Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2451

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
201700964/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:6818, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 29 februari 2016 heeft het college het verzoek van [appellante] om een parkeerverbod in te stellen tegenover de oprit van [locatie], afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201700964/1/A2.

Datum uitspraak: 13 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 december 2016 in zaak nr. 16/4220 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij brief van 29 februari 2016 heeft het college het verzoek van [appellante] om een parkeerverbod in te stellen tegenover de oprit van [locatie], afgewezen.

Bij besluit van 26 juli 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. H. Martens, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Gangabisoensingh, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] woont aan de [locatie] in Utrecht. Het college heeft aan haar zijde van de straat een parkeerverbod ingesteld. Als gevolg daarvan worden auto’s geparkeerd aan de andere zijde van de straat, tegenover haar inrit. Bij brief van 4 juni 2015 heeft [appellante] het college verzocht om een parkeerverbod in te stellen tegenover haar oprit, zodat zij makkelijker van haar oprit gebruik kan maken.

    Het college heeft aan het besluit van 26 juli 2016 ten grondslag gelegd dat het instellen van een parkeerverbod op die plek in strijd is met de doelstellingen van artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994). Doordat met het instellen van een parkeerverbod het gebruik van de weg wordt beperkt, komen het in stand houden van de weg, het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan en het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer in het geding. Bovendien wordt met het instellen van een parkeerverbod tegenover de oprit van [appellante] afbreuk gedaan aan de logische indeling van de weg, waardoor onduidelijkheid en versnippering ontstaan over waar wel en niet kan worden geparkeerd. Het college heeft voorts van belang geacht dat precedentwerking uitgaat van het instellen van het verzochte parkeerverbod. Indien meer buurtbewoners verzoeken om een parkeerverbod tegenover hun woning zou over bijna de gehele weg een parkeerverbod gaan gelden. Dat komt de bruikbaarheid van de weg en de bereikbaarheid van de woningen door bezoekers niet ten goede.

    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid het verzoek om een parkeerverbod in te stellen heeft kunnen afwijzen.

Hoger beroep

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat niet het instellen van een parkeerverbod als wel het parkeren voor haar inrit afbreuk doet aan de bruikbaarheid van de weg en dat juist het parkeren tegenover de inrit de woningen minder goed bereikbaar maakt. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellante] ten onrechte niet meegewogen dat het college wel bereid is een wit kruis op het wegdek te schilderen.

    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende gewicht heeft toegekend aan haar belang bij een parkeerverbod. Zij kan geen grotere auto aanschaffen, zij wordt beperkt in het af- en aanrijden van en naar haar oprit, door het rijden over de stoep gaan de banden van haar auto stuk en krijgt zij problemen met de verlichting en de stuurbekrachtiging van de auto.

    [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de afwijzing van het parkeerverbod uit een oogpunt van verkeersveiligheid onwenselijk is, omdat zij door de aanwezigheid van een geparkeerde auto vooral oog moet hebben voor achterliggende auto’s en een muur en zij daardoor niet op het doorgaand verkeer kan letten.

2.1.    Wvw 1994

Artikel 2 luidt:

"1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

2. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

[…]"

Artikel 15, eerste lid, luidt:

"De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens […], en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit."

Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer

Artikel 12, aanhef en onder a, luidt:

"De plaatsing of verwijdering van de hierna genoemde verkeerstekens moet geschieden krachtens een verkeersbesluit:

a. de volgende borden:

I. de borden die zijn opgenomen in de hoofdstukken A tot en met G van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, uitgezonderd de borden C22 en E9, alsmede de borden E4, E12 en E13 tenzij onder deze verkeersborden een onderbord als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel d, wordt aangebracht, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 8, derde lid; […]."

Artikel 21 luidt:

"De motivering van het verkeersbesluit vermeldt in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen."

2.2.    De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat aan het college bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toekomt bij de uitleg van de begrippen 'veiligheid op de weg', 'bruikbaarheid (van de weg)' en 'vrijheid van het verkeer'. Voorts is het aan het college om de verschillende belangen die betrokken moeten worden bij het nemen van een verkeersbesluit tegen elkaar af te wegen en om te beoordelen wanneer de in artikel 2 van de Wvw 1994 vermelde belangen het nemen van een verkeersmaatregel vergen. De rechter dient te toetsen of de uitleg die het college aan voormelde begrippen heeft gegeven, de grenzen van redelijke wetsuitleg te buiten gaat, of het besluit niet anderszins in strijd is met wettelijke voorschriften en of de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenredig is dat het college niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

    Het voorgaande geldt, zoals de rechtbank eveneens terecht heeft overwogen, ook in het geval dat, zoals hier aan de orde, het college weigert een verkeersbesluit te nemen.

2.3.    Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren een parkeerverbod in te stellen. Het college heeft, ondanks dat het wel bereid was een wit kruis op de weg te schilderen, hetgeen niet een juridisch bindende maatregel betreft, in redelijkheid de in artikel 2 van de Wvw 1994 genoemde belangen zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van [appellante] bij een parkeerverbod. Hierbij heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat een parkeerverbod afbreuk doet aan de bruikbaarheid van de weg, omdat daardoor op het gedeelte van de weg tegenover de oprit niet meer geparkeerd kan worden. Het college heeft zich eveneens op het standpunt kunnen stellen dat door de precedentwerking die van het parkeerverbod uitgaat door de afname van het aantal parkeerplekken de bereikbaarheid van de woningen voor bezoekers mogelijk afneemt.

    Wat betreft het door [appellante] gestelde belang heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het voor [appellante] wellicht moeilijker is geworden om van haar oprit gebruik te maken als er auto’s aan de andere kant van de weg staan geparkeerd, maar dat het niet onmogelijk is. [appellante] zal - evenals het overige wegverkeer - in voorkomend geval enige hinder moeten dulden bij het af- en aanrijden.

    Het betoog van [appellante] dat door de afwijzende beslissing de verkeersveiligheid in het geding komt, slaagt evenmin. Bij het uitrijden van een uitrit zal in het belang van de verkeersveiligheid altijd extra goed uitgekeken moeten worden. Een tegenover de uitrit geparkeerde auto maakt dat niet anders.

2.4.    Het betoog faalt.

Conclusie

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Jurgens    w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2017

85-809.