Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2457

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
201607814/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:10927, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 24 juli 2015 heeft de raad twee aanvragen van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2017/180

Uitspraak

201607814/1/A2.

Datum uitspraak: 13 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 augustus 2016 in zaken nrs. 16/411 en 16/412 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 24 juli 2015 heeft de raad twee aanvragen van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten van 10 december 2015 heeft de raad de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 augustus 2016 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.G.J. Smit, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, zijn verschenen.

Overwegingen

Aanvragen en besluitvorming

1.    Op 8 juli 2015 heeft mr. Smit namens [appellant] twee aanvragen om een toevoeging ingediend voor rechtsbijstand aan [appellant] voor het maken van bezwaar tegen een tweetal door de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de inspecteur) vastgestelde definitieve aanslagen.

    De raad heeft bij besluiten van 24 juli 2015, als gehandhaafd bij de besluiten op bezwaar, deze aanvragen afgewezen met toepassing van de artikelen 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) en 28, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wrb, gelezen in samenhang met artikel 8 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: het Brt). De raad heeft daarbij verwezen naar zijn beleid, zoals neergelegd in de Werkinstructie F010 (hierna: de Werkinstructie).

Wettelijk kader

2.    Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb luidt:

"Rechtsbijstand wordt niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling dan een advocaat."

    Artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, luidt:

"De raad kan de toevoeging weigeren indien de aanvraag een rechtsprobleem betreft dat naar het oordeel van het bestuur eenvoudig afgehandeld kan worden".

    Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, van het Brt luidt:

"Geen toevoeging wordt verleend indien de rechtsbijstand uitsluitend is verzocht voor het indienen van een bezwaarschrift in een belastingzaak, indien het bezwaar uitsluitend betrekking heeft op een geschil van feitelijke of rekenkundige aard."

    Het tweede lid luidt:

"In afwijking van het eerste lid kan een toevoeging worden verleend, indien de bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid van het geval dat vereist."

    In de Werkinstructie is onder meer het volgende vermeld:

"De samenloop van een belastinggeschil met een strafzaak maakt het belastinggeschil niet zonder meer complex. Het blijft een geschil van feitelijke dan wel rekenkundige aard. Belanghebbende wordt daarom geacht zijn eigen belangen te behartigen".

Het hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het maken van bezwaar tegen de door de inspecteur definitief vastgestelde definitieve aanslagen zodanig feitelijk en/of juridisch ingewikkeld was dat de raad daarvoor toevoegingen had moeten verlenen. Hij voert daartoe aan dat aan het geschil met de inspecteur niet alleen een strafrechtelijk proces ten grondslag heeft gelegen, maar dat de inspecteur daarnaast bij de door hem vastgestelde definitieve aanslagen is afgeweken van zijn aangifte inkomstenbelasting omdat hij inkomsten zou hebben gehad uit hennepteelt. Bovendien heeft de inspecteur een vergrijpboete aan hem opgelegd. Gelet op deze veelheid aan juridisch relevante feiten had de raad hem de aangevraagde toevoegingen moeten verlenen. Voorts heeft hij tevergeefs getracht om het geschil met de inspecteur zelf op te lossen en daarom is bijstand van een advocaat noodzakelijk, aldus [appellant].

3.1.    [appellant] doet een beroep op artikel 8, tweede lid, van het Brt. Nu hij een beroep doet op een uitzonderingsbepaling, is het aan hem om aannemelijk te maken dat de daarin beschreven uitzondering zich voordoet. Hij dient aldus aannemelijk te maken dat het maken van bezwaar tegen de door de inspecteur vastgestelde aanslagen zodanig feitelijk en/of juridisch ingewikkeld is, dat de raad daarvoor toevoegingen had moeten verlenen.

3.2.    De aangevraagde toevoegingen zien op het maken van bezwaar tegen de door de inspecteur definitief vastgestelde aanslagen Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2012 en Inkomstenbelasting 2012. Bij deze aanslagen is de inspecteur afgeweken van de door [appellant] ingediende aangifte over 2012, omdat [appellant] wederrechtelijk verkregen voordeel zou hebben gehad van hennepkweek. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in de bezwaarprocedures tegen de inspecteur met name de vraag aan de orde is of en hoeveel inkomsten [appellant] uit hennepteelt heeft ontvangen. Deze vraag is hoofdzakelijk van feitelijke aard. De rechtbank heeft, gelet hierop, terecht overwogen dat van [appellant] kon worden verwacht dat hij zelf, zo mogelijk onderbouwd met bewijsstukken, verweer zou voeren tegen de door de inspecteur vastgestelde aanslagen. [appellant] heeft niet gemotiveerd waarom hiervoor specifieke juridische kennis was vereist. Dat de inspecteur ook een vergrijpboete heeft opgelegd, is niet bijzonder in dit soort zaken. Bovendien heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat dit het maken van bezwaar zodanig juridisch ingewikkeld maakte dat hiervoor rechtsbijstand van een advocaat noodzakelijk was. De enkele samenloop met een strafzaak heeft de raad voorts, onder verwijzing naar zijn beleid, neergelegd in de Werkinstructie, terecht onvoldoende geacht voor de conclusie dat de zaak complex is. Dat, zoals [appellant] voorts heeft aangevoerd, hij tevergeefs heeft getracht om het geschil met de inspecteur zelf op te lossen, is onvoldoende voor het oordeel dat bijstand door een advocaat noodzakelijk was. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat [appellant], voor zover hij hiertoe niet zelfstandig in staat zou zijn, zich voor advies kon wenden tot een voorliggende voorziening, zoals het Juridisch Loket.

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het maken van bezwaar tegen de door de inspecteur opgelegde aanslagen zodanig feitelijk of juridisch ingewikkeld is, dat de raad hiervoor toevoegingen had moeten verlenen.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte zijn betoog, dat door de afwijzingen van zijn aanvragen om een toevoeging, het in artikel 6 van het Verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) neergelegde recht op een eerlijk proces wordt geschonden, heeft verworpen. Hij voert daartoe aan dat zijn recht op toegang tot de rechter wordt beperkt en dat deze beperking niet proportioneel is.

4.1.    In onder meer het arrest van 15 februari 2005, Steel en Morris tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 68416/01, punt 62 (www.echr.coe.int) heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens overwogen dat het recht op toegang tot de rechter niet absoluut is, maar aan beperkingen, waaronder financiële, mag worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen evenwel het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, moeten een gerechtvaardigd doel dienen en proportioneel zijn aan dat doel. Uit het door [appellant] genoemde arrest van 26 juli 2005, Podbielski en PPU Polpure tegen Polen [ECLI:CE:ECHR:2005:0726JUD003919998], punt 65, volgt dat het EHRM daarbij zuivere financiële beperkingen aan het recht op toegang tot de rechter, die niet gerelateerd zijn aan de inhoudelijke aspecten van de zaak of het vooruitzicht op de slagingskans van een rechtsmiddel, niet zonder meer toelaatbaar acht.

4.2.    Anders dan [appellant] stelt, houden de artikelen 12, tweede lid, aanhef en onder g, en 28, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wrb geen zuiver financiële beperking van het recht op toegang tot de rechter in die niet is gerelateerd aan de inhoudelijke aspecten van de zaak, aangezien de beperking is gerelateerd aan het soort rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 februari 2015 [ECLI:NL:RVS:2015:565]), leiden die artikelen alleen tot een beperking van de subsidiëring van rechtsbijstand in het geval waarin de behartiging van een belang redelijkerwijs aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van de Wrb. Die beperking schaadt het recht op toegang tot de rechter niet in essentie. Daarbij is van belang dat juist in dergelijke zaken betrokkenen in staat worden geacht hun belangen voor de rechter of de betreffende instantie zelf te behartigen. De rechtbank heeft derhalve terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de besluitvorming in strijd is met artikel 6 van het EVRM, nog daargelaten de vraag of dat artikel van toepassing is op de bezwaarfase. Dat geldt ook voor zover [appellant] geacht zou moeten worden mede een beroep te hebben gedaan op artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM, dat specifiek ziet op een recht van onvermogenden op kosteloze rechtsbijstand in strafzaken. Zo deze bepaling al onverkort van toepassing zou zijn op bezwaarprocedures waarin een bestuurlijke boete aan de orde is, dan volgt daaruit niet dat [appellant] een ongeclausuleerd recht op zulke bijstand heeft. Een aanspraak daarop heeft hij immers slechts, ‘indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen’. Daarbij is met name bepalend of betrokkene al dan niet in staat is zichzelf adequaat te verdedigen (zie EHRM, Maxwell t. Verenigd Koninkrijk, arrest van 28 oktober 1994, ECLI:CE:ECHR:1991:0402dec001894991, punt 38). Gezien de aard van de zaak en het gegeven dat deze niet zodanig ingewikkeld was dat [appellant] in de bezwaarfase rechtsbijstand van een advocaat nodig had, kon behartiging van zijn belang in dit geval redelijkerwijs aan hem worden overgelaten en vereisten de belangen van een behoorlijke rechtspleging derhalve niet dat hem toevoegingen werden verleend.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt tot slot evenzeer tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheids- en het motiveringsbeginsel en dat de raad niet alle bij de besluiten op bezwaar betrokken belangen heeft meegewogen. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd blijkt uit de besluiten van 24 juli 2015 en de besluiten op bezwaar duidelijk waarom de raad de zaken, waarvoor om  toevoegingen was gevraagd, niet feitelijk of juridisch complex acht en waarom de raad geen toevoegingen heeft afgegeven.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

w.g. Van den Broek    w.g. Nales

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2017

680.