Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2442

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
201706593/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 18 juli 2017 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en hem in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/218 met annotatie van prof. mr. C.A. Groenendijk

Uitspraak

201706593/1/V3.

Datum uitspraak: 11 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 augustus 2017 in zaken nrs. NL17.5407 en NL17.5451 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 18 juli 2017 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en hem in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 8 augustus 2017 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. van der Wielen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Tevens heeft de vreemdeling bij de rechtbank een verzoek tot herziening van deze uitspraak in de zin van artikel 8:119 van de Awb ingediend. De rechtbank heeft dit verzoek met toepassing van artikel 6:15 van de Awb aan de Afdeling doorgezonden.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb zijn slechts onherroepelijk geworden uitspraken vatbaar voor herziening. Nu ten tijde van het verzoek tot herziening tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep bij de Raad van State openstond, is het verzoek tot herziening aangemerkt als een aanvulling op het door de vreemdeling ingediende hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank.

2.    De vreemdeling heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Bij zijn staandehouding heeft hij een op zijn naam gestelde en in Spanje afgegeven verblijfsvergunning overgelegd met daarop de tekst "RESIDENCIA LARGA DURACIÓN". Niet in geschil is dat dit een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is in de zin van artikel 8, tweede lid, van Richtlijn 2003/109/EG (PB 2004 L 16), zoals gewijzigd bij Richtlijn 2011/51/EU (PB 2011 L 132), (hierna: de Richtlijn langdurig ingezetenen). Op de verblijfsvergunning staat dat deze geldig is tot 14 juli 2015. De vreemdeling heeft met documenten gestaafd dat hij verlenging van deze geldigheidsduur heeft aangevraagd. Volgens de vreemdeling hebben de Spaanse autoriteiten deze aanvraag nog niet ingewilligd in verband met een registratie van zijn persoonsgegevens in Duitsland in 2013 na een controle in een trein.

    Naar aanleiding van de overgelegde verblijfsvergunning heeft de vreemdelingenpolitie het Gemeenschappelijk Grens Coördinatiecentrum (hierna: het GGC) gevraagd onderzoek te doen naar de verblijfsstatus van de vreemdeling in Spanje. In hun reactie hebben de Spaanse autoriteiten bevestigd dat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de vreemdeling op 14 juli 2015 is verstreken.

    Op verzoek van de gemachtigde van de vreemdeling heeft de staatssecretaris de verblijfsstatus van de vreemdeling in Spanje eveneens door de Dublinunit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst laten onderzoeken. Ter zitting van de rechtbank heeft de staatssecretaris verklaard dat dit onderzoek tot dezelfde uitkomst heeft geleid als het onderzoek van het GGC.

3.    In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog steeds een verblijfsrecht in Spanje heeft, dat de staatssecretaris voldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn verblijfsstatus aldaar en dat deze, gelet op de door hem verkregen informatie, terecht heeft geconcludeerd dat het verblijfsrecht van de vreemdeling in Spanje kennelijk is beëindigd.

    Daartoe betoogt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit de artikelen 8, eerste lid, en 9, zesde lid, van de Richtlijn langdurig ingezetenen volgt dat een verblijfsrecht dat is verkregen op grond van de richtlijn, voor onbepaalde tijd geldt en niet afhankelijk is van het bezit van een geldig verblijfsdocument. De geldigheidsduur van zijn EU-verblijfsvergunning is volgens de vreemdeling dus niet bepalend voor het antwoord op de vraag of zijn verblijfsrecht nog bestaat. Om die reden is de door het GGC verkregen informatie dat zijn verblijfsvergunning op 14 juli 2015 is verlopen, onvoldoende en irrelevant. De staatssecretaris had moeten onderzoeken of het verblijfsrecht van de vreemdeling in Spanje was ingetrokken of beëindigd. Zolang de Spaanse autoriteiten geen besluit van die strekking hebben genomen, duurt dat verblijfsrecht voort. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5036, betoogt de vreemdeling dat de staatssecretaris hem, gelet op dit verblijfsrecht, had moeten opdragen zich onmiddellijk naar Spanje te begeven, alvorens hem een terugkeerbesluit te mogen uitreiken. Het terugkeerbesluit is daarom onrechtmatig, hetgeen de maatregel van bewaring eveneens onrechtmatig maakt, aldus de vreemdeling.

    In hoger beroep heeft de vreemdeling een e-mailbericht van 10 augustus 2017 van zijn Spaanse advocaat overgelegd. Als bijlage bij dit bericht is een uittreksel, van dezelfde datum, uit het online systeem van de Spaanse overheid gevoegd waaruit volgens de Spaanse advocaat blijkt dat de vreemdeling nog steeds rechtmatig verblijf in Spanje heeft.

3.1.    Artikel 8, eerste lid, van de Richtlijn langdurig ingezetenen luidt: "De status van langdurig ingezetene is permanent, onverminderd artikel 9."

    Het tweede lid luidt: "De lidstaten verstrekken aan langdurig ingezetenen een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. De verblijfsvergunning is ten minste vijf jaar geldig. De vergunning wordt, indien nodig en op verzoek, bij het verstrijken van die periode automatisch verlengd."

    Artikel 9, zesde lid, van de Richtlijn langdurig ingezetenen luidt: "Het feit dat de geldigheidsduur van de EG-verblijfsvergunning van een langdurig ingezetene is verstreken, mag in geen geval leiden tot intrekking of verlies van de status."

3.2.    De gegevens die de staatssecretaris na eigen onderzoek van de Spaanse autoriteiten heeft verkregen, bevestigen slechts dat de geldigheidsduur van de door deze autoriteiten aan de vreemdeling verstrekte EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen op 14 juli 2015 is verstreken. Gelet op de artikelen 8, eerste lid, en 9, zesde lid, van de Richtlijn langdurig ingezetenen, betekent het louter verstrijken van deze geldigheidsduur echter niet dat de vreemdeling in Spanje geen status als langdurig ingezetene meer heeft.

    Omdat uit de voormelde gegevens niet blijkt dat de Spaanse autoriteiten de vreemdeling zijn status als langdurig ingezetene hebben ontnomen op grond van een of meer van de in artikel 9 van de Richtlijn langdurig ingezetenen genoemde omstandigheden, had de staatssecretaris ervan moeten uitgaan dat de vreemdeling nog steeds een verblijfsrecht in Spanje heeft. Dat geldt te meer, nu ook uit het door de vreemdeling in hoger beroep overgelegde uittreksel niet blijkt dat zijn status als langdurig ingezetene is ingetrokken.

    De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog steeds een verblijfsrecht in Spanje heeft, dat de staatssecretaris voldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn verblijfsstatus aldaar en dat deze, gelet op de door hem verkregen informatie, terecht heeft geconcludeerd dat het verblijfsrecht van de vreemdeling in Spanje kennelijk is beëindigd.

    De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Hetgeen overigens in het hogerberoepschrift is aangevoerd, behoeft geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

5.    Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van de vreemdeling tegen de besluiten van 18 juli 2017 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren. Het terugkeerbesluit komt wegens strijd met artikel 62a, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voor vernietiging in aanmerking. Als gevolg daarvan ontbreekt aan de maatregel van bewaring een rechtmatig terugkeerbesluit, is deze van meet af aan onrechtmatig en dient deze met ingang van heden te worden opgeheven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 18 juli 2017 tot heden, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

6.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 augustus 2017 in zaken nrs. NL17.5407 en NL17.5451;

III.    verklaart de door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen gegrond;

IV.    vernietigt het terugkeerbesluit van 18 juli 2017, V-nummer […];

V.    bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 ingaande heden wordt opgeheven;

VI.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 4505,00 (zegge: vierduizend vijfhonderdenvijf euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

VII.    veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Laar

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2017

551.