Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2437

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-09-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
201701584/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:575, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 augustus 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201701584/1/V1.

Datum uitspraak: 7 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 januari 2017 in zaak nr. 16/22350 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 30 september 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 januari 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K.J. Kerdel, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel 'medische behandeling' ingediend en subsidiair verzocht om verlenging van het verleende uitstel van vertrek met toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

2.     Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op goede gronden buiten behandeling gesteld, nu de vreemdeling de verschuldigde leges niet heeft betaald. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris op goede gronden ervan heeft afgezien om de aanvraag van de vreemdeling subsidiair als een verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 aan te merken, nu dit niet in overeenstemming met paragraaf A1/7.1 (lees: paragraaf A3/7.1) van de Vreemdelingencirculaire 2000 is ingediend.

3.    Hetgeen in de eerste grief is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

4.    In de tweede grief voert de vreemdeling, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:945), aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris het in zijn brieven van 21 april 2016 en 8 augustus 2016 uitdrukkelijk gedane verzoek om verlenging van het krachtens artikel 64 van de Vw 2000 verleende uitstel van vertrek ten onrechte niet heeft aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

4.1.    In de brief van 21 april 2016, die de toelichting bevat bij de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier met als doel 'medische behandeling', en herhaald bij brief van 8 augustus 2016 heeft de vreemdeling verzocht om verlenging van het aan hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 verleende uitstel van vertrek. In het besluit van 9 augustus 2016 is de staatssecretaris aan dit verzoek voorbijgegaan. De vreemdeling heeft daartegen bezwaar gemaakt. In het besluit van 30 september 2016 heeft de staatssecretaris overwogen dat, nu de aanvraag met als doel 'medische behandeling' niet in behandeling is genomen, niet ambtshalve aan de voorwaarden voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 wordt getoetst en dat, indien de vreemdeling van mening is dat hij in aanmerking komt voor uitstel van vertrek, het op de weg lag van de vreemdeling om een hiertoe strekkende aanvraag in te dienen op het daarvoor bedoelde aanvraagformulier.

4.2.    Uit de door de vreemdeling aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2016 volgt dat de staatssecretaris het krachtens artikel 64 van de Vw 2000 gedane verzoek ten onrechte niet als aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb heeft aangemerkt. Dat de vreemdeling in deze zaak het verzoek subsidiair heeft gedaan en dat het vervat is in de toelichting bij de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning kan hieraan niet afdoen, in aanmerking genomen dat het verzoek in de brief van 21 april 2016 duidelijk herkenbaar is en de vreemdeling in de brief van 8 augustus 2016 de staatssecretaris uitdrukkelijk op dit verzoek heeft gewezen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    De tweede grief slaagt.

5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 30 september 2016 wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vernietigen, voor zover de staatssecretaris heeft nagelaten te beslissen op het verzoek van de vreemdeling om verlenging van het krachtens artikel 64 van de Vw 2000 verleende uitstel van vertrek. De Afdeling zal de staatssecretaris krachtens artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb opdragen binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak alsnog op dit verzoek te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

6.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Omdat de griffier van de Afdeling de vreemdeling heeft bericht vooralsnog af te zien van het heffen van griffierecht, bestaat geen grond te bepalen dat de staatssecretaris aan de vreemdeling het griffierecht vergoedt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 januari 2017 in zaak nr. 16/22350;

III.    verklaart het door de vreemdeling in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 30 september 2016, voor zover de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft nagelaten te beslissen op het verzoek van de vreemdeling om verlenging van het krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 verleende uitstel van vertrek;

V.    draagt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op om binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak alsnog op dit verzoek te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

VI.    veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Hanrath

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2017

392.