Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2426

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
201700387/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:5145, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 december 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van een aan haar verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en die verblijfsvergunning ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201700387/1/V2.

Datum uitspraak: 5 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 27 december 2016 in zaak nr. 15/23094 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van een aan haar verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en die verblijfsvergunning ingetrokken.

Bij uitspraak van 27 december 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.  

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.M. Walls, advocaat te Breda, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling heeft de Somalische nationaliteit. Zij heeft verklaard dat zij vanaf haar achtste jaar tot aan haar vertrek in 2009 in [woonplaats], Somalië, heeft gewoond en dat haar kinderen, een dochter en een zoon, daar zijn geboren. Bij besluit van 15 juli 2011 is haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. De staatssecretaris heeft deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken omdat de vreemdeling onjuiste gegevens zou hebben verstrekt over haar herkomst. Hieraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat uit door de vreemdeling overgelegde kopieën van geboorteakten van haar kinderen en een afschrift van een registratiekaart van haar dochter bij de UNHCR (hierna: de UNHCR-kaart) blijkt dat zij in [plaats], Ethiopië zijn geboren. De vreemdeling heeft deze stukken overgelegd in het kader van haar aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor haar kinderen (hierna: mvv).  

2.    De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij met de enkele verwijzing naar die stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt en daarbij ten onrechte van belang heeft geacht dat de plaats [plaats] op kaartmateriaal is aangetroffen in Somalië op de door de vreemdeling omschreven plek. De staatssecretaris betoogt dat de omstandigheid dat aan de UNHCR-kaart geen stukken ten grondslag liggen en de geboorteakten alleen in kopie zijn overgelegd, niet maakt dat hij de vreemdeling niet mocht tegenwerpen dat de informatie in die stukken niet overeenstemt met wat zij destijds in het kader van haar asielaanvraag heeft verklaard. De vreemdeling heeft de stukken immers zelf overgelegd ter onderbouwing van de familieband met haar kinderen en pas nadat zij met de tegenstrijdigheden is geconfronteerd, heeft zij de juistheid van het geboorteland in die stukken betwist, aldus de staatssecretaris.  

2.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:180), ligt het, indien de staatssecretaris een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt omdat zich de grond bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voordoet, op zijn weg aannemelijk te maken dat zich die afwijzingsgrond voordoet. Als door de staatssecretaris aan deze bewijslast is voldaan, is het vervolgens aan de vreemdeling om het door de staatssecretaris geleverde bewijs te weerleggen.

2.2.    Niet in geschil is dat zowel op de geboorteakten van de kinderen als op de UNHCR-kaart van de dochter staat dat zij zijn geboren in [plaats], Ethiopië. Evenmin is in geschil dat deze stukken zijn afgegeven op verzoek van de vreemdeling zelf. De vreemdeling heeft deze stukken in het kader van een mvv-nareisprocedure voor haar kinderen overgelegd om de gezinsband met haar kinderen te onderbouwen. Gelet op de inhoud van deze informatie en het doel waarvoor deze informatie is ingebracht, heeft de staatssecretaris aannemelijk gemaakt dat de vreemdeling bij haar asielaanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt. De staatssecretaris heeft daarbij terecht van belang geacht dat het op de geboorteakten en op de UNHCR-kaart niet gaat om slechts een verschrijving, maar om de vermelding van een ander land.

    Vervolgens was het aan de vreemdeling om het door de staatssecretaris geleverde bewijs te weerleggen. De rechtbank heeft niet onderkend dat zij daarin niet is geslaagd. De vreemdeling is gehoord naar aanleiding van het voornemen van de staatssecretaris om de aan haar verleende verblijfsvergunning in te trekken. Tijdens het gehoor bleef zij erbij dat haar kinderen in Somalië zijn geboren en kon ze geen verklaring geven waarom de overgelegde stukken andere informatie bevat. Dat naar aanleiding van wat de vreemdeling tijdens dat gehoor heeft verklaard, de staatssecretaris de plaats [plaats] in Somalië op kaartmateriaal heeft aangetroffen op de plek die de vreemdeling heeft omschreven, maakt dat niet anders. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat dit de door de staatssecretaris geconstateerde tegenstrijdigheid niet wegneemt. Verder heeft de staatssecretaris terecht van belang geacht dat de vreemdeling niet de naam heeft genoemd waaronder de plaats [plaats] van oudsher bekend is, terwijl dat wel voor de hand lag omdat zij daar volgens haar sinds haar achtste jaar heeft gewoond.  

    De grief slaagt.

3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 29 december 2015 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4.    De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat zij analfabeet is en niet weet hoe de documenten zijn opgesteld, maar dat zij die van haar kinderen heeft gekregen en te goeder trouw heeft overgelegd.

4.1.    Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB3792, is bepalend of bij bekendheid met de juiste gegevens de ingetrokken vergunning zou zijn verleend, waarbij niet van belang is of het de vreemdeling kan worden toegerekend onjuiste, dan wel onvolledige gegevens te hebben verstrekt, zodat het evenmin relevant is of het die vreemdeling zelf was die onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden. De door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden kunnen, wat daarvan ook zij, daarom niet aan intrekking op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in de weg staan.

5.    Het beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 27 december 2016 in zaak nr. 15/23094;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Graat

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2017

307-832.