Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2440

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
201701403/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Sion - ’t Haantje, tweede herziening" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2017/139 met annotatie van J.H.K.C. Soer

Uitspraak

201701403/2/R6.

Datum uitspraak: 11 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

DSM N.V. gevestigd te Geleen, gemeente Sittard-Geleen,

en andere (hierna in enkelvoud: DSM),

verzoekster,

en

de raad van de gemeente Rijswijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Sion - ’t Haantje, tweede herziening" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer DSM beroep ingesteld.

DSM heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) heeft ten behoeve van de hoofdzaak desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

DSM en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 augustus 2017, waar DSM, vertegenwoordigd door mr. M.G.I.A. van Haastert, ing. T. van Eijck, ir. R.A.M. van Rooij en ir. A.I. Kofferman, bijgestaan door mr. C.N.J. Kortmann en mr. S.F.A. van Ravels, beiden advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door ir. J. de Oude en F.D.J. de Bruijn, bijgestaan door mr. D. Korsse en mr. W.J.E. van der Werf, beiden advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts is het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, vertegenwoordigd door mr. D. Korsse en mr. W.J.E. van der Werf, beiden advocaat te Den Haag, als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    DSM heeft na afloop van de beroepstermijn verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, omdat inmiddels het, op het bestreden plan berustende, ontwerp-uitwerkingsplan "’t Haantje Midden" gecoördineerd met onder meer een ontwerp-omgevingsvergunning voor 14 woningen in het plangebied van het ontwerp-uitwerkingsplan "’t Haantje Midden" ter inzage is gelegd. DSM wil voorkomen dat voordat uitspraak zal zijn gedaan in haar beroep tegen het plan "Sion - ’t Haantje, tweede herziening" onherroepelijke omgevingsvergunningen worden verleend. Het verzoek is op dezelfde dag als de hoofdzaak ter zitting behandeld.

Procedureel

3.    De raad stelt dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:771) aan de ontvankelijkheid van appellanten Koninklijke DSM N.V., DSM Gist Holding B.V. en DSM Gist Services B.V. moet worden getwijfeld.  Naar het oordeel van de voorzieningenrechter behoeft dit thans geen behandeling, nu de andere bedrijven van DSM die mede het verzoek hebben gedaan in ieder geval ontvankelijk zijn, zodat het verzoek hoe dan ook inhoudelijk kan worden behandeld. De ontvankelijkheid van alle appellanten zal in de uitspraak over de hoofdzaak worden besproken.

4.    De raad betoogt dat DSM geen procesbelang heeft bij haar beroep en dus ook niet bij haar verzoek, omdat het aan het bestreden plan voorafgaande planologische regime nagenoeg hetzelfde was als het bestreden plan. Vernietiging van het bestreden plan zal derhalve geen gevolgen hebben.

4.1.    De voorzieningenrechter overweegt dat de rechter bij een vernietiging de opdracht kan geven een nieuw besluit te nemen. Ook brengt het plan ten opzichte van het voorgaande plan enkele, zij het bescheiden, wijzigingen mee. Voor het oordeel dat procesbelang ontbreekt is gelet daarop geen aanleiding.

Spoedeisend belang

5.    De raad betoogt dat DSM geen spoedeisend belang heeft bij schorsing. Indien het beroep ertoe zou leiden dat het bestreden plan wordt vernietigd, moet de bevoegdheid om het uitwerkingsplan vast te stellen geacht worden nooit te hebben bestaan. Het is dus uitgesloten dat een onherroepelijk uitwerkingsplan wordt vastgesteld op basis van een vernietigd plan. Ook is volgens de raad in dat geval niet mogelijk dat een gedurende de tijd dat het uitwerkingsplan in werking was onherroepelijke omgevingsvergunning wordt verleend. De raad wijst op uitspraken van de Afdeling van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:92) en 8 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1131). In deze beide uitspraken oordeelde de Afdeling dat de zogenaamde Tegelen-jurisprudentie niet van toepassing is indien een vernietigd bestemmingsplan de vergunde activiteit niet bij recht toestond, maar tevens vergunning voor het afwijken van dat plan werd verleend.

    Voorts betoogt de raad dat de woningen die met de gecoördineerd  voor te bereiden omgevingsvergunningen worden toegestaan, geen nadelige gevolgen voor DSM kunnen veroorzaken en dat ook daarom geen spoedeisend belang van DSM bestaat bij de gevraagde voorlopige voorziening.

5.1.    Ingevolge artikel 3.6, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) maakt een uitwerkingsplan deel uit van het bestemmingsplan waarop het is gebaseerd. Hieruit volgt dat indien een bestemmingsplan waarop een uitwerkingsplan is gebaseerd door een uitspraak van de Afdeling geen rechtskracht meer heeft, omdat het geheel of gedeeltelijk is vernietigd en dit de rechtskracht van de uitwerkingsplicht raakt, het uitwerkingsplan reeds daarom dient te worden vernietigd. Hieruit volgt dat zolang een bestemmingsplan en de daarin opgenomen uitwerkingsplichten en uitwerkingsbevoegdheden nog onderwerp zijn van een beroep bij de Afdeling, een uitwerkingsplan niet onherroepelijk kan worden. Dat brengt niet mee dat ook een op grond van dat plan verleende omgevingsvergunning niet in rechte onaantastbaar kan worden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de situatie die ontstaat als een uitwerkingsplan ten grondslag ligt aan een verleende vergunning een andere dan de situatie in de door de raad genoemde jurisprudentie. Zolang het aan het uitwerkingsplan ten grondslag liggende plan niet is vernietigd is het uitwerkingsplan geldig en dient het college aanvragen om vergunning aan dat plan te toetsen. Anders dan wanneer een vergunning nodig is om af te wijken van het bestemmingsplan kan het college op dat moment niet weigeren om de vergunning te verlenen. Dat is niet anders indien de vergunning gecoördineerd en dus gelijktijdig met het uitwerkingsplan wordt verleend. Gelet daarop heeft DSM een spoedeisend belang bij schorsing van het plandeel met de bestemming "Wonen - Uit te werken 2", waarop het ontwerp-uitwerkingsplan "’t Haantje Midden" betrekking heeft, opdat geen uitwerkingsplan kan worden vastgesteld op grond waarvan omgevingsvergunningen voor het bouwen kunnen worden verleend zolang geen uitspraak is gedaan in haar beroep.

Voorlopig rechtmatigheidsoordeel

6.    DSM heeft onder meer beroepsgronden aangevoerd tegen het onderzoek dat is gedaan inzake geluid en externe veiligheid voor zover betrekking hebbend op invloed vanwege DSM op het plangebied. Zoals blijkt uit het deskundigenbericht dat de StAB ten behoeve van de hoofdzaak heeft uitgebracht, zijn niet alle gevolgen van wat het plan mogelijk maakt onderzocht. In geschil is, in hoeverre de raad daar in dit stadium toe was gehouden, nu voor het grootste deel van het plangebied nadere besluitvorming in de vorm van uitwerkingsplannen nodig is en een deel van de mogelijkheden ook eerst na gebruik van wijzigingsbevoegdheden kan worden gerealiseerd. Deze vraag leent zich niet voor beantwoording in het kader van deze voorlopige voorzieningsprocedure.

    Gelet hierop en nu al een uitwerkingsplan en daarop gebaseerde vergunningen in voorbereiding zijn en, zoals het college ter zitting heeft meegedeeld, naar verwachting op 12 september 2017, dus binnen enkele weken, zullen worden vastgesteld, ziet de voorzieningenrechter, bij een afweging van de betrokken belangen, aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

7.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Rijswijk van 13 december 2016, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Sion - ’t Haantje, tweede herziening", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen - Uit te werken 2";

II.    veroordeelt de raad van de gemeente Rijswijk tot vergoeding van de bij DSM N.V. en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

III.    gelast dat de raad van de gemeente Rijswijk aan DSM het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.    

w.g. Postma

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2017

539.