Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2459

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
201603856/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2014 heeft het college met toepassing van de artikelen 2.1, vierde lid, en 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) maatwerkvoorschriften vastgesteld met betrekking tot de inrichting van [bedrijf A] en [bedrijf B] aan de [locatie 1] te Noardburgum.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet milieubeheer
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/974

Uitspraak

201603856/1/A1.

Datum uitspraak: 13 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te [woonplaats],

2.    [appellante sub 2] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 2]), gevestigd en wonend te Noardburgum, gemeente Tytsjerksteradiel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 april 2016 in zaken nrs. 14/4834 en 14/5502 in het geding tussen:

[appellante sub 2],

[appellant sub 1]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2014 heeft het college met toepassing van de artikelen 2.1, vierde lid, en 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) maatwerkvoorschriften vastgesteld met betrekking tot de inrichting van [bedrijf A] en [bedrijf B] aan de [locatie 1] te Noardburgum.

Bij uitspraak van 26 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellante sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover het ziet op de gestelde maatwerkvoorschriften 3.2.2 en 3.2.3, het besluit van 24 september 2014 in zoverre vernietigd, het beroep van [appellante sub 2] voor het overige en het beroep van [appellant sub 1] geheel ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.

[appellante sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1] heeft een zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

Het college en [appellant sub 1] hebben nadere stukken ingebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2017, waar [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. T. van der Weijde, en [appellant sub 1], vertegenwoordigd door ing. L. Visscher, zijn verschenen. Overwegingen

1.    [appellante sub 2] exploiteert op het perceel aan de [locatie 1], dat is gelegen op een bedrijventerrein, een houtbewerkings- en transportbedrijf. Nadat het college verschillende malen had geconstateerd dat de door de inrichting van [appellante sub 2] veroorzaakte geluidbelasting hoger was dan ingevolge het Activiteitenbesluit was toegestaan, heeft het maatwerkvoorschriften vastgesteld teneinde te bewerkstelligen dat in de inrichting het Activiteitenbesluit wordt nageleefd. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] kunnen zich niet met de reikwijdte van de gestelde maatwerkvoorschriften verenigen.

Het hoger beroep van [appellant sub 1]

2.    Het college heeft aangevoerd dat [appellant sub 1] geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn hoger beroep, aangezien hij geen eigenaar meer is van het perceel [locatie 2], gelegen naast het perceel waarop de inrichting van [appellante sub 2] is gesitueerd.

2.1.    Ter zitting heeft [appellant sub 1] bevestigd dat hij niet langer eigenaar van het perceel [locatie 2] is. Gebleken is dat hij thans evenmin nog gebruiker van dat perceel is. [appellant sub 1] heeft aangevoerd dat dit ten tijde van de aangevallen uitspraak nog wel het geval was en dat zijn belang bij een uitspraak van de Afdeling erin is gelegen dat hij eraan hecht dat de volgens hem onjuiste toepassing van jurisprudentie door de rechtbank wordt gecorrigeerd.

2.2.    De Afdeling is slechts gehouden tot inhoudelijke beoordeling van een hoger beroep, indien de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Indien dat belang is vervallen, is de Afdeling niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend wegens de principiële betekenis daarvan. Nu gebleken is dat [appellant sub 1] niet langer eigenaar of gebruiker van het perceel [locatie 2] is, kan hij geen milieugevolgen meer ondervinden van de inrichting van [appellante sub 2]. Verder heeft [appellant sub 1] niet gesteld schade te hebben geleden als gevolg van het in beroep bestreden besluit. Gelet daarop heeft [appellant sub 1] geen actueel en reëel belang bij een uitspraak op zijn hoger beroep.

3.    Gelet op het vorenstaande wordt niet toegekomen aan een beoordeling van de door [appellant sub 1] aangevoerde gronden. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk.

Het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2]

4.    [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het gebruik van een kettingzaag in maatwerkvoorschrift 3.1.2 ten onrechte op maximaal 3 minuten per dag in de dagperiode heeft bepaald. Volgens [appellante sub 2] worden de in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit opgenomen geluidsnormen ook bij een gebruik van de kettingzaag gedurende 12 minuten per dag niet overschreden, rekening houdend met het opgelegde maatwerkvoorschrift dat ramen en deuren tijdens het uitvoeren van werkzaamheden in het bedrijfsgebouw gesloten moeten blijven.

4.1.    Artikel 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit luidt:

"Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen welke technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht en welke gedragsregels in acht worden genomen teneinde aan geldende geluidsnormen te voldoen."

4.2.    Bij het besluit van 24 september 2014 heeft het college aan [appellante sub 2] onder meer maatwerkvoorschriften opgelegd die betrekking hebben op het aspect geluid.

    Maatwerkvoorschrift 3.1.1 luidt:

"Tijdens het uitvoeren van werkzaamheden moeten de ramen en deuren, behoudens tijdens het onmiddellijk doorlaten van voertuigen, goederen en personen, gesloten worden gehouden."

    Maatwerkvoorschrift 3.1.2 luidt:

"Het is niet toegestaan houtbewerkingswerkzaamheden, behoudens het maximaal gedurende 3 minuten per dag toepassen van de kettingzaag op het achterterrein in de dagperiode, op het buitenterrein uit te voeren."

    Bij het stellen van de maatwerkvoorschriften heeft het college aansluiting gezocht bij het akoestisch rapport van WNP Raadgevend Adviseurs van 7 januari 2014 (hierna: het rapport). Dit rapport is op verzoek van het college door [appellante sub 2] aangeleverd in verband met klachten van omwonenden over geluidhinder. In het rapport is de geluidbelasting als gevolg van verschillende mogelijke bedrijfssituaties bepaald. In de beschreven "bedrijfssituatie 2" is uitgegaan van een gebruik van de kettingzaag op het achterterrein gedurende 3 minuten per dag. Tevens is er in deze bedrijfssituatie van uitgegaan dat de deur van de loods gesloten is bij het gebruik van de vandiktebank en de motorzaag, maar geopend kan zijn bij gebruik van de lintzaag en de kloofmachine. Volgens het rapport wordt in deze beschreven bedrijfssituatie voldaan aan de geldende geluidsnormen voor het maximale geluidsniveau en het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau.

    In het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening van 30 juni 2015, dat is uitgebracht in de beroepsprocedure bij de rechtbank, is geconcludeerd dat het overeenkomstig maatwerkvoorschrift 3.1.1 zoveel mogelijk gesloten houden van ramen en deuren ertoe leidt dat de geluidbelasting als gevolg van de activiteiten in de loods van [appellante sub 2] op de gevel van de naast het perceel gelegen woning lager zal zijn dan waarvan in het rapport is uitgegaan. Dat heeft tot gevolg dat ook bij een langer gebruik van de kettingzaag op het achterterrein dan 3 minuten per dag kan worden voldaan aan de geldende geluidsnormen. Om wat betreft de naastgelegen woning te kunnen voldoen aan de ingevolge artikel 2.17, derde lid, aanhef en onder f, van het Activiteitenbesluit opgenomen grenswaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 55 dB(A) in de periode van 07.00 uur tot 19.00 uur, kan dit gebruik volgens het deskundigenbericht tot bij benadering 12 minuten per dag worden toegestaan. De Afdeling ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de StAB.

    Gelet op de bevindingen van de StAB moet worden geconcludeerd dat de beperking van het gebruik tot 3 minuten per dag van de kettingzaag op het achterterrein, naast maatwerkvoorschrift 3.1.1, niet nodig is in het belang van bescherming van het milieu. Deze beperking is immers niet nodig om aan genoemd artikelonderdeel van het Activiteitenbesluit te voldoen.

    Hieraan doet niet af dat [appellante sub 2] aan het college een rapport heeft aangeleverd waarin onder meer wordt uitgegaan van de bedrijfssituatie waarin de kettingzaag gedurende 3 minuten per dag wordt gebruikt. [appellante sub 2] is wat betreft het gebruik van de kettingzaag als zodanig niet gebonden aan de genoemde tijdsduur.

    In de omstandigheid dat in maatwerkvoorschrift 3.1.11 is neergelegd dat afwijking van de maatwerkvoorschriften over geluid mogelijk is wanneer met een akoestisch rapport wordt aangetoond dat de werkzaamheden akoestisch inpasbaar zijn, wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college desalniettemin in redelijkheid maatwerkvoorschrift 3.1.2 heeft kunnen vaststellen, terwijl dit niet nodig is om aan de geluidsnormen te voldoen. Verder overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat het college, zoals het naar voren heeft gebracht, bij het stellen van de maatwerkvoorschriften heeft betrokken dat de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast, de beperking van het gebruik van de kettingzaag tot 3 minuten per dag evenmin kan rechtvaardigen, reeds omdat een loutere beperking in tijdsduur niet als toepassing van beste beschikbare technieken kan worden aangemerkt.

    De conclusie is dat het college niet in redelijkheid maatwerkvoorschrift 3.1.2. heeft kunnen vaststellen. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

Slotoverwegingen

5.    Het hoger beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk. Het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het beroep van [appellante sub 2], voor zover dit is gericht tegen het bij het besluit van 24 september 2014 opgelegde maatwerkvoorschrift 3.1.2, ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante sub 2] en anderen tegen het besluit van 24 september 2014 van het college alsnog op dit punt gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking, voor zover aan [appellante sub 2] maatwerkvoorschrift 3.1.2 is opgelegd.

6.    Het college dient ten aanzien van [appellante sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1A] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2] en anderen gegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 april 2016 in zaken nrs. 14/4834 en 14/5502, voor zover het beroep van [appellante sub 2] en anderen, voor zover dit is gericht tegen het bij het besluit van 24 september 2014 vastgestelde maatwerkvoorschrift 3.1.2, ongegrond is verklaard;

IV.    verklaart het door [appellante sub 2] en anderen bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

V.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel van 24 september 2014, kenmerk Z-MAATWERK 2013-1066, voor zover maatwerkvoorschrift 3.1.2 is vastgesteld;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel tot vergoeding van bij [appellante sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Van Heusden

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2017

163-727.