Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2463

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
201606510/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:3952, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201606510/1/A3.

Datum uitspraak: 13 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 juli 2016 in zaak nr. 16/1871 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Bij besluit van 8 maart 2016 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.G.C. Bocxe, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J. Zwanenburg, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De relevante bepalingen uit de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: de Wjsg) en de Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (Stcrt. 1 maart 2013, 5409; hierna: de Beleidsregels) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

2.    [appellant] heeft een VOG aangevraagd voor de uitoefening van de functie groepsmedewerker en chauffeur bij een zorgaanbieder die ondersteuning biedt aan mensen met een verstandelijke beperking of chronisch psychische problemen die aangewezen zijn op verzorging en verpleging. De staatssecretaris heeft geweigerd de VOG te verlenen, omdat [appellant] binnen de terugkijktermijn van vier jaar is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf wegens diefstal met geweld. Ook buiten de terugkijktermijn heeft [appellant] antecedenten, waaronder geweldsdelicten, vermogensdelicten en een drugsdelict. Daarbij heeft de staatssecretaris betrokken dat [appellant] in voormelde functie belast is met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van personen, waarbij zich één op één relaties kunnen voordoen en sprake kan zijn van (tijdelijke) afhankelijkheid. Volgens de staatssecretaris is er, gelet op het geweldsdelict en het vermogensdelict met een geweldsaspect, indien herhaald in de door [appellant] beoogde functie, een risico aanwezig voor het welzijn en de veiligheid van de aan zijn zorg toevertrouwde personen dan wel dat [appellant] goederen die hem ter beschikking staan of persoonlijke eigendommen van degenen aan wie hij zorg verleent, ontvreemdt. De staatssecretaris onderschrijft dat [appellant] sinds zijn vrijlating hard heeft gewerkt aan zijn re-integratie. Hierin, alsmede in de door [appellant] aangevoerde persoonlijke belangen, ziet de staatssecretaris evenwel onvoldoende aanleiding om het belang van de samenleving bij bescherming tegen de hiervoor genoemde risico's niet zwaarder te laten wegen. In bezwaar heeft de staatssecretaris de weigering van afgifte van een VOG gehandhaafd.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris kan worden gevolgd in zijn standpunt dat sprake is van een risico voor de samenleving en dat aan het objectieve criterium wordt voldaan. Daartoe voert hij aan dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de veroordeling tot een gevangenisstraf van 36 maanden, maar die zaak voor onbepaalde tijd is aangehouden omdat een medeverdachte nog niet kon worden gehoord. Voorts wijst [appellant] erop dat er binnen de terugkijktermijn slechts sprake is van één, niet onherroepelijke veroordeling, voor een feit dat plaatsvond in de privésfeer. Na zijn detentie heeft [appellant] zijn verslavingsproblematiek, die aanleiding vormde voor zijn strafbare gedrag, onder controle gekregen en heeft hij bijgedragen aan de maatschappij door het uitvoeren van vrijwilligerswerk. Gelet op deze omstandigheden, heeft de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen twijfel bestaat dat daadwerkelijk een risico bestaat voor de samenleving indien hij de functie van groepsbegeleider blijft uitoefenen, aldus [appellant].

3.1.    Bij de beoordeling van de aanvraag om de afgifte van een VOG mocht de staatssecretaris uitgaan van de justitiële gegevens in het JDS. De beoordeling of aan het objectieve criterium wordt voldaan, houdt een objectieve toets in. De omstandigheden waaronder een strafbaar feit is begaan, zijn in dit kader niet van belang. Bij de beoordeling heeft de staatssecretaris de veroordeling op 6 augustus 2013 wegens diefstal met geweld betrokken, waarbij aan [appellant] onder meer een gevangenisstraf van 36 maanden is opgelegd. De andere antecedenten zijn door de staatssecretaris slechts betrokken bij de beoordeling van het subjectieve criterium.

    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat in het geval van voormelde overtreding, indien herhaald in de functie van groepsmedewerker en chauffeur, risico bestaat voor het welzijn en de veiligheid van de cliënten en andere personen waarmee [appellant] in aanmerking komt. Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat in het geval van een vermogensdelict met geweld, zoals door [appellant] gepleegd, indien herhaald, een risico bestaat voor de persoonlijke eigendommen of goederen van personen. Voor het oordeel dat de staatssecretaris ten onrechte geen gewicht heeft toegekend aan het feit dat slechts sprake is van één relevant justitieel gegeven binnen de terugkijktermijn en dat die veroordeling nog niet onherroepelijk is, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1656, mag de staatssecretaris ingevolge de Wjsg de in het JDS voorkomende justitiële gegevens bij de beoordeling van de aanvraag om een VOG betrekken. De staatssecretaris betrekt slechts niet in zijn oordeel de justitiële gegevens met betrekking tot strafbare feiten die zijn afgedaan met een onherroepelijke vrijspraak. De staatssecretaris mocht bij de beoordeling dus ook feiten betrekken waarvoor [appellant] niet onherroepelijk is veroordeeld zonder daarbij gewicht toe te kennen aan het feit dat die veroordeling nog niet onherroepelijk is. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat bij de beoordeling of aan het objectieve criterium is voldaan volgens de Beleidsregels niet relevant is of het desbetreffende feit in de privésfeer en als gevolg van verslavingsproblematiek heeft plaatsgevonden en of zich een reëel recidivegevaar voordoet.

    De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat de op naam van [appellant] geregistreerde justitiële gegevens, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, aan een behoorlijke uitoefening van de functie van groepsmedewerker en chauffeur in de weg staan en derhalve aan het objectieve criterium is voldaan.

3.2.    Het betoog faalt.

4.    Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het belang van de samenleving zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij afgifte van de VOG. Daartoe voert [appellant] aan dat hij binnen de terugkijktermijn slechts eenmaal met justitie aan aanraking is gekomen en dat deze veroordeling reeds 2,5 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Na zijn vrijlating heeft hij alles gedaan wat in zijn mogelijkheden ligt om succesvol te re-integreren in de samenleving. Zo heeft hij zijn verslavingsproblematiek onder controle, heeft hij zijn diploma Maatschappelijke Zorg niveau 4 behaald, een certificaat Veilig Vervoer Personen behaald en verricht hij vrijwilligerswerk naar tevredenheid van zijn managers. Dit wordt ondersteund met diverse positieve verklaringen van referenten, waaronder zijn teammanager bij de zorgaanbieder die hem een vast contract wil aanbieden en zijn begeleiders vanuit justitie. Uit de verklaring van zijn reclasseringswerker volgt dat de recidivekans laag is, waarbij [appellant] wijst op een brief van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer over maatwerk bij VOG-procedures. Uit het voorgaande volgt dat hij geen risico (meer) vormt voor het welzijn en de veiligheid van de aan zijn zorg toevertrouwde personen, aldus [appellant]. Verder wijst [appellant] op het persoonlijke belangen die hij heeft bij het verkrijgen van een VOG. De weigering een VOG af te geven schaadt zijn re-integratietraject nu hij zonder deze VOG niet werkzaam kan blijven bij de organisaties waar hij vrijwilligerswerk verricht, niet in aanmerking komt voor een jaarcontract, en zijn diploma niet te gelde kan maken.

4.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij de belangenafweging op grond van het subjectieve criterium een groter gewicht moet worden toegekend aan het risico voor de samenleving dan aan het belang van [appellant] bij afgifte van een VOG. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris de omstandigheid dat [appellant] binnen de terugkijktermijn vermeerderd met de periode die hij in detentie heeft gezeten, slechts eenmaal met justitie in aanraking is gekomen niet in zijn voordeel heeft hoeven laten meewegen. Hierbij is van belang dat sprake is van een ernstig vergrijp, het korte tijdsverloop sinds de veroordeling daarvoor, de hoogte van de opgelegde straf en dat [appellant] ook buiten de terugkijktermijn een aantal ernstige delicten heeft gepleegd. Aan de omstandigheid dat de begeleiders van [appellant], waaronder de reclassering, de kans op herhaling laag inschatten, hoefde de staatssecretaris, gezien dat korte tijdsverloop, niet zodanig gewicht toe te kennen dat hij alsnog tot afgifte van de VOG diende over te gaan.

    De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat [appellant] zonder de VOG geen werkzaamheden kan verrichten die passen bij zijn ervaring en opleiding inherent is aan de weigering van afgifte van een VOG en als zodanig is verdisconteerd in de beleidsregels. De Afdeling is bij uitspraak van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840, echter teruggekomen van haar jurisprudentie dat de omstandigheden die bij het opstellen van een beleidsregel zijn verdisconteerd, dan wel moeten worden geacht te zijn verdisconteerd, reeds daarom buiten beschouwing kunnen worden gelaten. De staatssecretaris hoefde evenwel voormelde omstandigheid, gelet op de ernst van het vergrijp en de hoogte van de opgelegde straf, niet zwaarder te laten wegen dan het belang de samenleving te beschermen tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico. De staatssecretaris heeft voorts in het kader van deze belangenafweging erkend en meegewogen dat [appellant] een zeer positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt sinds zijn veroordeling. Ditzelfde geldt voor de persoonlijke belangen van [appellant] bij de afgifte van een VOG, waaronder dat hij door weigering van afgifte van een VOG de door hem gewenste functie op dit moment nog niet kan uitoefenen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris desondanks in redelijkheid van [appellant] heeft mogen verlangen dat hij over een langere periode laat zien dat hij zich onthoudt van strafbare gedragingen alvorens hij in aanmerking komt voor een VOG.

4.2.    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Van Deventer-Lustberg

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2017

587. BIJLAGE

Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens

Artikel 28

Een verklaring omtrent het gedrag is een verklaring van Onze Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Artikel 35

1. Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Beleidsregels VOG-NP-RP 2013

Paragraaf 3.2. Het objectieve criterium

De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. […]

Paragraaf 3.2.2. Indien herhaald

[…] Toepassing van het objectieve criterium ziet slechts op de vraag of er sprake zou zijn van een risico voor de samenleving wanneer dit of een soortgelijk strafbaar feit zou worden gepleegd door een persoon in de uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG wordt aangevraagd. […]

Paragraaf 3.3. Het subjectieve criterium

Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Voor de toepassing van het subjectieve criterium wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds aanvragen waarop het reguliere beoordelingskader van toepassing is (zie paragraaf 3.3.1) en anderzijds aanvragen waarop het verscherpte toetsingskader van paragraaf 3.3.2 van toepassing is (zie paragraaf 3.3.2).

Paragraaf 3.3.1. Omstandigheden van het geval

Het subjectieve criterium ziet op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG.

Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn:

- de afdoening van de strafzaak;

- het tijdsverloop;

- de hoeveelheid antecedenten.

[…].