuinbouw aan de noordzijde van zijn gronden thans geen bespreking meer.

8.    [appellant sub 1] kan zich niet met het besluit van 25 oktober 2016 verenigen, omdat enkele stroken - van 18,84 m en 4,04 m - tussen het waterbassin en de nieuw toegestane glasopstanden niet bebouwd mogen worden. [appellant sub 1] wijst erop dat de raad niet heeft gemotiveerd waarom een dergelijke open ruimte vanuit stedenbouwkundig oogpunt wenselijk is. Hij stelt verder dat stroken van een halve meter tussen het waterbassin en de glasopstanden voldoende zijn voor het verrichten van onderhoudswerkzaamheden. Verder heeft [appellant sub 1] aangevoerd dat in het bestemmingsplan dat de raad heeft vastgesteld, de bouwmogelijkheden voor kassen zijn verkleind ten opzichte van de figuur uit het voorstel tot vaststelling van het plan dat het college van burgemeester en wethouders aan de raad heeft voorgelegd. Volgens [appellant sub 1] heeft de raad zich niet over die verkleining uitgelaten.

8.1.    De raad heeft toegelicht dat de van bebouwing gevrijwaarde strook ten noorden en ten westen van het waterbassin wenselijk is in verband met het verrichten van onderhoud. Ook stedenbouwkundige overwegingen hebben ertoe geleid dat deze stroken gevrijwaard zijn van bebouwing, waarbij de strook ten westen van het waterbassin aanmerkelijk ruimer is dan de strook ten noorden van het waterbassin, aldus de raad.

8.2.    De Afdeling stelt voorop dat bij het besluit van 25 oktober 2016 de mogelijkheden voor glasopstanden op het perceel van [appellant sub 1] zijn uitgebreid. In zoverre is de raad tegemoetgekomen aan de bedrijfsbelangen van [appellant sub 1].

    Echter, ter plaatse van de gronden van [appellant sub 1] die ten noorden van het waterbassin liggen, is blijkens de verbeelding een strook van 4,04 m opgenomen, waarbinnen geen glasopstanden zijn toegestaan en - ter plaatse van de gronden van [appellant sub 1] die ten westen van het waterbassin liggen - is een strook van 18,84 m op de verbeelding opgenomen, waarbinnen evenmin glasopstanden zijn toegestaan. Deze keuzes van de raad komen niet overeen met de wens van [appellant sub 1], die een open strook van slechts een halve meter voldoende acht.

    Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 1] dat de raad zijn stedenbouwkundige argument voor de open ruimte niet heeft gemotiveerd, overweegt de Afdeling dat zij de raad aldus begrijpt dat hij vanuit stedenbouwkundig oogpunt gelet op de ligging van de gronden nabij de Middenweg een open ruimte wenst te houden. Dat de raad na afweging van alle belangen, zowel rekening houdend met stedenbouwkundige aspecten als met de bedrijfsbelangen van [appellant sub 1], ten aanzien van de open ruimte ten westen en ten noorden van het waterbassin een andere keuze heeft gemaakt dan die overeenkomt met de wens van [appellant sub 1], valt binnen de beleidsvrijheid die de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan toekomt.

    De Afdeling stelt evenwel vast dat de raad in het besluit van 25 oktober 2016 heeft gesteld voor de firma [appellant sub 1] over te gaan tot het uitbreiden van de glastuinbouwbestemming conform de figuur die in het voorstel van het college van burgemeester en wethouders is opgenomen.

Op de verbeelding van het vastgestelde plan zijn de bouwmogelijkheden voor kassen op de gronden van [appellant sub 1] echter verkleind ten opzichte van de bouwmogelijkheden die waren opgenomen in die figuur. Uit het besluit van 25 oktober 2016 blijkt niet dat de raad de bouwmogelijkheden wenst te verkleinen ten opzichte van de bouwmogelijkheden die uit de eerdergenoemde figuur volgen. Integendeel, de raad heeft in het besluit ten aanzien van de uitbreidingsmogelijkheden voor [appellant sub 1] juist expliciet verwezen naar die figuur. De Afdeling merkt hierbij op dat de raad, gelet op artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), het bevoegde orgaan is voor de vaststelling en eventuele wijziging van een bestemmingsplan en niet het college van burgemeester en wethouders. In de brief van 29 juni 2017 heeft het college aangegeven zelf het bebouwbare oppervlak te hebben aangepast vanwege de ligging van het waterbassin en dit te hebben vertaald naar een gewijzigde glasgrens, bestemmings- en bouwlak, alsmede de bouwhoogte. Niet is echter gebleken dat de raad heeft ingestemd tot deze wijziging en verkleining van de bouwmogelijkheden en hierover een nader besluit heeft genomen. De Afdeling moet derhalve vaststellen dat de nadere uitwerking, zoals verwoord in de brief van 29 juni 2017, niet overeenkomt met het besluit van de raad van 25 oktober 2016.  

    Het betoog slaagt.

9.    Gelet op het vorenstaande is het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 25 oktober 2016 gegrond. Het plan dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3.1 van de Wro, voor zover daarbij de bouwmogelijkheden op de gronden van [appellant sub 1] zijn verkleind ten opzichte van de bouwmogelijkheden die uit de in het raadsvoorstel opgenomen figuur volgen.

    Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Het beroep van [appellante sub 2]

10.     In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat niet is gebleken dat de raad tegen de schuur op het perceel van [appellante sub 2], [locatie] in Heerhugowaard, als zodanig planologische bezwaren heeft en dat de raad gelet hierop bij het vaststellen van het plan niet, althans niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, voorbij heeft kunnen gaan aan de verleende bouwvergunning. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de eisen van zorgvuldigheid en rechtszekerheid.

11.    Gelet op deze overwegingen in de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 17 februari 2015, voor zover daarbij de schuur op het perceel [locatie] in Heerhugowaard niet als zodanig is bestemd, in strijd is met artikel 3:2 van de Awb en het beginsel van rechtszekerheid. Het beroep van [appellante sub 2] tegen dit besluit is gegrond, zodat het besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

12.    Weliswaar heeft de Afdeling in de tussenuitspraak overwogen dat het betoog van [appellante sub 2] over de kantine en stal op haar perceel, dat ziet op de regeling voor omgevingsvergunningvrij bouwen, in de einduitspraak zal worden beoordeeld, maar bij de huidige stand van zaken - waarbij de raad alsnog het standpunt heeft ingenomen dat de kantine en stal omgevingsvergunningvrij zijn en mogen blijven staan - behoeft dit betoog thans geen bespreking meer.

13.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak de raad opgedragen om een nieuw besluit te nemen waarbij de schuur op het perceel van [appellante sub 2] alsnog als zodanig wordt bestemd, waarbij de raad tevens dient te beslissen welk gebruik in de schuur wordt toegestaan en waarbij de raad mede dient in te gaan op de vraag of in de schuur het hobbymatig houden van paarden kan worden toegestaan.

     Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 25 oktober 2016 aan de vergunde schuur een reguliere agrarische bestemming toegekend waarbij het bouwblok strak om de vergunde schuur is gelegd. Daarbij heeft de raad te kennen gegeven dat de eerdere hobbymatige paardgerelateerde activiteiten nagenoeg gestaakt zijn.

Ook heeft de raad aangegeven dat de stal en de kantine als omgevingsvergunningvrij kunnen worden beschouwd. Deze gebouwen mogen volgens de raad blijven staan.

14.    Het besluit van 25 oktober 2016 is een besluit tot wijziging van het oorspronkelijk bestreden besluit. [appellante sub 2] heeft met het besluit van 25 oktober 2016 ingestemd en derhalve gaat de Afdeling ervan uit dat met dat besluit aan haar beroep is tegemoetgekomen.

Het beroep van de Gasunie

15.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de raad heeft beoogd in het plan een omgevingsvergunningenstelsel op te nemen voor het oprichten van bouwwerken in de belemmeringenstrook, als bedoeld in artikel 14, derde lid, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (hierna: Bevb). De Afdeling heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat de raad heeft erkend dat het plan in dit opzicht niet voldoet aan artikel 14, derde lid, van het Bevb. Gelet daarop heeft de Afdeling in de tussenuitspraak overwogen dat, nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan, zonder dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

16.    Gelet op deze overwegingen in de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen de Gasunie heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 17 februari 2015, voor zover het betreft de vaststelling van artikel 22, lid 22.3, onder 22.3.4, van de planregels in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van de Gasunie tegen dit besluit is gegrond, zodat het besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

17.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak de raad opgedragen om een afwijkingsbevoegdheid voor het bouwen van bouwwerken in de belemmeringenstrook vast te stellen die voldoet aan artikel 14, derde lid, van het Bevb.

    Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 25 oktober 2016 de tekst van artikel 22, lid 22.3, onder 22.3.4, van de planregels aangepast.

18.    De Afdeling stelt vast dat de bij het besluit van 25 oktober 2016 aangepaste tekst van artikel 22, lid 22.3, onder 22.3.4, van de planregels - blijkens het raadsvoorstel dat aan dat besluit ten grondslag ligt - is besproken met de Gasunie. Vervolgens heeft de Gasunie naar aanleiding van dat besluit geen zienswijze ingediend. Onder deze omstandigheden gaat de Afdeling ervan uit dat met het besluit van 25 oktober 2016 aan het beroep van de Gasunie is tegemoetgekomen.

Het beroep van [appellant sub 4]

19.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat op het perceel van [appellant sub 4], kadastraal bekend Heerhugowaard, sectie P, nummer 331, vroeger de Zwarteweg aanwezig was. De Afdeling heeft verder in de tussenuitspraak overwogen dat de raad ter zitting heeft gesteld dat in het verleden aan beide zijden van de Zwarteweg een sloot aanwezig was en dat na demping van een sloot er thans nog maar aan één zijde van de Zwarteweg een sloot aanwezig is, welke volgens de raad behouden moet blijven. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat deze sloot weliswaar ooit langs de Zwarteweg aanwezig was, maar dat de Zwarteweg thans niet meer bestaat en dat [appellant sub 4] onweersproken heeft gesteld dat het perceel al sinds 1960 agrarisch wordt gebruikt. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat de raad niet, bijvoorbeeld met verwijzing naar een deskundigenrapport, inzichtelijk heeft gemaakt dat het genoemde perceel desondanks nog cultuurhistorische waarden heeft. In het verlengde hiervan heeft de raad, naar het oordeel van de Afdeling in de tussenuitspraak, evenmin aannemelijk gemaakt dat bescherming nodig is met een omgevingsvergunningenstelsel als neergelegd in artikel 29, lid 29.3, van de planregels. De Afdeling heeft geoordeeld dat de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" aan dit perceel in strijd is met artikel 3:2 van de Awb.

20.    Gelet op deze overwegingen in de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 17 februari 2015, voor zover het betreft de toekenning van de  dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" aan het perceel van [appellant sub 4], in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 4] tegen dit besluit is gegrond, zodat het besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

21.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak de raad opgedragen om alsnog te onderzoeken of het genoemde perceel cultuurhistorische waarden heeft en gelet op de uitkomst hiervan te motiveren waarom het besluit in stand kan blijven, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling, waarbij de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" niet langer aan het perceel wordt toegekend.

    Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 25 oktober 2016 de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" niet langer toegekend aan het gehele perceel van [appellant sub 4], maar enkel aan de bestaande sloot op dit perceel.

22.    Het besluit van 25 oktober 2016 is een besluit tot wijziging van het oorspronkelijk bestreden besluit en ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel van dit geding. Het beroep van [appellant sub 4] is van rechtswege mede gericht tegen dit besluit. Hetgeen [appellant sub 4] in zijn zienswijze en in zijn reactie naar voren heeft gebracht, zal de Afdeling aanmerken als de gronden van zijn beroep van rechtswege.

23.    [appellant sub 4] kan zich niet met het besluit van 25 oktober 2016 verenigen, voor zover daarbij aan de sloot de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" is toegekend. [appellant sub 4] voert aan dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de sloot een cultuurhistorische waarde heeft.

[appellant sub 4] wijst daarbij erop dat de gemeente vanaf 1960 geen aandacht heeft besteed aan de sloot, aangezien de sloot niet is weergegeven op de verbeelding van het bij besluit van 17 februari 2015 vastgestelde plan. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied, Eerste partiële herziening" was ook geen cultuurhistorische waarde aan de sloot toegekend, aldus [appellant sub 4]. Ook wijst [appellant sub 4] erop dat de sloot al geruime tijd door hem wordt onderhouden. Verder voert [appellant sub 4] aan dat de raad zijn belangen niet heeft meegewogen bij de besluitvorming. Hierbij wijst hij op zijn brief van 4 oktober 2016, waarin hij zijn bezwaren tegen de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" aan de sloot heeft toegelicht. [appellant sub 4] voert verder aan dat bij de aankoop en levering van de gronden van de zijde van de gemeente niet is aangegeven dat er cultuurhistorische waarden ter plaatse aanwezig waren. Ook zal volgens

[appellant sub 4] geen sprake zijn van verwezenlijking van de genoemde dubbelbestemming binnen de planperiode van 10 jaar.

23.1.    De raad heeft toegelicht dat het voornemen bestaat om het oostelijke deel van de Zwarteweg inclusief de historische waterlopen aan te wijzen als monument. De andere kant is de westelijke, onverharde kant.

Hier bevindt zich het perceel van [appellant sub 4]. De hier aanwezige sloot, die al honderden jaren bestaat, is volgens de raad een structuurdrager die de ontginningssystematiek van de polder Heerhugowaard in zicht brengt.

De raad verwijst voor de onderbouwing van dit standpunt naar een brief van Bureau Cultuurhistorie Anita van Breugel, waarin is vermeld dat de nog bestaande westelijke waterstructuur, al is er dan nog maar één over in plaats van twee, van cultuurhistorisch belang is als structuurdragend element in het gebied. In de brief wordt gewezen op de structurele samenhang van de ontwikkeling die destijds bij de totstandkoming van de Zwarteweg heeft gespeeld en is gesteld dat het totaal van deze structuren inzichtelijk maakt hoe dit gebied zich heeft gevormd. Om te waarborgen dat de sloot behouden blijft, heeft de raad de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" aan de sloot toegekend waarvoor in artikel 29, lid 29.3, van de planregels een omgevingsvergunningenstelsel is opgenomen. Op grond hiervan is het verboden om zonder omgevingsvergunning de sloot te dempen.

23.2.    De Afdeling is van oordeel dat de raad met deze toelichting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de reeds lange tijd bestaande sloot op het perceel van [appellant sub 4] bijdraagt aan het zicht op de ontginningssystematiek en de structuur van de polder Heerhugowaard. De sloot is van cultuurhistorische waarde bezien in samenhang met andere elementen, zoals het door de raad genoemde oostelijke deel van de Zwarteweg. Dat de sloot niet op de verbeelding is weergegeven van het bij besluit van 17 februari 2015 vastgestelde plan en dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied, Eerste partiële herziening" geen cultuurhistorische waarde aan de sloot was toegekend, laat onverlet dat de raad met deze toelichting de cultuurhistorische waarde van de sloot thans inzichtelijk heeft gemaakt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" aan de sloot heeft kunnen toekennen. Hierbij wordt betrokken dat hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd niet de conclusie rechtvaardigt dat hij onevenredig in zijn belangen wordt geschaad door het bij deze dubbelbestemming behorende omgevingsvergunningenstelsel. Daarbij is van belang dat het verbod om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden uit te voeren niet geldt voor normaal beheer en onderhoud. Ook is van belang dat uit de brief van 4 oktober 2016 niet blijkt van feiten of omstandigheden die zich tegen de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" aan de sloot verzetten.

    Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 4] dat bij de overdracht van de gronden van de zijde van de gemeente niet is aangegeven dat er cultuurhistorische waarden ter plaatse aanwezig waren, overweegt de Afdeling dat dit strookt met het niet benoemen van die cultuurhistorische waarden in het voorheen geldende bestemmingsplan. Dat doet er echter niet aan af dat, zoals de raad heeft toegelicht, die cultuurhistorische waarden feitelijk wel aanwezig zijn en dat de raad in redelijkheid met toekenning van de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" die waarden heeft kunnen beschermen.

     Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 4] dat er geen sprake zal zijn van verwezenlijking van deze dubbelbestemming binnen de planperiode van 10 jaar, overweegt de Afdeling dat deze dubbelbestemming is opgenomen met het oog op het behoud en de bescherming van een sloot, die reeds aanwezig is. Het belang van het behoud en de bescherming van de sloot is derhalve thans reeds - derhalve binnen de planperiode - aan de orde. Gelet hierop geeft het betoog van [appellant sub 4] geen aanleiding voor het oordeel dat de dubbelbestemming niet in het plan had mogen worden opgenomen.

    Het betoog faalt.

24.    Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 4] tegen het besluit van 25 oktober 2016 is ongegrond.

Samenvatting

25.    In deze einduitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het besluit van 17 februari 2015 moet worden vernietigd, voor zover daarbij ter plaatse van de gronden van [appellant sub 1] een zone van 200 m vanaf de Middenweg is vastgesteld waarbinnen geen kassen zijn toegestaan. Vervolgens heeft de raad met het besluit van 25 oktober 2016 ruimere mogelijkheden voor kassen in het plan opgenomen. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 1] tegen dit besluit is gegrond. Het plan dient te worden vernietigd voor zover daarbij de bouwmogelijkheden voor [appellant sub 1] zijn verkleind ten opzichte van de bouwmogelijkheden die uit de eerdergenoemde figuur in het raadsvoorstel volgen. De raad moet de bouwmogelijkheden herstellen en dit verwerken in het elektronisch vastgestelde plan.

     Verder heeft de Afdeling in deze einduitspraak geoordeeld dat het besluit van 17 februari 2015 moet worden vernietigd, voor zover daarbij de schuur op het perceel van [appellante sub 2] niet als zodanig is bestemd. In het besluit van 25 oktober 2016 heeft de raad aangegeven dat de schuur en ook de stal en kantine op dit perceel mogen blijven staan. [appellante sub 2] is daar niet tegen opgekomen.

    Voorts heeft de Afdeling in deze einduitspraak geoordeeld dat het besluit van 17 februari 2015 moet worden vernietigd, voor zover het betreft de vaststelling van artikel 22, lid 22.3, onder 22.3.4, van de planregels. Vervolgens heeft de raad de tekst hiervan aangepast bij besluit van 25 oktober 2016. Gasunie is daar niet tegen opgekomen.

    Ten slotte heeft de Afdeling in deze einduitspraak geoordeeld dat het besluit van 17 februari 2015 moet worden vernietigd, voor zover het betreft de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" aan het perceel van [appellant sub 4]. Vervolgens heeft de raad bij het besluit van 25 oktober 2016 deze dubbelbestemming toegekend aan de sloot op dit perceel. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 4] hiertegen is ongegrond.    

Proceskosten

26.    Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 2] en

[appellant sub 4] dient de raad op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

    Met betrekking tot het beroep van de Gasunie is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.    

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 2], Gasunie Transport Services B.V. en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] tegen het besluit van 17 februari 2015, waarbij de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" gewijzigd heeft vastgesteld, gegrond;

II.    vernietigt het besluit van 17 februari 2015, waarbij de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" gewijzigd heeft vastgesteld, voor zover:

- daarbij ter plaatse van de gronden van [appellant sub 1] een zone van 200 m vanaf de Middenweg is vastgesteld waarbinnen geen kassen zijn toegestaan;

- daarbij de schuur op het perceel [locatie] in Heerhugowaard niet als zodanig is bestemd;

- het betreft de vaststelling van artikel 22, lid 22.3, onder 22.3.4, van de planregels;

- het betreft de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" aan het perceel van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B];

III.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 25 oktober 2016, waarbij de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" gewijzigd heeft vastgesteld, gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 25 oktober 2016, waarbij de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" gewijzigd heeft vastgesteld, voor zover daarbij de bouwmogelijkheden op de gronden van [appellant sub 1] zijn verkleind ten opzichte van de bouwmogelijkheden die uit de in het raadsvoorstel opgenomen figuur volgen;

V.    draagt de raad van de gemeente Heerhugowaard op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel IV. wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI.    verklaart het beroep van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] tegen het besluit van 25 oktober 2016, waarbij de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" gewijzigd heeft vastgesteld, ongegrond;

VII.    veroordeelt de raad van de gemeente Heerhugowaard in verband met de behandeling van de beroepen tot vergoeding van de opgekomen proceskosten:

- ten aanzien van [appellant sub 1] tot een bedrag van € 1.768,00 (zegge: zeventienhonderdachtenzestig euro), waarvan € 1.732,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- ten aanzien van [appellante sub 2] tot een bedrag van € 530,30 (zegge: vijfhonderddertig euro en dertig cent), waarvan € 495,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- ten aanzien van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] tot een bedrag van € 1.520,50 (zegge: vijftienhonderdtwintig euro en vijftig cent), waarvan € 1.485,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VIII.    gelast dat de raad van de gemeente Heerhugowaard aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 1];

- ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellante sub 2];

- ten bedrage van € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) voor Gasunie Transport Services B.V.;

- ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Polak    w.g. Van Loo

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2017

418. BIJLAGE

•    Bij rechtsoverweging 3

Provinciale Ruimtelijke Verordening, vastgesteld door provinciale staten van de provincie Noord-Holland bij besluit van 3 februari 2014

Artikel 26c Glastuinbouw

1. Een bestemmingsplan bevat uitsluitend bestemmingen of regels die voorzien in nieuwe glastuinbouwbedrijven in een glastuinbouwconcentratiegebied, zoals aangegeven op kaart 7 en op de digitale verbeelding ervan.

•    Bij de rechtsoverwegingen 4

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:46

Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

•    Bij de rechtsoverwegingen 6, 14, 18, en 22

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:19

1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

•    Bij rechtsoverweging 8.2

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 3.1

1. De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Deze regels kunnen tevens strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied.

•    Bij rechtsoverweging 9

Besluit ruimtelijke ordening

Artikel 1.2.3

1. Een visie, plan, besluit en verordening als bedoeld in artikel 1.2.1, eerste lid, in voorkomend geval met de daarbij behorende toelichting of onderbouwing, worden elektronisch vastgesteld. Van een zodanig elektronisch document wordt tevens een papieren versie gemaakt.

•    Bij de rechtsoverwegingen 11, 16 en 20

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

•    Bij de rechtsoverwegingen 15 tot en met 18

Besluit externe veiligheid buisleidingen

Artikel 14

[…]

3. Voor zover in een bestemmingsplan de bevoegdheid wordt opgenomen om in afwijking daarvan bij omgevingsvergunning het oprichten van bouwwerken in de belemmeringenstrook toe te staan, wordt daarbij bepaald dat de omgevingsvergunning uitsluitend kan worden verleend voor zover de veiligheid met betrekking tot de in de belemmeringenstrook gelegen buisleiding niet wordt geschaad en geen kwetsbaar object wordt toegelaten.

Planregels bij het bij besluit van 17 februari 2015 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2014"

Artikel 22 Leiding

[…]

22.3.4 Adviesprocedure

Alvorens over een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en of bouwwerken geen gebouw zijnde met betrekking tot de samenvallende bestemming(en) (lid 22.2.3) of een omgevingsvergunning voor werken geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden (lid 22.3.1) te beslissen, winnen het college van burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwwerken, werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden de belangen in verband met de leiding niet worden geschaad en welke voorwaarden dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

Planregels bij het bij besluit van 25 oktober 2016 gewijzigde bestemmingsplan "Buitengebied 2014"

Artikel 22 Leiding

[…]

22.3.4 Adviesprocedure

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen van gebouwen en of bouwwerken geen gebouw zijnde (22.2.3) en/of het uitvoeren van werken geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden (22.3.1) overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leiding exploitant. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegelaten.

•    Bij de rechtsoverwegingen 19 tot en met 24

Planregels bij het bij besluit van 17 februari 2015 gewijzigde bestemmingsplan "Buitengebied 2014"

Artikel 29 Waarde - Cultuurhistorie

29.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Waarde - Cultuurhistorie" aangewezen gronden zijn, met in achtneming van het bepaalde in artikel 41.1, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van de cultuurhistorische, bouwhistorische en beeldbepalende elementen in de op die grond gelegen bouwwerken, bouwwerken geen gebouw zijnde en verkavelings- en landschapselementen;

29.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden

29.3.1 Werken geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden, waarvoor een omgevingsvergunning nodig is

Het is verboden op of in de in lid 29.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders, ter plaatse van de in lid 29.1 bedoelde gronden, de volgende werken geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:

[…]

h. het […] dempen van bestaande waterlopen.

29.3.2 Uitzonderingsregel

Het verbod als bedoeld in lid 29.3.1 is niet van toepassing op werken geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden die:

a. vallen onder normaal beheer en onderhoud;

b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

29.3.3 Toetsingscriteria voor het verlenen van de vergunning

De werken geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden als bedoeld in lid 29.3.1 zijn slechts toelaatbaar indien en voor zover dit niet strijdig is met de waarde cultuur historie, zoals vastgelegd het rapport "Gemeente Heerhugowaard een historisch-geografische inventarisatie (inclusief de karakteristieke bebouwing)" dat als Bijlage 3 bij dit bestemmingsplan is gevoegd.

Planregels bij het bij besluit van 25 oktober 2016 gewijzigde bestemmingsplan "Buitengebied 2014"

Artikel 29 Waarde - Cultuurhistorie

29.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Waarde - Cultuurhistorie" aangewezen gronden zijn, met in achtneming van het bepaalde in artikel 41.1, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van de cultuurhistorische, bouwhistorische en beeldbepalende elementen in de op die grond gelegen bouwwerken, bouwwerken geen gebouw zijnde en verkavelings- en landschapselementen;

29.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden

29.3.1 Werken geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden, waarvoor een omgevingsvergunning nodig is

Het is verboden op of in de in lid 29.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders, ter plaatse van de in lid 29.1 bedoelde gronden, de volgende werken geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:

[…]

h. het […] dempen van bestaande waterlopen.

29.3.2 Uitzonderingsregel

Het verbod als bedoeld in lid 29.3.1 is niet van toepassing op werken geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden die:

a. vallen onder normaal beheer en onderhoud;

b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

29.3.3 Toetsingscriteria voor het verlenen van de vergunning

De werken geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden als bedoeld in lid 29.3.1 zijn slechts toelaatbaar indien en voor zover dit niet strijdig is met de waarde cultuur historie, zoals vastgelegd het rapport "Gemeente Heerhugowaard een historisch-geografische inventarisatie (inclusief de karakteristieke bebouwing)" dat als Bijlage 3 bij dit bestemmingsplan is gevoegd.

29.3.4 Adviesprocedure

Alvorens over een omgevingsvergunning voor werken geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden (lid 29.3.1) te beslissen, winnen het college van burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een deskundige op het gebied van cultuur omtrent de vraag of door de voorgenomen werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden de waarde cultuur, zoals vastgelegd het rapport "Gemeente Heerhugowaard een historisch-geografische inventarisatie (inclusief de karakteristieke bebouwing)" niet onevenredig wordt geschaad en welke voorwaarden dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.