Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2455

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
201700190/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 november 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Henk Vulinkweg 30 Beekbergen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201700190/1/R1.

Datum uitspraak: 13 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Beekbergen, gemeente Apeldoorn,

en

de raad van de gemeente Apeldoorn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Henk Vulinkweg 30 Beekbergen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 augustus 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.A. Robbers, rechtsbijstandverlener te Ugchelen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. W.L. Weskamp, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het plan voorziet ter plaatse van de voormalige Willibrorduskerk van de Emmaüsparochie aan de Henk Vulinkweg 30 te Beekbergen in een vrijstaande woning. De Willibrorduskerk is in 2007 door brand verwoest. Sindsdien ligt het terrein braak. Op verzoek van de Emmaüsparochie wordt de maatschappelijke bestemming omgezet naar een woonbestemming teneinde een vrijstaande woning op het perceel te realiseren.

    [appellant] woont aan de [locatie] te Beekbergen en vreest met name voor een aantasting van de aanwezige natuurwaarden.

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

3.    [appellant] betoogt dat de raad heeft gehandeld in strijd met het verbod om de bevoegdheid tot vaststelling van een bestemmingsplan te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend (hierna: verbod op détournement de pouvoir). Hierbij voert hij aan dat de vaststelling van het plan is ingegeven door afspraken tussen het gemeentebestuur en de Emmaüsparochie met betrekking tot ontwikkelingen aan de Fabianusstraat. Zonder deze afspraken zou de raad geen planologische medewerking hebben verleend, aldus [appellant]

3.1.    De Afdeling overweegt dat de raad bij een besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan een afweging dient te maken van alle betrokken belangen. Vast staat dat tussen de gemeente en de Emmaüsparochie een overeenkomst is gesloten. Deze overeenkomst is, gelet op hetgeen [appellant] en de raad hieromtrent naar voren hebben gebracht, gericht op de ruimtelijke invulling van gronden binnen de gemeente Apeldoorn. Anders dan [appellant] betoogt, zijn met de overeenkomst derhalve ook ruimtelijke belangen gemoeid en niet louter andere. Voorts heeft de raad toegelicht dat bij de overeenkomst steeds het voorbehoud is gemaakt dat nog een bestemmingsplanprocedure moest worden doorlopen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de inhoud van deze overeenkomst dan ook terecht bij de besluitvorming over het bestemmingsplan betrokken en bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zijn bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan in strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), gelezen in samenhang met het verbod op détournement de pouvoir uit artikel 3:3 van de Awb, heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid aan hem is verleend. Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt dat de woning is voorzien in strijd met het gemeentelijk beleid om geen nieuwe bebouwing in het buitengebied toe te staan.

4.1.    [appellant] heeft geen gemeentelijk beleid naar voren gebracht waarin niet de planologische, maar de feitelijke situatie als de bestaande situatie wordt aangemerkt. Daarom dient het ervoor te worden gehouden dat de raad voor de toepassing van het gemeentelijk beleid omtrent nieuwe bebouwing in het buitengebied de maximale mogelijkheden uit het voorheen geldende bestemmingsplan als de bestaande situatie heeft kunnen aanmerken. Het voorheen geldende bestemmingsplan voorzag in een maatschappelijke bestemming voor de voormalige Willibrorduskerk van de Emmaüsparochie. Gelet hierop voorziet het plan niet in nieuwe bebouwing, maar slechts in een functiewijziging. Niet gebleken is van strijd met het gemeentelijk beleid omtrent nieuwe bebouwing in het buitengebied. Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt dat het initiatief had moeten worden betrokken bij het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan "Beekbergen en Lieren", waarbij geen nieuwe bebouwing in het buitengebied zal worden toegestaan.

5.1.    De Wro noch het Besluit ruimtelijke ordening staat in de weg aan het vaststellen van een afzonderlijk bestemmingsplan gedurende de voorbereiding van een meeromvattend bestemmingsplan. Reeds hierom faalt het betoog. Overigens is niet gebleken van strijd met de planuitgangspunten uit het bestemmingsplan "Beekbergen en Lieren" nu het plan, zoals onder 4.1 is overwogen, planologisch niet in nieuwe bebouwing voorziet. Het betoog faalt.

6.    [appellant] betoogt dat het plan onevenredige gevolgen heeft voor de aanwezige natuurwaarden. De raad gaat ten onrechte uit van het vroegere gebruik en de bestemming "Maatschappelijk" uit het vorige plan. Volgens hem dient te worden uitgegaan van de feitelijke situatie ter plaatse, waarbij van belang is dat het perceel sinds 2007 geheel aan de natuur is teruggegeven. Voorts is een grote variëteit aan diersoorten op het perceel aanwezig. In dit verband heeft [appellant] een notitie van stichting Das en Boom ingebracht.

6.1.    Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden en zijn de Natuurbeschermingswet 1998 en Flora- en faunawet (hierna: Ffw) ingetrokken. Uit artikel 9.10 van de Wnb volgt dat dit geschil nu het plan is vastgesteld voor 1 januari 2017 moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.

6.2.    De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Wnb (voorheen: Ffw) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was de Ffw het geldende recht. De raad heeft het plan niet kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg stond.

6.3.    Bij de voorbereiding van het plan is een vooronderzoek uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport Quickscan van Bureau Waardenburg van 21 maart 2016. Daarin is vermeld dat het plangebied bestaat uit een intensief beheerd grasland en een oude kavel waarop de kerk heeft gestaan met wat resterende erfbeplanting en opkomende ruigte. Op grond van een bezoek aan het plangebied en bronnenonderzoek wordt geconcludeerd dat door het treffen van mitigerende maatregelen negatieve effecten voor beschermde soorten kan worden voorkomen. Het aanvragen van een ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Ffw is niet nodig, aldus de Quickscan.

    Gelet op de Quickscan is de raad, anders dan [appellant] kennelijk veronderstelt, bij de beoordeling van de natuurwaarden uitgegaan van de feitelijke situatie.

    Anders dan in de notitie van Das en Boom wordt geconcludeerd, is de Quickscan uitgegaan van een actieve dassenburcht op 180 m van het plangebied. Voor zover in de Quickscan is vermeld dat de gehele omgeving potentieel onderdeel is van het leefgebied wordt niet bedoeld dat de dassenburcht verlaten is, maar dat een groot deel van de omgeving geschikt is als leefgebied.

    Ter zitting heeft [appellant] de overige negatieve gevolgen voor de das toegespitst op verstoring door licht en geluid. In de notitie van Das en Boom is hierover vermeld dat het bouwblok zelf voor de das geen waarde heeft. Weliswaar leidt het gebruik van het bouwblok tot enige verstoring door licht en geluid, maar nu deze effecten zich slechts rond de woning zullen voordoen, de dassenburcht niet verstoord wordt, en een groot deel van de omgeving geschikt is als leefgebied, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de conclusie uit de Quickscan onjuist is.

    Voor het overige bestaat in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de Quickscan zodanige gebreken of leemten in kennis vertoond dat de raad zich daar bij de vaststelling van het plan niet in redelijkheid op heeft kunnen baseren. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen voor de flora- en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. Het betoog faalt.

7.    [appellant] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog faalt.

8.    Het beroep is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Hupkes

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2017

635.