Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2464

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
201507816/2/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:6329, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:308, heeft de Afdeling het hoger beroep van [belanghebbende] tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 september 2015 in zaak nr. 14/3958 ongegrond verklaard, het verzoek van [belanghebbende] om schadevergoeding afgewezen, het incidenteel hoger beroep van [appellant] ongegrond verklaard, en voorts het college opgedragen om binnen acht weken na de verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 15 december 2015 te herstellen. Deze uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Woningwet
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/968

Uitspraak

201507816/2/A1.

Datum uitspraak: 13 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Heerjansdam, gemeente Zwijndrecht,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:308, heeft de Afdeling het hoger beroep van [belanghebbende] tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 september 2015 in zaak nr. 14/3958 ongegrond verklaard, het verzoek van [belanghebbende] om schadevergoeding afgewezen, het incidenteel hoger beroep van [appellant] ongegrond verklaard, en voorts het college opgedragen om binnen acht weken na de verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 15 december 2015 te herstellen. Deze uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 13 maart 2017 heeft het college een nader advies van de welstandscommissie van 23 februari 2017 ingezonden.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant] en [belanghebbende] hun zienswijze over de wijze waarop het college gevolg heeft gegeven aan de tussenuitspraak naar voren gebracht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

De uitspraak en tussenuitspraak van 8 februari 2017

1.    In de uitspraak van 8 februari 2017 heeft de Afdeling het hoger beroep van [belanghebbende] en het incidenteel hoger beroep van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 september 2015 ongegrond verklaard. Bij deze uitspraak heeft de rechtbank het besluit van 15 mei 2014 op het bezwaar van [appellant], gericht tegen de verlening van een omgevingsvergunning aan [belanghebbende] voor het bouwen van een garage/berging met overkapping (hierna: de garage) en een prieel op het perceel [locatie] te Heerjansdam (hierna: het perceel), vernietigd en beslist dat het college een nieuwe beslissing op dat bezwaar moest nemen met inachtneming van de uitspraak.

    Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het college bij besluit van 15 december 2015 opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist. Daarbij heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit tot verlening van omgevingsvergunning herzien, in die zin dat het Afwijkingenbeleid 2015 is toegepast en de garage met overkapping is aangemerkt als één bouwwerk.

    In de tussenuitspraak van 8 februari 2017 heeft de Afdeling overwogen dat het betoog van [appellant], inhoudende dat het college ten onrechte het positieve advies van de welstandscommissie van 31 juli 2013 aan het besluit van 15 december 2015 ten grondslag heeft gelegd, slaagt. Daartoe is overwogen dat de rechtbank in de uitspraak van 4 september 2015 heeft overwogen dat aan de welstandscommissie een bouwtekening is voorgelegd waarop ten onrechte is vermeld dat de oppervlakte van de garage 35 m2 bedraagt, zodat het advies van de welstandscommissie van 31 juli 2013 op een onjuiste grondslag berust, en dat het college tegen die uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld. Hier komt bij, zo is overwogen, dat uit het advies niet blijkt aan de hand van welke criteria uit de welstandsnota de welstandscommissie tot haar advies is gekomen en hoe zij tot de conclusie is gekomen dat het bouwplan in overeenstemming is met die criteria. Nu [appellant] in bezwaar gemotiveerd heeft uiteengezet op welke punten het bouwplan volgens haar in strijd is met de criteria uit de welstandsnota, had het college in het besluit van 15 december 2015 ook in zoverre niet mogen volstaan met een verwijzing naar dit advies. Daarbij is van belang geacht dat het advies van de welstandscommissie tot stand is gekomen onder de werking van de welstandsnota uit 2004, terwijl ten tijde van het nemen van het besluit van 15 december 2015 een toetsing aan de in 2013 vastgestelde welstandsnota aan de orde was. De Afdeling heeft overwogen dat het besluit van 15 december 2015, gelet hierop, is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Afdeling heeft het college opgedragen om dit gebrek te herstellen. Het college diende toereikend te motiveren dat het bouwplan niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Daartoe diende het alsnog een nader advies aan de welstandscommissie te vragen, uitgaande van een garage met een daarvan deel uitmakende overkapping met een totale oppervlakte van ongeveer 50 m2. In dit advies diende, in aanmerking genomen hetgeen [appellant] in bezwaar tegen het welstandsoordeel heeft aangevoerd, gemotiveerd te worden getoetst aan de toepasselijke criteria uit de thans geldende welstandsnota.

    Verder heeft de Afdeling in de tussenuitspraak overwogen dat de overige betogen die [appellant] tegen het besluit van 15 december 2015 heeft aangevoerd, falen.

Einduitspraak en beoordeling herstel gebrek

2.    Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college bij brief van 13 maart 2017 een nader welstandsadvies van de welstandscommissie van 23 februari 2017 ingezonden. In dit nadere welstandsadvies staat dat de welstandscommissie concludeert dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Hiertoe heeft de welstandscommissie het bouwplan getoetst aan de gebiedsgerichte criteria voor het gebied Dijklint Ringdijk in de Welstandsnota Zwijndrecht 2013 (hierna: de welstandsnota). Volgens de welstandscommissie is het bouwplan in overeenstemming met elk van deze criteria, met uitzondering van één criterium. Door het ontbreken van een kap voldoet het bouwplan volgens de welstandscommissie niet aan het criterium dat ingrepen zijn gericht op behoud en herstel van het oorspronkelijke, individueel vormgegeven, afwisselende beeld van de dijk. In zoverre heeft de welstandscommissie het bouwplan getoetst aan de algemene criteria uit de welstandsnota, waarmee zij het bouwplan in overeenstemming acht.

    De Afdeling merkt de brief van het college van 13 maart 2017 aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid van de Awb, dat mede onderwerp is van dit geding.

Redelijke eisen van welstand

3.    [appellant] betoogt dat het nadere welstandsadvies wederom ontoereikend is. Zij stelt dat de welstandscommissie advies heeft uitgebracht op basis van onjuiste bouwtekeningen en foto's. Verder voert zij aan dat uit de welstandsnota kan worden afgeleid dat een toetsing aan de gebiedsgerichte criteria niet volstaat, omdat de objectgerichte criteria uit de welstandsnota eveneens van toepassing zijn. Een andere uitleg leidt ertoe dat binnen gebieden met een bijzonder welstandsregime, waaronder delen van het gebied Dijklint Ringdijk, minder vergaande criteria zouden gelden dan binnen gebieden met een regulier welstandsregime, aldus [appellant]. Onder verwijzing naar een door haar overgelegd tegenadvies van 8 april 2017, opgesteld door ir. H.B. Schut (hierna: het tegenadvies), betoogt zij dat het bouwplan ten onrechte in overeenstemming met redelijke eisen van welstand is geacht.

3.1.    In het nadere advies van de welstandscommissie van 23 februari 2017 is vermeld dat het betrekking heeft op de reguliere omgevingsvergunning met nummer 2013-159B, voor het bouwen van een garage/berging en prieel aan het adres [locatie]. Uit dit advies blijkt dat de welstandscommissie ervan op de hoogte was dat het een bouwplan betreft waarover zij reeds eerder heeft geadviseerd. Blijkens de stukken beschikte zij bij dat eerdere advies, dat is uitgebracht op 31 juli 2013 onder vermelding van nummer 2013-159 en is bekrachtigd op 10 december 2014, over de bouwtekeningen die behoren bij de verleende vergunning. Verder blijkt uit het nadere advies dat de welstandscommissie wist dat zij bij de beoordeling diende uit te gaan van een garage met een daarvan deel uitmakende overkapping met een totale oppervlakte van ongeveer 50 m2. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het welstandsadvies van 23 februari 2017 desondanks tot stand is gekomen op basis van onjuiste tekeningen en foto's.

3.2.    In hoofdstuk 4 (welstandsregimes) van de welstandsnota staat:

"De welstandsnota 2013 van de gemeente Zwijndrecht heeft een gebiedsgerichte opzet. Kaarten geven aan welke criteria waar van toepassing zijn: gebieds- en objectgerichte criteria voor de gebieden met een kleur en de objectgerichte criteria voor de gebieden die zwart zijn.

De nieuwe welstandsnota maakt onderscheid tussen vier typen welstandsregimes:

° rode gebieden: bijzonder welstandsregime (gebiedsgerichte criteria);

° overige gekleurde gebieden: regulier welstandsregime (gebiedsgerichte criteria);

° zwarte gebieden: regulier versoepeld welstandsregime (objectgerichte welstandscriteria);

° gearceerde gebieden: welstandsvrij."

    In hoofdstuk 7 (algemene criteria) is vermeld:

"De criteria in deze nota zijn grotendeels gebaseerd op het uitgangspunt dat de ingreep in harmonie is met de context, met het bestaande. Wanneer een plan niet voldoet aan de object- en/of de gebiedsgerichte criteria, maar er desalniettemin sprake is van een plan met een hoge architectonische kwaliteit, kan het plan worden voorgelegd aan de welstandscommissie die het plan toetst aan de algemene welstandscriteria. […]

Wanneer een plan wordt getoetst aan de algemene welstandscriteria adviseert de welstandscommissie gemotiveerd en schriftelijk aan burgemeester en wethouders om af te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. Dit betekent dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene welstandscriteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere architectonische kwaliteit van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van welstand' ligt dan uiteraard hoog; het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt."

    De algemene criteria, zoals verder in hoofdstuk 7 uitgewerkt, hebben onder meer betrekking op de relatie tussen vorm, gebruik en constructie, de relatie tussen bouwwerk en omgeving, betekenissen van vormen in sociaal-culturele context, evenwicht tussen helderheid en complexiteit, schaal en maatverhoudingen en materiaal, textuur, kleur en licht.

3.3.    Op de bij de welstandsnota behorende kaart voor het gebied Dijklint Ringdijk zijn onder meer de gebouwen, behorende bij het perceel [locatie], rood gekleurd. De welstandscommissie heeft dan ook terecht de gebiedsgerichte criteria voor het gebied Dijklint Ringdijk van toepassing geacht op het bouwplan.

    Voor het oordeel dat het welstandsadvies onvolledig is vanwege het ontbreken van een toetsing aan objectgerichte criteria, bestaat geen grond. Daartoe wordt overwogen dat, hoewel de welstandsnota niet eenduidig is over de toepasselijke criteria wanneer een bijzonder welstandsregime van toepassing is, aangenomen moet worden dat de gebiedsgerichte criteria de mogelijkheid bieden voor een uitputtende toetsing op maat. Gelet op de betekenis die daarbij toekomt aan de karakteristiek van de omgeving en de daarin aanwezige bebouwing, waarop bouwplannen in voorkomende gevallen zullen moeten aansluiten, kunnen de objectgerichte criteria niet geacht worden daarnaast onverkort van toepassing te zijn. Het college heeft in het ontbreken van een toetsing aan de objectgerichte criteria dan ook geen grond hoeven te vinden om het welstandsadvies niet over te nemen.

3.4.    In de welstandsnota is voor het Dijklint Ringdijk onder meer als gebiedsgericht criterium vermeld:

"Ingrepen hebben een sterk ondergeschikt karakter ten opzichte van de oorspronkelijke hoofdbebouwing".

    Volgens het tegenadvies is het bouwplan, in afwijking van dit criterium, niet sterk ondergeschikt in grootte aan de bestaande oorspronkelijke hoofdbebouwing, omdat het staat op de erfgrens en daarmee op onvoldoende afstand van de achterzijde van de gemeentelijke monumenten aan de Dorpsstraat 20 tot en met 26.

    De welstandscommissie heeft het bouwplan in overeenstemming met dit criterium geacht. Dit is in het welstandsadvies toegelicht door te overwegen dat de garage zich door de uitvoering in houten gepotdekselde zwart geschilderde delen en de eenvoudige detaillering goed voegt bij de woonboerderij waar de garage formeel bij hoort. Daarnaast, zo is toegelicht, detoneert de garage niet in de straatwand aan de Grote Kreeklaan waaraan de garage gelegen is.

    De Afdeling overweegt dat de welstandscommissie aldus in haar toetsing van het bouwplan aan dit criterium het karakter van de garage ten opzichte van de oorspronkelijke hoofdbebouwing heeft betrokken. Het criterium biedt geen grond voor het oordeel dat de welstandscommissie bij de toetsing aan dit criterium doorslaggevend gewicht had moeten toekennen aan de situering ten opzichte van de woningen aan de Dorpsstraat 20 tot en met 26, zoals in het tegenadvies is gedaan. In zoverre geeft het tegenadvies dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het welstandsadvies niet door het college had mogen worden overgenomen.

3.5.    Voorts is in de welstandsnota voor het Dijklint Ringdijk als gebiedsgericht criterium vermeld:

"Ingrepen zijn gericht op behoud en herstel van het oorspronkelijke, individueel vormgegeven, afwisselende beeld van de dijk (positie van de bebouwing, toepassen volwaardige kap, kaprichting, voorgevel, oriëntatie, behoud van doorzichten tussen de bebouwing) en het individuele gebouw".

    Volgens het tegenadvies is het bouwplan, in afwijking van dit criterium, niet gericht op het behoud of herstel van het oorspronkelijk, individueel vormgegeven, afwisselend beeld van de dijk, waarbij een volwaardige kap dient te worden toegepast en de doorzichten tussen de bebouwing in stand moeten worden gehouden. De garage zet de ruimte tussen de tuinen van de woningen aan de Dorpsstraat 20 tot en met 26 en de Kreeklaan 1 dicht, terwijl kenmerkend voor de situatie van de Dorpsstraat is dat de objecten vrij in de ruimte staan en er doorzicht blijft tussen de bebouwing. Volgens het tegenadvies bieden de algemene welstandscriteria geen aanleiding om hieraan voorbij te gaan. Daartoe is vereist dat de bijzonder architectonische kwaliteit overtuigend kan worden aangetoond, hetgeen volgens het tegenadvies niet van toepassing kan worden geacht op het voorliggende bouwplan.

    De welstandscommissie heeft het bouwplan evenmin in overeenstemming met het aangehaalde criterium geacht, omdat de garage niet voorzien is van een kap, maar plat is afgedekt. Zij acht de platte afdekking gezien de functie, ligging en uitwerking echter vanzelfsprekend en acht deze vorm, en afwijking van de gebiedsgerichte criteria, op deze locatie aanvaardbaar, gelet op de algemene criteria.

    De Afdeling overweegt dat, zoals blijkt uit de onder 3.2 weergegeven passages, toetsing aan - in dit geval - de gebiedsgerichte criteria dient plaats te vinden. Wanneer het bouwplan daarmee niet in overeenstemming is, bestaat de mogelijkheid om het bouwplan in plaats daarvan te toetsen aan de algemene welstandscriteria uit hoofdstuk 7 van de welstandsnota. In dat geval zal de bijzondere architectonische kwaliteit van het bouwplan met deze criteria overtuigend moeten kunnen worden aangetoond. Uit deze passages volgt dat, indien toepassing aan deze mogelijkheid wordt gegeven, de algemene welstandscriteria geheel in de plaats treden van de gebiedsgerichte criteria. Toetsing van een bouwplan aan redelijke eisen van welstand zal in dat geval dan ook moeten plaatsvinden aan de hand van een volledige toetsing aan elk van de in hoofdstuk 7 van de welstandsnota opgenomen algemene welstandscriteria. Door aan te nemen dat aan strijd met een enkel gebiedsgericht criterium kan worden voorbijgegaan met een niet nader geconcretiseerde verwijzing naar de algemene welstandscriteria, is in het welstandsadvies een onjuiste toepassing gegeven aan de welstandsnota. Voorts blijkt uit het welstandsadvies niet dat daarbij is bezien of de bijzondere architectonische kwaliteit van de garage, met inachtneming van de criteria in hoofdstuk 7, overtuigend kan worden aangetoond. Gelet hierop is het welstandsadvies niet toereikend om te kunnen aannemen dat het bouwplan in overeenstemming met redelijke eisen van welstand is. Gelet hierop heeft het college dit advies ten onrechte overgenomen.

    Het betoog slaagt.

Verzoek om terug te komen van de tussenuitspraak

4.    [appellant] betoogt dat de tussenuitspraak, voor wat betreft de monumentale status van het pand [locatie], berust op ter zitting verstrekte onjuiste informatie. Uit de beschrijving van het monument volgt volgens haar dat de monumentale waarden niet zijn beperkt tot de voorgevel en het tegelwerk. Voorts voert zij aan dat de Afdeling in de tussenuitspraak ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat de monumentale waarden zich niet uitstrekken tot de tuin. Volgens [appellant] is het positieve advies van de monumentencommissie afgedwongen. Zij wenst daarom alsnog in de gelegenheid te worden gesteld om een tegenadvies in te brengen.

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:922), kan de Afdeling behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel.

    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat ter zitting is gebleken dat de monumentale waarden van de voormalige boerderij [locatie] de voorgevel en het tegelwerk betreffen en dat, nu het prieel en de garage vanaf de Dorpsstraat niet of nauwelijks zichtbaar zijn, geen grond bestaat voor het oordeel dat het college het advies van de monumentencommissie van 2 november 2015 in zoverre niet mocht overnemen. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat het college ten aanzien van de woningen aan de Dorpsstraat 20 tot en met 26 ter zitting onweersproken heeft gesteld dat de monumentale waarden zich niet uitstrekken tot de tuinen en dat, gelet op de omvang van het prieel en de garage en de afstand tot deze woningen zelf, ook in zoverre geen grond bestaat voor het oordeel dat het college het advies van de monumentencommissie niet mocht overnemen.

    In de door [appellant] ingebrachte beschrijving van de monumentale waarden van het pand [locatie] staat onder "Waardering":

"De boerderij is architectuur- en cultuurhistorisch van belang vanwege de onder architectuur ontworpen voorgevel en als kenmerkend voorbeeld van een bepaald type boerderij. De boerderij heeft situationele waarde vanwege de beeldbepalende functie binnen de lintbebouwing van Heerjansdam."

    Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de Afdeling aan de hiervoor weergegeven overweging een evident onjuiste veronderstelling ten aanzien van de monumentale waarden van het pand [locatie] ten grondslag heeft gelegd, die noopt tot het terugkomen van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] voert voorts aan dat haar onlangs bekend is geworden dat aan [belanghebbende] omstreeks 2011 en 2012 andere omgevingsvergunningen zijn verleend die soortgelijke gebreken vertonen als [appellant] tegen de voorliggende omgevingsvergunning heeft aangevoerd, te weten het ontbreken van duidelijkheid over de samenhang van de gegevens en bescheiden bij de aanvraag. De bouwtekeningen in die zaken bevatten niet de naam van het in andere stukken vermelde architectenbureau, maar wel de initialen "L.G.", terwijl in de voorliggende zaak omgevingsvergunning is verleend op grond van bouwtekeningen met de initialen "G.L.". Die initialen komen overeen met de initialen van een architect die tevens werkzaam is bij de gemeente en die betrokken is geweest bij de behandeling van de in geding zijnde aanvraag, aldus [appellant]. Hierin vindt [appellant] bevestiging voor haar vermoeden dat het college het besluit tot verlening van de gevraagde omgevingsvergunning met vooringenomenheid heeft genomen.

5.1.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college bij het nemen van het besluit van 15 december 2015 artikel 2:4 van de Awb niet in acht heeft genomen.

    De door [appellant] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geven geen aanleiding voor het oordeel dat hier een zeer uitzonderlijk geval aan de orde is dat noopt tot het terugkomen van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

6.    Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 15 december 2015 is, gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, gegrond. Dat besluit dient wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb te worden vernietigd. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 13 maart 2017 is eveneens gegrond. Ook dat besluit dient wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb te worden vernietigd.

    Dit betekent dat het college opnieuw op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 25 oktober 2013 moet beslissen.

6.1.    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

7.    In de uitspraak van 8 februari 2017 is overwogen dat in de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het door [appellant] betaalde griffierecht, alsmede over haar verzoek om schadevergoeding.

7.1.    [appellant] heeft de Afdeling verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van schade, die zij heeft geleden doordat zij tegen de verleende omgevingsvergunning procedures heeft moeten voeren, terwijl het volgens haar voor het college op voorhand duidelijk was dat deze niet verleend had kunnen worden. Zij voert aan hierbij gebruik te hebben gemaakt van de diensten van een advocaat. Deze was volgens [appellant] ook reeds voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning actief door te trachten verlening van de omgevingsvergunning, en daarmee de noodzaak voor [appellant] om procedures te voeren, te voorkomen.

7.2.    Artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, luidt:

"De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:

a. een onrechtmatig besluit;

b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.

[…]."

7.3.    Voor zover [appellant] aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd dat zij reeds voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning kosten heeft gemaakt om deze verlening te voorkomen, is niet gebleken dat deze kosten verband houden met een onrechtmatige handeling ter voorbereiding van het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning. De enkele omstandigheid dat het college in dit stadium niet is overgegaan tot het weigeren van de gevraagde omgevingsvergunning kan niet als een dergelijke onrechtmatige handeling worden aangemerkt.

    Voor zover [appellant] aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd dat zij kosten heeft gemaakt voor het voeren van procedures, wordt overwogen dat de bestuursrechter ingevolge artikel 8:75 van de Awb bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep of het hoger beroep heeft gemaakt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer de uitspraak van 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:364, moet uit de plaats en de strekking van dit artikel worden afgeleid dat hiermee een exclusieve mogelijkheid aan de bestuursrechter wordt geboden om een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep of hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Evenzo biedt artikel 7:15, eerste lid, van de Awb een exclusieve mogelijkheid voor vergoeding van de kosten, die een belanghebbende in verband met de behandeling van een bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor een vergoeding van deze kosten langs de weg van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 8:88 van de Awb is dan ook geen plaats.

    Gelet op het voorgaande wordt het verzoek afgewezen.

8.    Voor een proceskostenveroordeling in verband met de behandeling van het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep, die bij de einduitspraak van 8 februari 2017 ongegrond zijn verklaard, bestaat geen aanleiding. Wel dient het college op na te melden wijze te worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die [appellant] in verband met de behandeling van de beroepen tegen de besluiten van 15 december 2015 en 13 maart 2017 heeft gemaakt. Deze bestaan uit gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting van 27 juli 2016 en kosten voor het opstellen van het als deskundigenrapport aan te merken tegenadvies van ir. Schut van 8 april 2017. De Afdeling overweegt dat het inroepen van een deskundige in dit geval redelijk is. Voor de vergoeding van de kosten van het opstellen van een deskundigenrapport hanteert de Afdeling een forfaitair bedrag van € 75,00 per uur. [appellant] heeft een factuur ingezonden waaruit blijkt dat drie uren zijn besteed aan het opstellen van dit deskundigenrapport. Dit aantal uren acht de Afdeling redelijk. Het te vergoeden bedrag voor het opstellen van dit deskundigenrapport bedraagt derhalve € 225,00.

    Voor de behandeling van het incidenteel hoger beroep van [appellant] en de behandeling van het beroep tegen de besluiten van 15 december 2015 en 13 maart 2017, is geen griffierecht geheven dat voor vergoeding in aanmerking komt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht van 15 december 2015, kenmerk 14/3958;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht, vervat in de brief van 13 februari 2017, kenmerk 1507530/2013-159 B;

IV.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 25 oktober 2013;

V.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 243,50 (zegge: tweehonderddrieënveertig euro en vijftig cent), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.    

w.g. Montagne

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2017

374-727.