Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2418

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
201607396/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:6493, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2012 voor [appellant] definitief vastgesteld op nihil en de teveel ontvangen voorschotten van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201607396/1/A2.

Datum uitspraak: 6 september 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 augustus 2016 in zaak nr. 16/4005 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2012 voor [appellant] definitief vastgesteld op nihil en de teveel ontvangen voorschotten van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 6 mei 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 augustus 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de rechtsgevolgen van het besluit van 6 mei 2016 in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.G. Plet, advocaat te Spijkenisse, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft kinderopvangtoeslag aangevraagd ten behoeve van haar twee kinderen. Aan haar zijn voor het berekeningsjaar 2012 voorschotten verstrekt tot een bedrag van € 31.345,00 voor kinderopvang bij [Kinderdagverblijf]. Bij het besluit van 31 juli 2015 is de kinderopvangtoeslag vastgesteld op nihil. Bij het besluit van 6 mei 2016 is dit besluit gehandhaafd.

2.    Aan het besluit van 6 mei 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellant] niet heeft aangetoond dat zij het volledige bedrag heeft betaald, maar dat een deel van de kosten is betaald door haar moeder. Verder heeft [appellant] tijdens de hoorzitting van 22 maart 2016 bevestigd dat het kinderdagverblijf tot 7 december 2012 een eenmanszaak was, waarvan zij zelf de houder was. Met ingang van 7 december 2012 is de eenmanszaak omgezet in een BV. Bij de stukken bevonden zich twee plaatsingsbewijzen die waren ondertekend met haar paraaf namens het kinderdagverblijf en met haar handtekening in haar hoedanigheid van ouder. Ten slotte heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan het besluit ten grondslag gelegd dat [appellant] niet heeft gereageerd op het verzoek om informatie. Bij e-mails van 22 maart 2016 en 1 april 2016 heeft de dienst vanwege het hoge aantal opgegeven opvanguren aan [appellant] gevraagd het aantal medewerkers in 2012 en het aantal kinderen dat in 2012 gebruik maakte van de opvang door te geven, om uit te sluiten dat [appellant] zelf haar kinderen had opgevangen. Op dit verzoek om informatie heeft [appellant] niet gereageerd.

De uitspraak van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft het besluit van 6 mei 2016 vernietigd, omdat aannemelijk is dat [appellant] alle kosten van kinderopvang over 2012 heeft voldaan. Zij heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit echter in stand gelaten, omdat geen sprake is van een rechtsgeldige overeenkomst in de zin van artikel 1.52 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: Wkkp). Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:47) volgt dat een persoon als houder van een kinderdagverblijf, zijnde een eenmanszaak, niet los kan worden gezien van dezelfde persoon in de hoedanigheid van ouder. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellant] de houder is van het kinderdagverblijf en dat zij als vraagouder met dat kinderdagverblijf een overeenkomst heeft gesloten.

Het hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over 2012, omdat geen sprake is van een rechtsgeldige overeenkomst. Zij voert hiertoe aan dat [kinderdagverblijf], waar haar kinderen werden opgevangen vanaf 13 juni 2012 in oprichting was. [kinderdagverblijf] heeft de vanaf 13 juni 2012 verrichte rechtshandelingen bekrachtigd. In ieder geval was vanaf die datum sprake van een rechtsgeldige overeenkomst, nu de kinderopvangovereenkomst vanaf dat moment tussen twee verschillende partijen was gesloten. De Belastingdienst/Toeslagen kan hieraan geen eigen invulling geven, aldus [appellant].

    Ook voor de periode van 1 januari 2012 tot en met 12 juni 2012 was volgens [appellant] overigens sprake van een rechtsgeldige kinderopvangovereenkomst. Zij acht hierbij van belang dat zij een alleenstaande moeder is, die 60 uur per week buitenshuis werkt. Zij houdt zich actief bezig met het werven van nieuwe klanten en het doen van overnames van failliete kinderopvanginstellingen. Voorts bezocht en bezoekt zij branchebijeenkomsten. Verder verzorgde [appellant] niet zelf de opvang van haar kinderen, maar werd dit door haar werknemers gedaan. Zij heeft een medewerker gevolmachtigd om namens haar handelingen te verrichten. Het kinderdagverblijf maakt gebruik van een zakelijke bankrekening op naam van het kinderdagverblijf. Op grond van deze omstandigheden is het voor haar moeilijk om als alleenstaande moeder volledig voor haar eigen kinderen te zorgen, zodat opvang voor haar kinderen noodzakelijk is. Haar positie is gelijk aan een werkende moeder (niet zijnde ondernemer) die in een voorkomende situatie aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, aldus [appellant]. De Belastingdienst/Toeslagen heeft daarom in strijd met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 94 van de Grondwet had de rechtbank artikel 1.52 van de Wkkp daarom buiten toepassing moeten laten, aldus [appellant].

4.1.    Artikel 26 van het IVBPR luidt:

"Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status."

    Artikel 1.1, eerste lid, van de Wkkp, voor zover hier van belang, luidde ten tijde van belang:

"In dit hoofdstuk en de op dit hoofdstuk berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

houder:

a. degene aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 toebehoort en die met die onderneming een kindercentrum of een gastouderbureau exploiteert

b. (…)

    Artikel 1.52 van de Wkkp, eerste lid, luidde ten tijde van belang:

"Kinderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder."

4.2.    De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:47), overwogen dat een persoon als houder van een kinderdagverblijf, zijnde een eenmanszaak, niet los kan worden gezien van diezelfde persoon in de hoedanigheid van ouder en er aldus geen sprake is van een rechtsgeldige overeenkomst in de zin van artikel 1.52 van de Wkkp, wanneer de ouder en de houder van het kinderdagverblijf één en dezelfde persoon zijn. [appellant] heeft plaatsingsbewijzen van haar beide kinderen voor [Kinderdagverblijf] overgelegd. Deze bewijzen zijn gedateerd 5 januari 2012 en ondertekend door haar als vraagouder en geparafeerd als houdster van het kinderdagverblijf. Aan de omstandigheid dat ook plaatsingsbewijzen van diezelfde datum zijn overgelegd, waarop dezelfde gegevens zijn vermeld, maar onder de naam van het kinderdagverblijf een andere paraaf staat, kan niet de betekenis worden toegekend die [appellant] daaraan gehecht wil zien. Dat een medewerker die plaatsingsbewijzen namens het kinderdagverblijf heeft geparafeerd heeft immers niet tot gevolg dat een andere partij dan de houder het plaatsingsbewijs heeft geparafeerd.

4.3.    Voor zover [appellant] heeft betoogd dat, waar het de periode tot 13 juni 2012 betreft, artikel 1.52 Wkkp buiten toepassing moet worden gelaten omdat toepassing van die bepaling in dit geval een inbreuk op het discriminatieverbod in artikel 26 van het IVBPR inhoudt, faalt dat betoog. In haar stelling dat haar positie vergelijkbaar is met een werkende moeder, die geen ondernemer is, ligt ten onrechte besloten dat ondernemers in het algemeen zouden zijn uitgesloten van een aanspraak op kinderopvangtoeslag. Haar geval onderscheidt zich echter van de overige gevallen omdat haar kinderen zijn ondergebracht in een door haarzelf als eenmanszaak gedreven kinderopvanginstelling. De kosten die zij als ouder maakt, maken daardoor geheel of ten dele deel uit van het inkomen uit haar werk. Derhalve verschilt haar situatie wezenlijk van de situatie van andere werkende ouders, waaronder alleenstaande ondernemers, die hun kinderen laten opvangen bij een derde partij.

4.4.    Voor wat betreft de periode vanaf 13 juni 2012 geldt het volgende. Op zichzelf is het juist dat een plaatsingsbewijs in beginsel kan worden aangemerkt als een overeenkomst zou kunnen gelden. Zoals hiervoor in 4.2 is overwogen is daarvan in dit geval geen sprake. Nu de plaatsingsbewijzen van 5 januari 2012 niet kunnen worden aangemerkt als schriftelijke overeenkomsten, kunnen zij reeds hierom evenmin worden geacht per 13 juni 2012 schriftelijke overeenkomsten te zijn die [kinderdagverblijf] in oprichting en [appellant] zijn aangegaan. Om aan de eisen van de Wkkp te voldoen hadden [kinderdagverblijf] in oprichting en [appellant] op of na 13 juni 2012 alsnog schriftelijke overeenkomsten moeten aangaan voor de plaatsing van de kinderen van [appellant] op het kinderdagverblijf van [naam kinderdagverblijf], die na 7 december 2013 door [kinderdagverblijf] kon worden bekrachtigd. Niet in geschil is dat op of na 13 juni 2012 tussen [kinderdagverblijf] in oprichting en [appellant] geen schriftelijke overeenkomst is aangegaan. Evenmin hebben [kinderdagverblijf] en [appellant] op of na 7 december 2012 een schriftelijke overeenkomst gesloten.

    Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] gedurende het gehele jaar 2012 geen aanspraak had op kinderopvangtoeslag, omdat niet was voldaan aan het vereiste van artikel 1.52, eerste lid, van de Wkkp.

4.5.    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Polak    w.g. Lodder

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2017

17.